Een middag met De Neven

Een middag met De Neven

Wij leerden elkaar kennen als schoolreisvaders, op de basisschool van onze jongens. Die waren toen nog klein. We hebben het over zeventien jaar geleden, minstens. Ik had, om erger te voorkomen, het schoolreislied geschreven, op melodie van The Bare Necessities, het Berenlied van Baloe, uit Disney's Junglebook. Het heette Leve De Prehistorie en het ging over de prehistorie, want dat was het thema van de schoolreis, de prehistorie. Maarten bood aan daar piano bij te spelen en de rest, zoals dat heet, is geschiedenis. We oefenden dat een paar keer, het klikte en het smaakte naar meer en zo ontstond een vriendschap en een duo: De Neven. Uit mijn rijke kindertheaterverleden had ik nog een ruime voorraad liedjes liggen waar we voorlopig mee vooruit konden. Zo speelden we kleine huiskamerconcertjes op de verjaardagsfeestjes van de jongens, onze eigen jubilea, feesten en partijen, benefietjes op de fancy fair van hun basisschool en bij andere bescheiden gelegenheden. In de loop van de tijd kwamen er nieuwe liedjes bij, vertalingen van uiteenlopend repertoire en in een overmoedige bui besloot ik het accordeon er maar weer eens bij te pakken. Er vielen regelmatig maandenlange pauzes waarin er niets gebeurde behalve allerlei andere dingen, maar we bleven altijd bestaan en vonden elkaar steeds weer terug. Het bleef altijd jeuken, op onze rug. Vorig jaar besloten we dan de stoute schoenen aan te trekken, het plaatselijk theater af te huren en ons voor te bereiden op een serieus theaterconcert. We selecteerden uit ons inmiddels omvangrijk repertoire, stelden een rigide repetitieschema op, hielden ons daaraan, namen zanglessen, schreven tussenliggende dialogen, repeteerden zeven maanden lang, rommelden een decor bij elkaar en nodigden meer dan honderd mensen uit te komen kijken. Afgelopen zaterdag was de grote dag. We speelden onze voorstelling in het warme bad van een bomvolle zaal. Met applaus en complimentendouche na afloop. Een onvergetelijke ervaring. Een droom. Een kroon op ons werk, een kroon op onze vriendschap.

Goeie koffie!

Goeie koffie!

De bel gaat. Het is vroeg in de ochtend. Ik sta me net boven in mijn klusbroek te hijsen, voor een nieuwe arbeidzame dag, dus erg handig komt het niet uit, maar goed. Haastig mijn broek optrekkend en mijn gulp dichtknopend hots en bots ik op sokken de trap af om de deur open te doen voor, ja, jezus, hoogstwaarschijnlijk Jehova’s Getuigen natuurlijk, maar dat bedenk ik dan weer net te laat want nu is de deur al open.

De mevrouw die kennelijk had aangebeld was al halverwege het tuinpad weer af, maar nu ze de deur open hoort gaan keert ze schielijk terug. Het is een al wat oudere mevrouw. Nogal klein van stuk. Een indruk die nog eens versterkt wordt doordat ze zo’n twintig centimeter lager staat dan ik, op het tuinpad. Ik toren boven haar uit, in mijn voordeur, op mijn stoepje. Ze draagt een gewatteerde winterjas, een diep over haar oren getrokken grof gebreide wollen muts en een bril met zelfkleurende glazen. Vooral dat laatste geeft haar een in mijn ogen wat louche uitstraling.

