Een groot en fantastisch avontuur

Een groot en fantastisch avontuur

Hoe vaak heb ik mijn kinderen al niet uitgezwaaid, tijdens mijn veertigjarig vaderschap. Ontelbare keren. En altijd met een zwaar gemoed. Altijd met de tranen op z’n minst achter de ogen brandend, maar meestal toch gewoon over de wangen rollend. Dat begon al toen ik mijn dochter voor het eerst achterliet bij de kinderopvang en dat is nooit meer overgegaan. Wenend zag ik ze van het schoolplein vertrekken voor het jaarlijkse uitje naar de Efteling, met de bus, wenend stond ik op het perron de trein na te zwaaien waarmee ze op weg gingen voor de traditionele driedaagse schoolreis van de bovenbouw. Met brandende ogen gaf ik mijn dochter mee op vakantie aan haar moeder en de nieuwe vriend, met ingehouden tranen leverde ik mijn jongste zoon af bij de flixbus, met z’n rugzak, voor een hike in Frankrijk. Bedrukt zag ik mijn oudste in zijn auto stappen voor een skivakantie in Oostenrijk. Met een zwaar hart zwaaide ik vanachter het raam mijn dochter na die voor kamers in Utrecht ging hospiteren. Met een dikke keel liet ik ze in de loop der jaren alle drie achter in hun eerste eigen woning. Ontelbare keren. Afscheid groot en klein. Ik ben er nooit goed in geworden. Of misschien ben ik er wel altijd goed in geweest. Zo kun je het ook bekijken.
Dit weekend zwaaiden wij, schaamteloos huilend, onze jongste zoon en zijn vriendin uit. Zij vertrokken, in hun camper, voor een rondreis door Europa. Een rondreis van een jaar. Een plan dat ons al meer dan een jaar boven het hoofd hing. Een plan waarvan ik veiligheidshalve een tijdlang gedacht en misschien ook wel een beetje gehoopt heb dat het een wild plan was, dat ook altijd een plan zou blijven, maar waarvan ik, toen de camper eenmaal voor de deur stond, toch besefte dat ik er beter aan kon gaan wennen, aan het idee.
En nu zijn ze dus vertrokken. Voor een groot en fantastisch avontuur. Ze hadden een droom en die maken ze waar. Ik heb daar bewondering voor. Ik ben daar trots op. Ook als vader. Nu alleen maar hopen dat ik binnenkort aan het idee gewend ben.

De slang en zijn staart

De slang en zijn staart

Omdat ik een afspraak met mijn Haagse vriendin in de agenda heb staan leek het mij leuk daar een cultureel uitje bij uit te zoeken en zodoende stortte ik mij op de ladders van de verschillende theaters in de buurt. Behalve dat er op de gewenste dag niets van onze gading te vinden was, viel het mij op, niet voor het eerst trouwens, dat het theateraanbod zo langzamerhand overheerst wordt door de zogenoemde tribute-artiesten. Bandjes, zangers, zangeressen en muzikanten die blijkbaar zelf niks anders of beters of originelers kunnen verzinnen en er hun eer dan maar in leggen zo goed mogelijk een ander na te doen. Dat begint zo langzamerhand toch een beetje armoedig te worden. Artistiek gezien, ja, maar zeker ook het feit dat het grote publiek daar blijkbaar van smult. Overbekende kost, nep maar betaalbaar. Nederland top2000 land.
In drie theaters vond ik in een periode van twee maanden het volgende, onder meer: Child to Destiny, drie dames die natuurlijk Destiny’s Child doen; Maincourse, doen The BeeGees; The Pink Floyd Project kauwt The Wall nog maar eens uit; Cosmic Carnival neemt Fleetwood Mac voor zijn bankrekening; Timebox meent het gevarieerder aan te moeten pakken en herkauwt de Nederpop van ‘64 tot ’74, een win win aanpak; Coming On Strong springt in het gat dat The Golden Earring onlangs achterliet; ene Charl zingt Shaffy, ook al een tijdje dood; een artieste die niet eens meer de moeite neemt iets van een eigen naam op te voeren doet een Adele tribute; Bouke rocks Elvis; Rob Lamberti heeft net zo’n zonnebril als George Michael; Treasure doet Bruno Mars, die het ook gewoon zelf nog doet; dan zijn daar nog The Dire Strats, die waarschijnlijk hard gestudeerd hebben op Money For Nothing; The ELO Encounter; Beach Boys Best; Jethro Tull.. of wacht.. nee, die laatste, dat zijn de echte, zie ik aan de foto.. tjees, bestaan die nog?
Het begon in mijn herinnering allemaal met The Tribute To The Cats Band, die ik overigens ook twee keer tegenkwam in de lijst, en daarna werd het almaar meer. Ik zal niet zeggen erger, maar dat bedoel ik wel. Het bracht mij op een gegeven moment op de zure grap die ik daarna maar al te graag maakte: dat het nu alleen nog wachten was op The Tribute To The Tribute To The Cats Band. Het is misschien helemaal niet zo’n leuke grap, maar het is wel grappig dat het nu toch zover is gekomen. En dat ik dus, zuur of niet, gelijk heb gekregen. Bij mijn zoektocht stuitte ik namelijk ook op een voorstelling van The Young Analogues. Die dus het repertoire spelen van The Analogues. Die dus het repertoire speelden van The Beatles. De cirkel, dames en heren, is rond. Ik zou zelfs willen zeggen: veel ronder kan de cirkel niet meer worden.

