Goeie koffie!

Goeie koffie!

De bel gaat. Het is vroeg in de ochtend. Ik sta me net boven in mijn klusbroek te hijsen, voor een nieuwe arbeidzame dag, dus erg handig komt het niet uit, maar goed. Haastig mijn broek optrekkend en mijn gulp dichtknopend hots en bots ik op sokken de trap af om de deur open te doen voor, ja, jezus, hoogstwaarschijnlijk Jehova’s Getuigen natuurlijk, maar dat bedenk ik dan weer net te laat want nu is de deur al open.

De mevrouw die kennelijk had aangebeld was al halverwege het tuinpad weer af, maar nu ze de deur open hoort gaan keert ze schielijk terug. Het is een al wat oudere mevrouw. Nogal klein van stuk. Een indruk die nog eens versterkt wordt doordat ze zo’n twintig centimeter lager staat dan ik, op het tuinpad. Ik toren boven haar uit, in mijn voordeur, op mijn stoepje. Ze draagt een gewatteerde winterjas, een diep over haar oren getrokken grof gebreide wollen muts en een bril met zelfkleurende glazen. Vooral dat laatste geeft haar een in mijn ogen wat louche uitstraling.

Ze rommelt wat in haar tasje, zo’n oranje nylon tasje dat je heel klein kunt opvouwen zodat je altijd een tasje bij je kunt hebben, in je tas, en zonder verdere inleiding of zelfs maar begroeting vraagt ze of ik een pak koffie wil kopen. Ik zeg vragen, maar ik hoor niet echt een vraagteken. Ter illustratie houdt ze ook een pondspak koffie omhoog dat ze met enige moeite uit haar tasje tevoorschijn heeft geworsteld, maar uitnodigend zou ik dat gebaar niet willen noemen. Het is Douwe Egberts, verklaart ze nog, op een toon alsof er nu toch echt geen ontkomen meer aan is. Alsof ik nu wel gek zou zijn dit schitterend aanbod af te wijzen. Douwe Egberts! Stel je voor! Goeie koffie, dringt ze verder aan en steekt het pak nog maar eens wat hoger. De opbrengst, komt er dan terloops toch iets van een verklaring, is voor álle sportverenigingen van de stad. Ik kijk even naar haar jas, of ik iets van een button of een badge of een logo gemist heb, of zo’n keycord met een id-kaart eraan, maar nee. Ook het oranje tasje levert geen verder aanknopingspunt. Het is blijkbaar een particulier initiatief.

Normaalgesproken ben ik met een natte vinger en een lieve glimlach al te lijmen om weer eens donateur van iets liefdadigs en goedbedoelends te worden, maar hier heb ik al meteen helemaal geen zin in. Dat ik eigenlijk net koffie heb gekocht, pareer ik dus de aanval, zo gedecideerd mogelijk. Maar zo gemakkelijk kom ik niet van haar af. Dat had ik gedacht. Dat een extra pak koffie geen kwaad kan, klinkt het bijna verontwaardigd over zo’n slap excuus. Douwe Egberts!, benadrukt ze nog maar eens. Goeie koffie! En dat ze ervan af wil want ze is bijna door haar voorraad heen en ze heeft het wel gehad, ze wil naar huis. Ronduit chagrijnig klinkt het nu. Verwijtend. Ik ben een heel vervelende, lastige klant, dat mag ik gerust weten. Zestien euro, noemt ze dan haar prijs, zestien euro, dat is goedkoper dan in de winkel. Zestien euro?!, roep ik verbaasd, voor een pak koffie?! Het schalt over straat. Ja, nee, schampert de mevrouw over zoveel onbegrip, zestien euro, dat is natuurlijk voor twee pakken, en ze staat alweer in haar tasje te graaien, waar zo te zien inderdaad nog een pak in zit. Ze heeft namelijk nog maar twee pakken en als ik die nou koop, is zij er van af en kan ze naar huis. Het is duidelijk dat haar geduld op begint te raken.