Ze rommelt wat in haar tasje, zo’n oranje nylon tasje dat je heel klein kunt opvouwen zodat je altijd een tasje bij je kunt hebben, in je tas, en zonder verdere inleiding of zelfs maar begroeting vraagt ze of ik een pak koffie wil kopen. Ik zeg vragen, maar ik hoor niet echt een vraagteken. Ter illustratie houdt ze ook een pondspak koffie omhoog dat ze met enige moeite uit haar tasje tevoorschijn heeft geworsteld, maar uitnodigend zou ik dat gebaar niet willen noemen. Het is Douwe Egberts, verklaart ze nog, op een toon alsof er nu toch echt geen ontkomen meer aan is. Alsof ik nu wel gek zou zijn dit schitterend aanbod af te wijzen. Douwe Egberts! Stel je voor! Goeie koffie, dringt ze verder aan en steekt het pak nog maar eens wat hoger. De opbrengst, komt er dan terloops toch iets van een verklaring, is voor álle sportverenigingen van de stad. Ik kijk even naar haar jas, of ik iets van een button of een badge of een logo gemist heb, of zo’n keycord met een id-kaart eraan, maar nee. Ook het oranje tasje levert geen verder aanknopingspunt. Het is blijkbaar een particulier initiatief.

Normaalgesproken ben ik met een natte vinger en een lieve glimlach al te lijmen om weer eens donateur van iets liefdadigs en goedbedoelends te worden, maar hier heb ik al meteen helemaal geen zin in. Dat ik eigenlijk net koffie heb gekocht, pareer ik dus de aanval, zo gedecideerd mogelijk. Maar zo gemakkelijk kom ik niet van haar af. Dat had ik gedacht. Dat een extra pak koffie geen kwaad kan, klinkt het bijna verontwaardigd over zo’n slap excuus. Douwe Egberts!, benadrukt ze nog maar eens. Goeie koffie! En dat ze ervan af wil want ze is bijna door haar voorraad heen en ze heeft het wel gehad, ze wil naar huis. Ronduit chagrijnig klinkt het nu. Verwijtend. Ik ben een heel vervelende, lastige klant, dat mag ik gerust weten. Zestien euro, noemt ze dan haar prijs, zestien euro, dat is goedkoper dan in de winkel. Zestien euro?!, roep ik verbaasd, voor een pak koffie?! Het schalt over straat. Ja, nee, schampert de mevrouw over zoveel onbegrip, zestien euro, dat is natuurlijk voor twee pakken, en ze staat alweer in haar tasje te graaien, waar zo te zien inderdaad nog een pak in zit. Ze heeft namelijk nog maar twee pakken en als ik die nou koop, is zij er van af en kan ze naar huis. Het is duidelijk dat haar geduld op begint te raken.

Het mijne zit ook op het randje, maar in plaats van een hardvochtig en duidelijk ‘nee’ kies ik als doorgewinterd conflictvermijder toch weer voor een beleefde uitvlucht. Dat ik helaas geen contant geld in huis heb. Ik weet bijna zeker dat de mevrouw geen pinautomaat bij zich heeft, of een andere digitale oplossing, dus ik ga er vanuit dat het nu klaar is. Maar de mevrouw weet kennelijk heus wel dat ik op aandringen van de overheid een envelopje met bankbiljetten in de keukenla heb liggen en duldt verder geen tegenspraak meer. Nogmaals, ze heeft het gehad en wil naar huis. Dat ze kan wisselen, klinkt het nors. Ik ben door mijn tekst heen. Er valt een korte stilte waarin ik koortsachtig probeer te begrijpen wat hier gebeurt. Dan haalt de mevrouw haar schouders op en stopt het pak koffie terug in haar tasje. Dan houdt het op, concludeert ze bars. Dan moet ik het zelf maar weten. Mokkend loopt ze het tuinpad af.