Zelfbegoogeling

Zelfbegoogeling

In eerdere berichten, recent en minder recent, vertelde ik al over mijn roemruchte verleden als beeldend kunstenaar. We spreken van ruim dertig jaar geleden, toen ik de academie verliet als gediplomeerd jong aanstormend talent. Van mijn eindexamenexpositie had ik aan deze en gene wat tekeningen verkocht en aan de kunstuitleen een paar schilderijen. Lang heb ik gedacht dat dat er twee waren, tot ik ontdekte dat het er zelfs drie geweest moeten zijn. Hoe die misvatting ooit is ontstaan valt achteraf niet meer te reconstrueren, maar op zekere dag vond ik tijdens het zelfgoogelen niet alleen een schilderij terug waarvan ik niet wist waar het was gebleven - bij de kunstuitleen dus - maar ook trof ik een schilderij van eigen hand waarvan ik zelf het bestaan was vergeten. Samen met het schilderij waarvan mij twee jaar na de verkoop vriendelijk verzocht werd het wegens overtolligheid weer op te komen halen omdat het anders discreet vernietigd zou worden, maakte dat dus drie.
Het schilderij waarvan ik het bestaan vergeten was, bleek bij de kunstuitleen niet alleen te koop en te huur te staan, het was zelfs verhuurd. Voor veertien euro per maand. Ik hoefde niet lang te rekenen om uit te vinden dat wanneer de kunstuitleen het schilderij laten we zeggen dertig jaar voor die prijs verhuurd had, er aanzienlijk meer aan verdiend was dan ik er ooit voor betaald had gekregen. Daar kun je nog wel eens een overtollig geworden schilderijtje gratis voor retourneren. Maar goed, bedacht ik dan maar, dat was nou eenmaal het lot van veel grote kunst, de lachende derde ging er met de poet vandoor.
Niet lang geleden tikte ik op een bloedhete en lusteloze zomeravond dan nog maar weer eens mijn eigen naam in, kwam opnieuw terecht op de site van de kunstuitleen en ontdekte dat het tweede schilderij, het schilderij waarvan ik eerder niet wist waar het gebleven was - bij de kunstuitleen dus - nu óók was verhuurd. De prijzen waren inmiddels met hun tijd meegegaan, momenteel doen beiden zestien euro per maand. Ergens op de wereld zijn er dus twee mensen die een schilderij van mij aan de muur hebben hangen, al is het maar op de gang, al is het maar op het toilet, en daar iedere maand zestien euro voor over hebben.
Jong aanstormend en veelbelovend talent ben ik natuurlijk al dertig jaar niet meer, een gevestigd kunstenaar kun je me ook zeker niet noemen, mijn bliksemcarrière liep vrij snel met een sisser af, maar helemaal onopgemerkt is het dan toch ook niet gebleven.