Het mijne zit ook op het randje, maar in plaats van een hardvochtig en duidelijk ‘nee’ kies ik als doorgewinterd conflictvermijder toch weer voor een beleefde uitvlucht. Dat ik helaas geen contant geld in huis heb. Ik weet bijna zeker dat de mevrouw geen pinautomaat bij zich heeft, of een andere digitale oplossing, dus ik ga er vanuit dat het nu klaar is. Maar de mevrouw weet kennelijk heus wel dat ik op aandringen van de overheid een envelopje met bankbiljetten in de keukenla heb liggen en duldt verder geen tegenspraak meer. Nogmaals, ze heeft het gehad en wil naar huis. Dat ze kan wisselen, klinkt het nors. Ik ben door mijn tekst heen. Er valt een korte stilte waarin ik koortsachtig probeer te begrijpen wat hier gebeurt. Dan haalt de mevrouw haar schouders op en stopt het pak koffie terug in haar tasje. Dan houdt het op, concludeert ze bars. Dan moet ik het zelf maar weten. Mokkend loopt ze het tuinpad af.

Very Contemporary

Very Contemporary

We waren in Middelburg, mijn vrouw en ik, voor een wat het weer betreft niet ideaal gepland weekendje weg. Hadden wij ons allicht verheugd op wandelingen over het strand, en door het Zeeuwse landschap, romantisch beschenen door een voorzichtig proberend eerste lentezonnetje, in werkelijkheid was het gewoon nog uitgebreid februari, waaide het ongenadig hard, was het snijdend koud en leek regen nooit ver weg. Vandaar Middelburg. Overdekte activiteiten. Ook niks mis mee.

Zo kwamen we bijvoorbeeld terecht in boekwinkel de Drukkerij, waar het warm en gezellig was. Waar het gonsde van de mensen op zoek naar een boek, waar de horeca het nauwelijks bij kon benen en waar op beschaafd volume live muziek werd gebracht door twee keurige jongemannen. Na ieder nummer klonk een nauwelijks hoorbaar applaus. De elpee, werd nog beleefd vermeld, was straks in de winkel verkrijgbaar.

Op ons gemak dwaalden wij langs de schijnbaar oneindige hoeveelheid boekenkasten, die als open cirkels over de ruimte waren uitgestrooid en zo een doolhof vormden van beschutte kamertjes die zeer tot genoeglijk neuzen en bladeren uitnodigden. We wisten onze hebzucht tot vier titels te beperken, waaronder Welkom bij de club, het debuut van Thomas van der Meer, vanwege zijn liefdevolle en fijnzinnige manier van schrijven mijn favoriete columnist in het Volkskrant Magazine. Eenmaal weer buiten bevond zich schuin aan de overkant van het plein de Vleeshal. Expositieruimte voor hedendaagse kunst. Wij zijn kunstminnende mensen en met de museumkaart in de hand, besloten wij, konden wij ons er sowieso geen buil aan vallen.

We werden ontvangen door twee vriendelijke medewerkers met een grote, witte V op hun t-shirt, die ons na het inchecken op het hart drukten vooral voorzichtig te zijn bij het kunstwerk dat in het midden stond opgesteld, omdat daar gebruik was gemaakt van glas. Wij beloofden voorzichtig te zijn, namen de bijbehorende beschrijving in ontvangst en betraden de expositie.

Nou, ik zal het maar meteen eerlijk en oneerbiedig zeggen, ik had aan één blik genoeg: dit werd niks. Er stond of hing ook bijna niks trouwens. We liepen binnen in een enorme zaal, een schitterende ruimte, met een hoog, fraai afgewerkt meervoudig gewelfd plafond, zwarte, natuurstenen plavuizen op de vloer, boogvormige nissen in de witte, gemetselde muren, spitsboogramen voor een kerkelijke lichtinval. Een stoere doch serene uitstraling. Nee, aan de ruimte lag het niet, die had beslist beter verdiend. Het was de kunst.