Nieuwe start

Nieuwe start

Na jaren trouwe dienst moet ik nu mijn werkplaats verlaten. Het is niet anders. Sinds het begin van de pandemie het creatief toevluchtsoord van de beeldend knutselaar die ik ben. De opslag ook van grote hoeveelheden gebruikt hout in niet gangbare maten, zeer uiteenlopende gevonden voorwerpen, kringloopvondsten, en laden en kratten vol dingetjes en dangetjes die ooit nog wel eens van pas kunnen komen. De afgelopen dagen ben ik druk in de weer dat allemaal uit de rekken te trekken, te sorteren en te bundelen in draagbare porties, om het straks min of meer overzichtelijk naar een nieuwe stek te verhuizen. Ik heb er gemengde gevoelens bij. De nieuwe start zorgt voor een energieke opgetogenheid, zeker, maar het afscheid van mijn oude plek geeft het toch ook een melancholiek tintje. Ik ben daar vatbaar voor. Al doende blijkt trouwens dat mijn voorraad hout ook een schuilplaats voor de winter bood aan een handvol vlinders, zoals deze dagpauwoog, die een fotogeniek plekje had uitgezocht op deze zwart geschilderde plaat hout. Héél even zette hij de vleugels op een kiertje, als teken van leven allicht. Ik besloot hem maar te laten zitten en de plaat hout voorlopig op een beschut plekje achter te laten. Maar toen ik een uurtje later nog eens keek, was hij toch vertrokken. De lente tegemoet. Hoop ik. Voor een nieuwe start. Net als ik.

There's a world going on underground

There's a world going on underground

Je komt het tegen, op je pad. Langs je weg. Het is geen kunst, maar wanneer je er met een ander oog naar kijkt zou het dat best kunnen zijn. Als je het maar wilt zien. Ik verzamel ze al jaren, deze beelden die geen beelden zijn, in een immer uitdijende catalogus. GeenKunst, heb ik het genoemd. Vorige week vond ik er weer eens eentje, tijdens een wandeling, in het Lyklamabos, bij Nijemirdum.

Very Contemporary

Very Contemporary

We waren in Middelburg, mijn vrouw en ik, voor een wat het weer betreft niet ideaal gepland weekendje weg. Hadden wij ons allicht verheugd op wandelingen over het strand, en door het Zeeuwse landschap, romantisch beschenen door een voorzichtig proberend eerste lentezonnetje, in werkelijkheid was het gewoon nog uitgebreid februari, waaide het ongenadig hard, was het snijdend koud en leek regen nooit ver weg. Vandaar Middelburg. Overdekte activiteiten. Ook niks mis mee.

Zo kwamen we bijvoorbeeld terecht in boekwinkel de Drukkerij, waar het warm en gezellig was. Waar het gonsde van de mensen op zoek naar een boek, waar de horeca het nauwelijks bij kon benen en waar op beschaafd volume live muziek werd gebracht door twee keurige jongemannen. Na ieder nummer klonk een nauwelijks hoorbaar applaus. De elpee, werd nog beleefd vermeld, was straks in de winkel verkrijgbaar.

Op ons gemak dwaalden wij langs de schijnbaar oneindige hoeveelheid boekenkasten, die als open cirkels over de ruimte waren uitgestrooid en zo een doolhof vormden van beschutte kamertjes die zeer tot genoeglijk neuzen en bladeren uitnodigden. We wisten onze hebzucht tot vier titels te beperken, waaronder Welkom bij de club, het debuut van Thomas van der Meer, vanwege zijn liefdevolle en fijnzinnige manier van schrijven mijn favoriete columnist in het Volkskrant Magazine. Eenmaal weer buiten bevond zich schuin aan de overkant van het plein de Vleeshal. Expositieruimte voor hedendaagse kunst. Wij zijn kunstminnende mensen en met de museumkaart in de hand, besloten wij, konden wij ons er sowieso geen buil aan vallen.

We werden ontvangen door twee vriendelijke medewerkers met een grote, witte V op hun t-shirt, die ons na het inchecken op het hart drukten vooral voorzichtig te zijn bij het kunstwerk dat in het midden stond opgesteld, omdat daar gebruik was gemaakt van glas. Wij beloofden voorzichtig te zijn, namen de bijbehorende beschrijving in ontvangst en betraden de expositie.