Vondst (H)

Vondst (H)

Om redenen die later duidelijk zullen worden, plaats ik hieronder een oud bericht van mijn inmiddels verwijderde weblog Het Bewijs. Het is een bericht van 2 juli 2025, maar, zoals dus later zal blijken, opnieuw actueel geworden.

Het was uit pure lamlendigheid, ik zal het eerlijk toegeven. Het land zuchtte onder een hitteplan, van alle kanten werd je toegebeten dat je vooral veel water moest drinken en binnen moest blijven. Rustig aan, geen onnodige inspanningen. Ramen en deuren gesloten. Zeker als je wat ouder was. Nou beschouw ik mezelf nog niet als wat ouder, maar het zit er wel aan te komen natuurlijk, met de grote 65 in zicht. En met onnodige inspanningen kun je sowieso niet voorzichtig genoeg zijn.
Zodoende zat ik binnenshuis mijn tijd aan de laptop te verbeiden, omdat het op de volkstuin inderdaad ongezond niet te harden zou zijn en het schilderen van de buitenboel - of ieder ander klus- of huishoudelijk werk - me nu onder de onnodige inspanningen leek te vallen. En zo kwam het dan, iedereen herkent het, dat ik tegen het eind van de dag, vóór het eten koken, mijn eigen naam nog even intikte in de zoekbalk van Duck Duck Go. Ik schaam me er verder niet voor.
En omdat ik een aantal weblogs bijhoud en ook anderszins wel eens de aandacht zoek, leverde dat een aardig rijtje zoekresultaten op. Waaronder inmiddels zelfs twee overlijdensberichten van mensen met dezelfde naam, maar daar wilde ik het niet over hebben. Waaronder ook een advertentie op een online tweedehands boekwinkeltje waarin mijn inmiddels 25 jaar oude versjesboekje Op Twee Oren in goede staat te koop werd aangeboden, voor € 7,50, exclusief verzendkosten. Maar ook daarover wilde ik het niet hebben.
Wat ik namelijk ook aantrof tussen al die resultaten was mijn verloren gewaande schilderij, waar ik al eens eerder een stukje over schreef. Een schilderij dat ik maakte voor mijn eindexamenexpositie aan de Haagse kunstacademie en dat ik daar, samen met een tweede schilderij, ik was nog jong en veelbelovend, verkocht aan de Haagse kunstuitleen.
Ik schreef in dat stukje dat ik dat tweede schilderij later weer op mocht komen halen omdat het anders vernietigd zou worden, wegens overtolligheid. En daar blijkt dat het geheugen ook maar een gebrekkig en onvolledig archief is, want bij doorklikken op dit resultaat bleek dat er bij de Haagse kunstuitleen, die inmiddels overigens om niet na te volgen redenen Heden/Today blijkt te heten, twéé schilderijen te huur zijn van Jos van Venrooy, want ik voerde nog de y-grec van mijn vader. Een geel en een blauw, om het maar even simpel te houden.
Het gele was het verloren gewaande schilderij, dat dus nog altijd geduldig in de rekken van de kunstuitleen staat te staan. Het blauwe was niet het schilderij dat ik van vernietiging gered had door het braaf weer op te komen halen. Uiteraard. Het was een schilderij waarvan ik het bestaan niet meer wist. Dat ik volledig was vergeten. Zelfs nu ik er de tamelijk slechte foto van op mijn scherm zag staan ging er niet meer dan een klein lampje branden, ergens op de achtergrond, hoewel het wel zeer duidelijk van mij was, dat wel.
En nu komt het, volgens een klein driehoekje rechtsbovenin de tamelijk slechte foto was dit schilderij verhuurd. Veertien euro per maand, betaalde iemand daarvoor. Wie weet hoe lang al. Je kon je er zelfs voor op de wachtlijst laten zetten.
Kijk, dat zijn toch de betere zoekresultaten. Opeens blijk ik toch nog kunstenaar te zijn, zonder dat ik het zelf wist. En mijn verloren gewaande schilderij is weer terecht. Ik overweeg het nu zelf te gaan huren. Voordat iemand anders het doet.