Tegen de verste wand werd op cinemascopeformaat een waarschijnlijk met een telefoon opgenomen filmpje van twee elkaar aantrekkende en afstotende handen afgespeeld, waarvan wij dachten dat het misschien nog wel leuk voor Sesamstraat was geweest, als er maar van die oogbollen op de vingers hadden gezeten. Vanwege het formaat leek dit even het enige geëxposeerde te zijn, maar links stonden wat verloren in de ruimte ook nog vier tv toestellen, met ieder een stoel ervoor, waarop je onder meer kon kijken naar een filmpje van iemand die tergend langzaam zijn of haar gulp opendeed waarachter dan een lichtgevend oog bleek te zitten, of zoiets. Rechts stond een diaprojector met een eeuwigdurende carrousel vol dia’s van tamelijk fletse tekeningen met veel nondescripte rode vlekken die zo klein werden geprojecteerd dat je ze feitelijk niet goed kon zien, wat dus misschien maar beter was.

In het midden van de ruimte dan het aangekondigde kunstwerk met glas. Een ruim tien meter lang spoor van in de vloertegels gegraveerde Duitse teksten, met aan weerszijden van iedere teksttegel een grijze straatklinker waarop dan inderdaad glas lag, dat de tekst als het ware op struikelhoogte overkapte. Het was niet zomaar een ruitje, nee, voor iedere teksttegel was een glasplaatje van naar schatting veertig bij veertig centimeter op een andere manier in verschillende stukken gesneden en neergelegd of gestapeld.

Het was precies het soort pretentieuze kunst waar ik vreselijke jeuk van in mijn nek krijg. Even bladeren in de beschrijving bevestigde mijn vermoeden: ellenlange abracadablabla verhalen met veel interessante nietszeggende termen en moeilijke, holle woorden. Geef mijn portie maar aan Fikkie, dacht ik. Maar dat had ik gedacht. Want toen ik mij omdraaide om te vertrekken stond daar de meneer met de V op zijn t-shirt. Ik schrok ervan en deinsde onwillekeurig wat achteruit. Pas op, zei mijn vrouw, en trok me aan mijn arm wat opzij, weg van de glasplaatjes. Thank you, zei de meneer met de V, met een minzaam knikje. Waarna hij uitlegde dat het een poem was, deze teksten in de vloer, een poem dat je tegel voor tegel kon lezen. En dat de tekst de meaning droeg, en de stukgesneden glasplaatjes de emotion representeerden. Bij het woord emotion hield hij zijn hoofd wat schuin en legde hij beide handen over elkaar op zijn hart. En mocht ons Duits misschien niet toereikend zijn, voorzag hij een mogelijke tegenwerping, er was een Nederlandse vertaling beschikbaar. Daar drukte hij mij die al in de hand. Thank you, zei ik, met een naar ik hoopte minzaam knikje. Verwachtingsvol bleef de meneer met de V echter staan. Waardoor mij, goed opgevoed als ik ben, geen andere mogelijkheid bleef dan de gang langs het gedicht alsnog te maken. Voorzichtig dat ik geen glasplaatjes stuk zou maken. Al was die behoefte er wel.

