Sporen.
Klushuis
man van goede wil
Foto's, ansichtkaarten, collages en wat dies meer zij.
Sporen.
Van ons land wordt nog wel eens gedacht, wordt nog wel eens beweerd, verondersteld, dat het zo'n aangeharkt landje is. Zo keurig en proper aangeveegd binnen de lijntjes. Maar sinds ik ben gaan wandelen zijn ze me opgevallen. De verwaarloosde, half vergeten, afgeragde en uitgeleefde boetjes en bouwsels. Rabbige soms half ingestorte schuren en keten. Aan hun lot en de elementen overgelaten. Niks keurigs aan, en daarom des te mooier. Ze staan overal en nergens en ik hou van ze. Ik ben ze gaan verzamelen in de fotorubriek Boetjes En Bouwsels.
Een beginnersfoutje was het eigenlijk. Zo begon het. Zo ontstond het idee. In de beeldentuin van het Kröller Müller Museum nota bene. Ik was in mijn eentje op fietstocht door Nederland. Langs beeldenparken, -tuinen, -bossen en -routes. Ik zat op de kunstacademie en stond aan het begin van een nieuwe levensfase. Ik was op zoek naar mezelf, een doel, iets anders. Ik stond open voor van alles. En zo liep ik in de beeldentuin van Kröller Müller belangstellend rondjes om een manshoge, vierkante sculptuur van geribbeld kiezelbeton waar een soort metalen roosters in verwerkt waren. Trachtte zijn zeggingskracht te doorgronden. Haar zijn te absorberen. Tot ik ontdekte dat er geen bordje bij stond, zoals bij de andere sculpturen. Dat ik ook een beetje van het pad was afgedwaald. En daarna dat het dus ook helemaal geen sculptuur was, maar de ontluchting van de kelders van het museum, of zoiets. Een tikkeltje gênant natuurlijk, zeker ook voor een kunstacademiestudent, maar gelukkig had niemand het gezien. Behalve ikzelf. Oók gelukkig, want daar was meteen het idee. Ik had hier iets dat niet als kunst bedoeld was, toch als zodanig staan bekijken. En waarderen. En dat maakte dus pas iets uit toen ik ontdekte dat er geen bordje naast stond. Een interessante kwestie. Wat zei dat over mij? Wat zei dat over kunst? Ik had geen idee, maar besloot er een thema van te maken. Jaren geleden is dit allemaal. 1991, om precies te zijn. En sindsdien ben ik het tegen blijven komen, op mijn pad. Het is geen kunst, maar zou het net zo goed wel kunnen zijn. Het is maar net hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien. Ik noem het GeenKunst. Bekijk eventueel de nog immer groeiende catalogus van de verzameling. Bovenstaande installatie heeft als titel: Een zee van tranen.
Het is veel te koud om naar mijn werkplaats te gaan, deze dagen. Deze weken. Wat jammer is, want zo komt er niks uit mijn handen. Dat wil zeggen, niet op het gebied van de beeldende kunsten. De knutselarij. Om alvast in de stemming te komen voor de betere tijden, die er natuurlijk ook weer aankomen, haal ik dan maar even een oudje uit het stof. Met authentiek onscherpe foto. Een tijdlang maakte ik dit soort kleine kastjes, van restjes hout en gevonden voorwerpen. Meestal zette ik er dan zo'n opwind-muziekwerkje in, waardoor het een aardig cadeau voor de kinderkamer werd. Het waren de dagen dat er nogal veel kinderen geboren werden, om ons heen. Kinderen die inmiddels allemaal alweer groot en uitgevlogen zijn. Vaak maakte ik er ook nog een gedichtje bij. Dit muziekkastje heet Het Uilskuiken. Het bijbehorende gedichtje:
Het doet de uil/ met al zijn wijsheid/ toch een beetje pijn/ het onvermijdelijk te weten/ dat zijn kinderen/ uilskuikens zijn/
Het minderheidskabinet.
Al struinend in de digitale archieven, op zoek naar materiaal om met dit nieuwe blog een soort van overzicht te geven van wat ik dan nog meer doe, behalve de was en de afwas en de bedden opmaken, ter vervanging van de website die ik daar eerder voor had maar die binnenkort door omstandigheden uit de lucht gaat, kwam ik ook deze tegen. Een samenwerkingsprojekt met Conny Kruithof, die de tekeningen maakte. Ik schreef de verzen en deed de grafische vormgeving. Leek me voor vandaag de dag wel toepasselijk.
Al klinkt een spreekwoord nog zo raar, als het rijmt, dan is het waar.