Voor kunstzaak (H)

Voor kunstzaak (H)

Om redenen die later duidelijk zullen worden, plaats ik hieronder een oud bericht van mijn inmiddels verwijderde weblog Het Bewijs. Het is een bericht van 4 februari 2020, maar, zoals dus later zal blijken, opnieuw actueel geworden.

Bij een onbesuisde opruimactie trof ik de foto van een al bijna vergeten schilderij. Een schilderij uit eigen koker nog wel. Ik maakte het op de kunstacademie, vele jaren geleden, voor mijn eindexamenexpositie. Het was één van de twee schilderijen die ik daar verkocht, wat ik destijds als een veelbelovende start van mijn carrière als beeldend kunstenaar beschouwde. Ach ja. Veel verder dan een veelbelovende start is het niet gekomen met die carrière en meer dan twee schilderijen heb ik nooit verkocht. Er heeft er nog wel één een paar weken proefgehangen in het trappenhuis van een verzamelende dame, die wellicht meende daarmee eventueel een aanstormend talent in huis te halen, maar die er uiteindelijk van afzag omdat het doek net iets te klein was om ergens precies tussen te passen en ik het voorstel het opnieuw te schilderen maar dan twintig centimeter groter met gekrenkte kunstenaarstrots van de hand wees. Daarmee bleven de verkoopcijfers voor eeuwig steken op twee.
Of eigenlijk ook weer niet, want één van die twee verkochte schilderijen was aangekocht door de kunstuitleen en daarvan kreeg ik een paar jaar later een brief met de mededeling dat het werk wegens overtolligheid discreet vernietigd zou worden wanneer ik het niet zou komen ophalen, op een bepaalde dag, binnen bepaalde uren. Ik ben mij altijd blijven afvragen hoe je iets discreet kunt vernietigen wanneer je de enige persoon op aarde die er blijkbaar nog om maalt er van tevoren per brief van op de hoogte stelt, maar ik klom op de aangewezen dag op het aangewezen uur wel op de fiets uiteraard, om mijn geesteskind te redden. Een weinig eervolle rit die alleen werd opgefleurd door de aanblik van mijn voormalige schilderdocent aan de academie, die met een groot schilderij onder de arm mismoedig in tegenovergestelde richting fietste. Ik wist waar hij vandaan kwam, hij niet waar ik naar toe ging.
Mijn geredde geesteskind heeft vervolgens nog jaren verkocht en wel in mijn atelier gehangen, en toen ik dat niet meer had nog geruime tijd in mijn huis gestaan, op steeds wisselende plekken, tot ik het uiteindelijk wegens gebrek aan ruimte zelf maar discreet vernietigde, samen met zijn overgeschoten broers en zussen waar de wereld ook niet op had zitten wachten. Behalve dus het schilderij op de foto. Dat ik al bijna vergeten was. Wat zou er van geworden zijn? Vraag ik mij nu dan maar even af, met de foto in mijn hand. Zou het nog ergens aan een muur hangen? Zou er nog wel eens iemand naar kijken? Af en toe? Of is alles voor niets geweest?