Iets belangrijks

Iets belangrijks

Mijn kleinzoon, zeven jaar oud inmiddels, ging op voor zijn zwemdiploma A. En opa was uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Dat hoefde geen tweede keer gevraagd te worden want daar ben je opa voor, voor dat soort dingen. Je hoeft niet eerst twee jaar lang elke week naar het zwembad te fietsen, door weer en wind en hittegolf, om daar een uur lang in een oververhitte, overbevolkte galmbak je ziel in zaligheid te zitten bezitten, nee, je bent er alleen op het feestelijk moment suprême. Wanneer het feitelijk niet meer fout kan gaan. En dat ging het dan ook niet. Alle onderdelen werden in een straf tempo volgens de regels afgewerkt en uitgevoerd, er werd uitbundig gezwaaid, er werden foto’s en filmpjes gemaakt voor oma, die er niet bij kon zijn, en alles was nog ongeveer precies zoals ik het mij herinnerde van mijn eigen kinderen. Zoals ik het mij nog meende te herinneren van mijn eigen afzwemmen zelfs, vele, vele jaren geleden. De spanning, het bibberen, de galm van de badjuf. De enorme hoeveelheid koud, blauw water. De vertederende aanblik van al die bibberende kinderlijfjes, de ingespannen gezichtsuitdrukkingen, de toegewijde concentratie, de zoekende blik over de tribune van waar zitten ze en zien ze me wel. En natuurlijk het gezamenlijk aftellen van tien naar één bij het laatste onderdeel, het watertrappelen. Het juichen tot slot, dat iedereen het gehaald had. Ja, dat was mooi. Toen alles eenmaal achter de rug was, de kinderen allemaal weer afgedroogd en aangekleed, werd er verzameld in de hal voor de officiële diplomauitreiking. De kinderschaar zittend op de grond, in gespannen afwachting, in een wijde kring om de badjuffen van dienst, en daaromheen een dichte schare van vaders, moeders, opa’s en oma’s, broertjes en zusjes en andere belangstellenden, de meesten met de telefoon in de aanslag. Eén voor één werden de kinderen naar voren geroepen om hun diploma in ontvangst te nemen. Voor ieder kind klonk een applaus, ieder kind liep met een brede, trotse lach en blije, glimmende ogen naar het eigen publiek. Dat onmiddellijk de jassen aantrok, de tassen bij elkaar pakte en zich door de dichte schare belangstellenden naar achteren werkte, op weg naar de uitgang, de parkeerplaats, de gezinsauto. De schare belangstellenden werd gestadig minder dicht, het applaus werd allengs dunner en voor de laatste paar kinderen was alleen een karig restje publiek overgebleven. Wat maakt het uit, kun je zeggen. Zwemdiploma A, waar hebben we het over. Kun je zeggen. Maar ik denk dat het misschien wel iets belangrijks zegt. Iets waar we over na zouden moeten denken.

Alarm

Alarm

Op ons gemak dwaalden wij keuvelend en wel door de zalen van het Stedelijk Museum Alkmaar. Dat is altijd een fijne tijdsbesteding, dwalen door museumzalen. Zeker op een doordeweekse dag. Ook als er geen blockbusters hangen. Juist als er geen blockbusters hangen, beter gezegd. En die hingen er niet, in Alkmaar. Het was heerlijk rustig. In het kleinste zaaltje boven hingen schilderijen van Emo Verkerk, die we minstens een half uur geheel en al voor onszelf hadden. Er was de vaste verzameling Bergense School, die we deze keer maar eens oversloegen, dat wisten we nou wel eens een keer. We werden verrast door de eigenzinnige tekeningen van Marc Ruygrok en dompelden ons ten slotte onder in het in zwart wit gefotografeerde Alkmaar van vroeger, vergeefs op zoek naar een glimp van bakkerij Van Daalhoff, met wiens verre nazaat mijn gezelschap familiebanden onderhoudt. Het was de enige tentoonstelling waar het iets drukker was, nostalgie doet het altijd goed. Zo af en toe werd de algemene rust echter kort maar vrij hysterisch verstoord door een gillend alarm. In één van de andere zalen hing iets van een zwaard, of een sabel, of iets anders langwerpigs van grote archeologische waarde en dat werd beschermd met een alarm. Zodra iemand iets te ver naar voren boog om de details in zich op te nemen, gilde het door heel het museum. Dat hielp blijkbaar niet want het gebeurde met enige regelmaat. Nou goed. Het opvallendste daaraan, daarom vertel ik dit, was dat dit alarm, dit hysterisch gegil, vrij letterlijk het intro was van Crazy Horses, van The Osmond Brothers, uit 1972. Zo letterlijk, in mijn oren in elk geval, dat ik meteen de eerste keer dat ik het hoorde volkomen automatisch en precies op de tel met de bijbehorende bolle stem inviel met de juiste tekst: crazy horses. Waarna, om het kloppend te krijgen, het alarm weer had moeten klinken, wat natuurlijk niet gebeurde. Jammer eigenlijk. Jammer ook dat ik de enige was met deze Pavlov-achtige reactie. Het was toch leuk geweest wanneer na iedere gil van het alarm uit alle hoeken en zalen van het museum veelstemmig het crazy horses had geklonken. Bij wijze van flashmob of performance of zoiets. Overigens ben ik nooit fan geweest van The Osmond Brothers. Dat kwam vooral ook omdat alle meisjes er zo vurig mee weg liepen, in mijn jongensjaren, in plaats van met mij. Want oh oh oh wat waren dat toch een knappe jongens en oh oh oh wat konden ze toch goed dansen. Ik kon ze niet uitstaan. Tja. Niettemin loop ik nu dus wel alweer een paar dagen met Crazy Horses in mijn hoofd. Inclusief hysterisch gillend orgeltje, waarvan ik hier, ter afsluiting, graag een transcriptie had genoteerd, maar ik zou niet weten hoe. Het is niet anders.