Nou, ik zal het maar meteen eerlijk en oneerbiedig zeggen, ik had aan één blik genoeg: dit werd niks. Er stond of hing ook bijna niks trouwens. We liepen binnen in een enorme zaal, een schitterende ruimte, met een hoog, fraai afgewerkt meervoudig gewelfd plafond, zwarte, natuurstenen plavuizen op de vloer, boogvormige nissen in de witte, gemetselde muren, spitsboogramen voor een kerkelijke lichtinval. Een stoere doch serene uitstraling. Nee, aan de ruimte lag het niet, die had beslist beter verdiend. Het was de kunst.

Tegen de verste wand werd op cinemascopeformaat een waarschijnlijk met een telefoon opgenomen filmpje van twee elkaar aantrekkende en afstotende handen afgespeeld, waarvan wij dachten dat het misschien nog wel leuk voor Sesamstraat was geweest, als er maar van die oogbollen op de vingers hadden gezeten. Vanwege het formaat leek dit even het enige geëxposeerde te zijn, maar links stonden wat verloren in de ruimte ook nog vier tv toestellen, met ieder een stoel ervoor, waarop je onder meer kon kijken naar een filmpje van iemand die tergend langzaam zijn of haar gulp opendeed waarachter dan een lichtgevend oog bleek te zitten, of zoiets. Rechts stond een diaprojector met een eeuwigdurende carrousel vol dia’s van tamelijk fletse tekeningen met veel nondescripte rode vlekken die zo klein werden geprojecteerd dat je ze feitelijk niet goed kon zien, wat dus misschien maar beter was.

In het midden van de ruimte dan het aangekondigde kunstwerk met glas. Een ruim tien meter lang spoor van in de vloertegels gegraveerde Duitse teksten, met aan weerszijden van iedere teksttegel een grijze straatklinker waarop dan inderdaad glas lag, dat de tekst als het ware op struikelhoogte overkapte. Het was niet zomaar een ruitje, nee, voor iedere teksttegel was een glasplaatje van naar schatting veertig bij veertig centimeter op een andere manier in verschillende stukken gesneden en neergelegd of gestapeld.

Het was precies het soort pretentieuze kunst waar ik vreselijke jeuk van in mijn nek krijg. Even bladeren in de beschrijving bevestigde mijn vermoeden: ellenlange abracadablabla verhalen met veel interessante nietszeggende termen en moeilijke, holle woorden. Geef mijn portie maar aan Fikkie, dacht ik. Maar dat had ik gedacht. Want toen ik mij omdraaide om te vertrekken stond daar de meneer met de V op zijn t-shirt. Ik schrok ervan en deinsde onwillekeurig wat achteruit. Pas op, zei mijn vrouw, en trok me aan mijn arm wat opzij, weg van de glasplaatjes. Thank you, zei de meneer met de V, met een minzaam knikje. Waarna hij uitlegde dat het een poem was, deze teksten in de vloer, een poem dat je tegel voor tegel kon lezen. En dat de tekst de meaning droeg, en de stukgesneden glasplaatjes de emotion representeerden. Bij het woord emotion hield hij zijn hoofd wat schuin en legde hij beide handen over elkaar op zijn hart. En mocht ons Duits misschien niet toereikend zijn, voorzag hij een mogelijke tegenwerping, er was een Nederlandse vertaling beschikbaar. Daar drukte hij mij die al in de hand. Thank you, zei ik, met een naar ik hoopte minzaam knikje. Verwachtingsvol bleef de meneer met de V echter staan. Waardoor mij, goed opgevoed als ik ben, geen andere mogelijkheid bleef dan de gang langs het gedicht alsnog te maken. Voorzichtig dat ik geen glasplaatjes stuk zou maken. Al was die behoefte er wel.