Love & marriage

Love & marriage

Links van ons, op een aangenaam beschaduwd terras in de reddeloos en redeloos aan de hitte overgeleverde stad, zat een jong gezin. Papa, mama, kleuter, baby. Mama zat aan de ene kant van de tafel, met slechts de wereld, haar gezin, haar kleuter en haar baby buitensluitende aandacht voor wat haar telefoon te bieden had. In een pittig tempo scrolde ze ritmisch door BigTech mag weten wat allemaal. Aan de andere kant van de tafel zat papa, de blik strak en onheilspellend op het niets gefixeerd. Links van hem de kleuter, die volslagen gehypnotiseerd, bewegingsloos op haar te lage stoel, net over de tafelrand, met starre blik een filmpje op papa’s telefoon zat te kijken. Papa’s telefoon was daartoe tegen de menukaarthouder aan gezet, op veilige afstand. Rechts van papa de beige kinderwagen met de slapende baby. De baby moest het nog doen met iets beiges knuffeligs dat boven haar in de kap hing. Papa zat met verbeten slokjes een groot glas bier weg te werken. Met zijn gegelde haar en zijn pilotenzonnebril deed hij sterk denken aan Tim Robbins’ motoragent in het onvolprezen Short Cuts. De tandenstoker ontbrak. Er smeulde iets. Er werd iets onderdrukt. Wanneer de baby een geluidje liet horen, een klein beweginkje maakte, wiegde hij geïrriteerd wat met de kinderwagen, die zijn kant op gekeerd stond, het was zijn beurt vanmiddag, tot het gevaar godzijdank geweken leek. Met afgemeten gebaren, zonder iets te zeggen, nog vóór er iets gevraagd was, startte hij een nieuw filmpje voor de kleuter, op zijn telefoon. En hervatte zo snel mogelijk het inhouden van zijn woede.

Een weinig hoopvol tafereel

Een weinig hoopvol tafereel

Na een uitgebreid bezoek aan het museum streken wij neer op een lommerrijk beschaduwd terras in de oververhitte stad, onze jongste zoon, mijn vrouw en ik. Ondanks het links maar vooral rechts wel eens gehoorde geweeklaag over hoe slecht het wel niet gaat met ons land zaten de terrassen bomvol, op een doordeweekse middag, en waren het bier, de witte wijntjes en de bitterballen niet aan te slepen. Zelf zaten we ook aan het bier, inderdaad, zeker, niets menselijks is ons vreemd, al hadden we geen bitterballen. We keuvelden wat over de tentoonstellingen die we net gezien hadden, de warmte, de wereld, vroeger, de verdere plannen voor de vakantie en nog zo het één en ander.
Eén tafeltje verder zaten een man en een vrouw met een meisje van een jaar of acht, negen. Zo op het oog dus een jong gezin op een uitje, al klopten de onderlinge leeftijden niet helemaal. De vrouw leek te oud voor de man, de man leek te jong voor het kind, maar je weet niet hoe zulke dingen zitten. Wat het in elk geval wel tot een modern jong gezin maakte, was dat ze alle drie zeer verdiept waren in hun eigen scherm. De man verveeld onderuitgezakt scrollend in zijn stoel, zijn telefoon rechtop op zijn buik; de vrouw, gedurig opgaand in de zoetgeurende dampen van haar vape, diep voorovergebogen over haar telefoon die plat op tafel lag; het meisje gehypnotiseerd weggedoken achter opgetrokken knieën in haar stoel met een groot uitgevallen tablet tegen haar benen geleund en een enorme koptelefoon over haar oren. Het was alles bij elkaar een treurigmakend, weinig hoopvol tafereel.
Is dit een scherpe, opvallend goede en originele observatie?
Nee, natuurlijk niet. Dat is juist het erge.