Boomst

enter image description here

Er moest iets met een account. Een account dat ik nog niet had. Dat ik ook helemaal niet wilde hebben, maar dat ik nodig had om iets te regelen en dat kon alleen met een account. Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Toen ik het account met lange tanden had aangemaakt, en ik was ingelogd, met mijn zojuist verzonnen persoonlijk wachtwoord van minimaal acht tekens waarvan in elk geval twee cijfers, een kapitaal en één bijzonder teken, moesten er gegevens worden ingevoerd, voorkeuren aangegeven, hokjes aangevinkt, vragen beantwoord, doopcelen gelicht en moesten er documenten alsmede een naar waarheid ingevuld en ondertekend formulier worden geüpload. Na het mopperend maar succesvol doorlopen van al deze stappen lukte het mij nog altijd niet te regelen wat ik te regelen had. Radeloos klikte ik in het rond op de site, van het ene venster naar het andere menu maar wat ik ook probeerde, wat ik zocht was niet te vinden, wat ik vond niet wat ik zocht. Wat ik wilde regelen viel nergens te regelen. Vandaar dat ik besloot de klantenservice er maar eens bij te halen. Telefonisch. Op hoop van zegen. Ik had mij voorbereid op een doolhof van keuzemenu’s vol ontmoedigende boodschappen, afwerende afleidingsmanoeuvres en hersendodende ai muzak, maar dat viel mee. Vrijwel onmiddellijk had ik een vriendelijke mevrouw aan de lijn die vroeg wat ze voor me kon doen. Ik legde haar mijn probleem voor, verontschuldigde mij voor het feit dat ik blijkbaar een boomer was dat het mij digitaal niet lukte, en in plaats van mij door te verbinden naar een collega van een andere afdeling aan wie het ik hele verhaal dan opnieuw uit de doeken zou moeten doen, bood zij aan de stappen samen met mij te doorlopen om te zien of het dan wel lukte, hoewel zij, naar eigen zeggen, ook zeker een boomer was. We waren allebei blij dat we elkaar aan de lijn hadden, als mensen van vlees en bloed onder elkaar. Om te beginnen, stelde de mevrouw voor, moest ik uitloggen van mijn account en opnieuw inloggen, zodat we samen vanaf het begin konden beginnen. Ik deed wat me gevraagd werd, logde uit en weer in, mij alweer verontschuldigend dat het zo langzaam ging omdat ik immers met maar één hand mijn gebruikersnaam en wachtwoord in moest voeren, wat vooral bij de kapitaal en het bijzondere teken lastig uitpakte, maar de mevrouw was één en al begrip. Nu zou ik, legde ze uit, ter controle een sms code krijgen opgestuurd die ik dan in het inmiddels verschenen controlevenster moest invullen. Dat ik dan wel even mijn telefoon erbij moest pakken, antwoordde ik en reikte naar de plek waar die normaalgesproken ligt, naast de laptop. Waar hij nu niet lag. Ik keek achter me in de kast waar hij ook vaak ligt, maar nee. Lag hij dan nog in de keuken op het aanrecht? Op het bijzettafeltje bij de bank? Boven op mijn bureau? Op de wc? Op het nachtkastje bij het bed? Steeds paniekeriger rende ik door het huis, op zoek naar mijn telefoon, mij ten derde male verontschuldigend voor alle tijd die ik op deze manier in beslag nam. Voor mijn gevoel duurde het een half uur, drie kwartier voor de vreselijke waarheid tot mij doordrong: ik had mijn telefoon in mijn hand. Aan mijn oor. Ik liep er zenuwachtig in te piepen dat ik mijn telefoon niet kon vinden, dat ik er niks van snapte sorrysorrysorry en dat ik misschien beter straks even terug kon bellen. De mevrouw kon er hartelijk om lachen toen ik haar schutterig bekende hoe de vork in de steel zat, ze vond het helemaal niet erg. Ze vond het zelfs, voegde ze er aan toe, wel leuk te kunnen opmerken dat ik toch wel echt een stuk erger een boomer was dan zijzelf. Een overwinning die ik haar van harte gunde, want toen ik eenmaal had uitgevonden hoe ik de sms code terug kon vinden op mijn telefoon zonder de verbinding te verbreken, was wat ik te regelen had inderdaad zo geregeld.