Voorproefje van de zelfkant

Voorproefje van de zelfkant

In een intieme huiskamersetting, voor een select publiek van genodigden, gaven wij op valentijnsdag een eerste voorproefje van ons op stapel staande theaterconcert. Wij, dat zijn De Neven. Muzikaal vriendenduo dat al jaren af en aan bestaat en nu de stoute schoenen maar eens heeft aangetrokken en het plaatselijk theater heeft afgehuurd voor een besloten theaterconcert, ter gelegenheid van een niet echt bestaand jubileum. Terwijl het zonnetje vrolijk door de ramen kwam, brachten wij voor het eerst het tweede gedeelte van het programma, waarin wij een korte rondleiding gaven door de brokkelige wereld van Tom Waits. Waar de zelfkant vaak de enige kant van de zaak is. Waar achter de donkere wolken niet altijd de zon schijnt. Een oord bevolkt door ploeteraars, zwoegers en sloebers. Eenzame zielen. Knierten en krepsers. Een wereld waar de rafelranden niet worden weggewerkt, maar hartstochtelijk bezongen. In het Nederlands, uiteraard. Met liefde vertaald.

Iets belangrijks

Iets belangrijks

Mijn kleinzoon, zeven jaar oud inmiddels, ging op voor zijn zwemdiploma A. En opa was uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Dat hoefde geen tweede keer gevraagd te worden want daar ben je opa voor, voor dat soort dingen. Je hoeft niet eerst twee jaar lang elke week naar het zwembad te fietsen, door weer en wind en hittegolf, om daar een uur lang in een oververhitte, overbevolkte galmbak je ziel in zaligheid te zitten bezitten, nee, je bent er alleen op het feestelijk moment suprême. Wanneer het feitelijk niet meer fout kan gaan. En dat ging het dan ook niet. Alle onderdelen werden in een straf tempo volgens de regels afgewerkt en uitgevoerd, er werd uitbundig gezwaaid, er werden foto’s en filmpjes gemaakt voor oma, die er niet bij kon zijn, en alles was nog ongeveer precies zoals ik het mij herinnerde van mijn eigen kinderen. Zoals ik het mij nog meende te herinneren van mijn eigen afzwemmen zelfs, vele, vele jaren geleden. De spanning, het bibberen, de galm van de badjuf. De enorme hoeveelheid koud, blauw water. De vertederende aanblik van al die bibberende kinderlijfjes, de ingespannen gezichtsuitdrukkingen, de toegewijde concentratie, de zoekende blik over de tribune van waar zitten ze en zien ze me wel. En natuurlijk het gezamenlijk aftellen van tien naar één bij het laatste onderdeel, het watertrappelen. Het juichen tot slot, dat iedereen het gehaald had. Ja, dat was mooi. Toen alles eenmaal achter de rug was, de kinderen allemaal weer afgedroogd en aangekleed, werd er verzameld in de hal voor de officiële diplomauitreiking. De kinderschaar zittend op de grond, in gespannen afwachting, in een wijde kring om de badjuffen van dienst, en daaromheen een dichte schare van vaders, moeders, opa’s en oma’s, broertjes en zusjes en andere belangstellenden, de meesten met de telefoon in de aanslag. Eén voor één werden de kinderen naar voren geroepen om hun diploma in ontvangst te nemen. Voor ieder kind klonk een applaus, ieder kind liep met een brede, trotse lach en blije, glimmende ogen naar het eigen publiek. Dat onmiddellijk de jassen aantrok, de tassen bij elkaar pakte en zich door de dichte schare belangstellenden naar achteren werkte, op weg naar de uitgang, de parkeerplaats, de gezinsauto. De schare belangstellenden werd gestadig minder dicht, het applaus werd allengs dunner en voor de laatste paar kinderen was alleen een karig restje publiek overgebleven. Wat maakt het uit, kun je zeggen. Zwemdiploma A, waar hebben we het over. Kun je zeggen. Maar ik denk dat het misschien wel iets belangrijks zegt. Iets waar we over na zouden moeten denken.