Een onverwachte wending

Een onverwachte wending

We waren nog niet binnen, we hadden onze tassen nog niet in een kluisje geborgen, de stickertjes nog niet zichtbaar op onze kleding geplakt of een meneer met een naambadge, een kunstzinnige, vierkante bril en lang, grijs haar stoof op ons af met de vraag of wij aan de waterceremonie mee wilden doen. Dat kon nog net, vertelde hij erbij, we waren nét op tijd. Van enthousiasme wapperde zijn lange haar, dat zich voornamelijk aan de zij- en achterkant van zijn hoofd bevond.
Met onze jongste zoon, die ons een dagje bezocht op het vakantieadres, waren wij in het Van Abbemuseum. Voor de kunst. En een waterceremonie.. ja.. klonk dat niet een beetje zweverig? Een beetje vaag mediteerderig? Een beetje modern ibiza-zen-spiritueel? Aarzelend keken we elkaar eens aan, elkaars gedachten hierover peilend zonder de enthousiaste meneer te laten merken dat we daar nou misschien niet per se op zaten te wachten, op een waterceremonie.
Maar de meneer was al een stap verder en liep druk gebarend voor ons uit dat hij ons erheen zou brengen en dat we dan ter plekke konden besluiten te ja ofte nee. Gehoorzaam volgden wij hem naar een zaaltje waar de waterceremonie plaats zou vinden. Met enig aplomb dirigeerde hij ons naar binnen. De mevrouw die de ceremonie leidde was al begonnen met haar inleiding. Een klein maar zeer divers samengesteld groepje belangstellenden stond afwachtend om een lage, ronde tafel. Ieder had een diepe, witte schaal voor zich staan, twee glaasjes water en een schoteltje met een penseel en drie kleine blokjes verf. Waterverf. Rood, geel en blauw. The usual suspects. In het midden van de tafel stond een vaas met witte bloemen. Er waren nog vier schalen onbemand.
Er viel een korte stilte.
De enthousiaste meneer kondigde ons aan als belangstellenden. De mevrouw die de ceremonie leidde sputterde voorzichtig dat wij geen blauwe stickertjes droegen. Alle leden van het kleine groepje hadden een blauw stickertje op hun kleding. Naast het paarse van het museum. Met een breed wegwerpgebaar bepaalde de enthousiaste meneer dat deze mensen, wij dus, gewoon zonder blauw stickertje mee konden doen.
Tja, toen konden we er natuurlijk niet meer onderuit.
Lichtelijk bedremmeld zochten we ieder een plekje achter een nog onbezette schaal en de mevrouw die de ceremonie leidde begon dan maar opnieuw met haar verhaal.
De bedoeling van dit kunstwerk - want het was een kunstwerk, door de kunstenaar aan het museum geschonken - was dat we met het penseel telkens wat verf in de met water gevulde schaal zouden brengen en dan zouden beleven, ervaren, ondergaan wat er gebeurde. Het was zeker niet de bedoeling, benadrukte de mevrouw, te proberen iets moois te maken. Het ging om het experiment. De ervaring stond voorop. We zouden hier een klein uurtje mee bezig zijn.
Bij die laatste woorden wisselden mijn zoon en ik een korte blik uit. Van verstandhouding. We dachten hetzelfde. Het is moeilijk te zeggen wat. Een klein uur klonk behoorlijk lang.
Hier neemt het verhaal de onverwachte wending uit de titel.
Haakten de eerste twee ceremonianten al na tien minuten verveeld af, bleven er na misschien twintig minuten nog slechts vier over, waaronder dus wij drie, uiteindelijk was ik de laatste die nog geconcentreerd verf in water stond te brengen en stond te ervaren wat er gebeurde. Ik zal niet beweren dat ik mijn schaal tenslotte met tegenzin verliet, achter mijn gezin aan de kunst tegemoet, dat nou ook weer niet, maar blijkbaar zit er toch meer zen in mij dan ik wist.

Feit

Feit

In een dappere poging de ergste warmte voor te zijn waren we vroeg opgestaan om vandaag nou toch maar eens een wandeling te maken. We zijn verdorie al vier dagen op vakantie en het aangenaam koele huis nog maar nauwelijks uit geweest, je kunt al eens genoeg krijgen van die eeuwige hitte. Dat we er vanochtend pas achter kwamen dat het vandaag weer eens de warmste dag van de week zou zijn was dom van ons, en digibeet, maar veranderde de plannen niet echt. Je kunt ook al eens genoeg krijgen van al teveel in huis rondlummelen, aangenaam koel of niet. Het werd alleen een wat korter wandelingetje. Een proefrondje. In de hoop dat het verderop in de vakantie wat minder warm zou worden, voor het echte werk.
We zochten een rondje uit waarbij we zoveel mogelijk onder de bomen konden blijven. Het bos om ons heen zuchtte duidelijk zichtbaar onder de droogte. Lijsterbes en sporkehout hingen er sowieso moedeloos en uitgedroogd bij, ook andere bomen lieten de boel wat slapjes hangen, veel bermen waren bruin en dood. Niettemin zagen we her en der de bekende achteloos weggegooide sigarettenfilters en peuken liggen.
Tja. Je zou je er natuurlijk aan kunnen ergeren, je zou je er zelfs kwaad over kunnen maken, helpen doet het niet. En het verpest je toch al warme wandelingetje. De domme desinteresse is hoogstwaarschijnlijk onuitroeibaar.
's Middags lazen we dat de eerste grote natuurbrand in Nederland inmiddels ook een feit is geworden.