Op zolder

Op zolder

Nou is het toch al half december, en nou zit er vanmorgen nog steeds een versufte wesp zielig tegen het dakraam aangekropen. Je zou toch verwachten dat die nu inmiddels allemaal wel eens een keertje dood en verdwenen zouden zijn. Zo hoort het immers te gaan, volgens het boekje. Jonge koninginnen verlaten het nest om te paren, ergens te overwinteren en in het voorjaar opnieuw te beginnen, de rest van het volk sterft uit, verhongert, vreet elkaar op, nest blijft verlaten achter. Wij hadden deze zomer een wespennest op zolder, vandaar. Al drie jaar achtereen hebben wij een wespennest op zolder. Je mag aannemen ieder jaar een ander, want dat lees je ook, in dat boekje, dat ze hetzelfde nest geen tweede keer gebruiken. Maar ja, drie jaar achtereen. Op zolder. Is dat dan toeval? Voor hetzelfde geld, de evolutie staat niet stil, bovendien zijn wespen niet achterlijk, voor hetzelfde geld zijn die zich af gaan vragen wat het eigenlijk voor zin heeft elk jaar weer helemaal van voren af aan opnieuw te beginnen, als hier, op deze fijne, overdekte zolder nog een prima nest hangt? Waar je niks aan hoeft te doen. Waar je zó in kan. Drie jaar achtereen hetzelfde verhaal. Eerst, in het voorjaar, zie je ze alleen nog buiten. Vliegen ze af en aan onder de dakpannen. Dan, ergens naar de zomer toe, hebben ze ook een route binnendoor gevonden en vliegt er een onafgebroken file wespen van het zolderluik naar het dakraam. Nooit de andere kant op trouwens. Zolang het dakraam open staat, is er weinig aan de hand, dan vliegen ze over het algemeen rechtstreeks naar buiten. Is het dakraam gesloten dan kan het zijn dat je bij het opstaan, of bij thuiskomst, een stuk of twintig wespen verwoed tegen het glas op en neer hoort zoemen, op zoek naar de uitgang waarvan ze weten dat die er moet zijn. Waarvan ze weten dat die er gisteren nog was. Wespen zijn niet achterlijk. Nog steeds niks aan de hand, met een lange stok duwen we het dakraam open en na vijf minuten heeft zelfs de onhandigste wesp het luchtruim weer gevonden. Dan, het wordt herfst, begint het grote sterven. De wespen worden steeds trager, vinden de weg naar buiten steeds moeizamer en uiteindelijk vind je ze overal. Op de grond, op het wasrek, op het bureau, in de kast, op de trap, op de vensterbank. Maar vooral op de grond. Dubbelgevouwen, de pootjes devoot tegen de borst, de vleugels nog altijd schuin omhoog. Dood. Dat wil zeggen, meestal dood. Bijna altijd dood. Een enkeling kruipt met een laatste krachtsinspanning nog radeloos rond, dus op blote voeten of op sokken moet je wel even uitkijken dat de allerlaatste krachtsinspanning niet net in jouw voet gezet wordt. Maar verder geen probleem. Wespen zijn een nuttig onderdeel van de biodiversiteit en een waardevolle schakel in het ecosysteem en al die drie jaar is er niemand gestoken hier in huis. Leven en laten leven, is het devies. Het enig nadeel is dat je de zolder niet meer op kunt. Dat zouden de wespen dan toch wel eens als huisvredebreuk op kunnen vatten en daar sta je dan, op je wankele laddertje. Niet dat ik nou dagelijks de zolder op moet, het is maar een kleine zolder en het is niet voor niks een zolder: er staan voornamelijk zaken waarvan wij al jaren geen idee meer hebben dat ze er staan. Maar goed, de afgelopen jaren kwam het er niet van, deze herfst, geloof het of niet, had ik mij dan toch voorgenomen, als onderdeel van een positieve agenda en in het kader van het grote ontspullen, ook de zolder maar eens onder handen te nemen. Maar ja, het is nu half december, en er zit er vanmorgen nog steeds een versufte wesp zielig tegen het dakraam aangekropen.