Enfin

Enfin

Zoals ieder jaar bezoeken wij op het vaste vakantieadres de kringloopwinkel. En zoals altijd, of in elk geval toch meestal, duik ik dan als eerste de boekenhoek in. Zeker op vakantie kun je niet genoeg boeken hebben. Op het vaste vakantieadres staan de boeken in de kringloopwinkel bovendien alfabetisch gesorteerd, iets dat niet altijd en overal het geval is, wat het plezier dan behoorlijk kan vergallen. Maar hier dus niet. Hier kon ik op mijn gemak mijn favoriete letters af. De B, de S, de V en daarna de rest.
Wat mij bij mijn ongerichte zoektochten vaak opvalt is dat sommige schrijvers in bijna alle kringloopwinkels oververtegenwoordigd zijn. Isabel Allende bijvoorbeeld. Ook hier is weer haar volledige oeuvre voor een habbekrats in tweevoud te verkrijgen. Maar ook Nederlandse grootheden als Kluun, Giphart, Grunberg of de vreselijke Youp van t Hek nemen zelfvoldaan hun ruimte in. Ik vraag me dan altijd af of dat betekent dat dit de betere schrijvers zijn, waar zoveel boeken van gekocht worden en in omloop zijn, of juist het lagere echelon, dat blijkbaar niemand voor herlezing in de boekenkast wil houden. Hoe het ook zij, ik vind nooit iets van mezelf, bij de V.
Enfin.
Achter mij hoor ik dan een rokerige vrouwenstem verkondigen dat ze ‘dit een heel mooi boek vindt’. Het is vrij goed te verstaan maar ik ga er veiligheidshalve vanuit dat ze het niet tegen mij heeft. Of ze het tegen iemand anders heeft kan ik ook niet uitmaken omdat het zich achter mijn rug afspeelt. Ik sta bij de C. De vrouw herhaalt nog maar eens dat ze dit echt een heel mooi boek vindt. Echt heel mooi. Dat dit het enige boek is dat ze opnieuw wil lezen. Het enige. Zo mooi. Inmiddels heeft ze de boekenkast gerond en staat ze tegenover me, aan de andere kant van de kast. Tussen de boekenplanken door kan ik haar zien. Het zal aan mij liggen maar ze maakt op mij niet meteen de indruk van een lezer, hoewel ze dus, net als ik, de planken afspeurt. Nogmaals, het zal aan mij liggen.
Goed, ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vraag haar, tussen de planken door, welk boek nou zo’n indruk op haar heeft gemaakt. Ik zal niet ontkennen dat ik bepaalde verwachtingen heb die ik niet direct concreet kan maken maar die ik wel graag bevestigd zou zien.
400 brieven van mijn moeder, houdt de vrouw meteen het boek omhoog en improviseert ter plekke welwillend een samenvatting van het boek, dat gaat over een in Nederland geboren Marokkaanse jongen die buiten zijn schuld in een Marokkaanse gevangenis belandt en zich tijdens zijn hardvochtig verblijf op de been weet gehouden met de 400 brieven die hij van zijn moeder ontvangt. Niet wat ik verwacht had. Zeker niet. Ik had het boek zojuist zien liggen maar pas nu was mijn belangstelling gewekt. Zei ik ook tegen de mevrouw. Te laat, reageerde zij tevreden, want zij nam het mee naar huis. Ik hield het noodgedwongen bij een bundeltje van Martin Bril.
Enfin, het is vakantie.