Uit de doos

enter image description here

Normaalgesproken zou ik niet, nee, zou ik nooit, in een telefoonwinkel terecht zijn gekomen. Van telefoonwinkels heb ik altijd het vage en waarschijnlijk onterechte idee dat er iets niet aan klopt. Ik weet niet waarom. Misschien omdat ik er nog nooit één binnen ben gelopen, dat zou kunnen. Onbekend maakt onbemind. En ik heb niet veel met telefoons. Mijn afkeer van het heilig schermpje, zeker bij andere mensen, wordt steeds groter, dat is het ook. Maar nu stond ik er dan. In een telefoonwinkel. Samen met een vriendin die iets nodig meende te hebben, voor haar telefoon. Er waren geen andere klanten, er hing een serene rust in het winkeltje. Er was alleen de meneer die in ledigheid achter de toonbank stond. Het was, zoals volgens mij in de meeste telefoonwinkels, een meneer uit zuidoostelijker streken, met zachte ogen en een zwarte baard. Aan de muren en in de schappen hingen en lagen allerlei in hard plastic verpakte kostbaarheden waarvan ik niet één twee drie kon zien wat het was, maar het waren geen telefoons. Mijn vriendin zocht een houder, die ze in haar camper ergens aan kon bevestigen, met een knijper of iets, zodat ze televisie of netflix kon kijken zonder de hele tijd haar telefoon vast te hoeven houden. Precies zo’n ding, wees ze, als daar boven de toonbank zat geklemd. Die was van de meneer zelf, glimlachte hij, maar hij zou eens kijken. Hij liep zijn winkel in, keek eens halfslachtig aan een rek maar schudde al snel zijn hoofd. Nee, die had hij niet meer. Maar, wilde hij de beroerdste niet zijn, dan verkocht hij haar de zijne wel. Voor twintig euro, omdat hij al uit de doos was. Nou, dat vond mijn vriendin heel lief, maar wel een beetje duur. Nee, twintig euro wilde ze daar niet voor betalen. Vijftien wel. Misschien werd ze geïnspireerd door het feit dat het een zuidoostelijke meneer was en de aanname dat die wel eens wat afdingen gewend zou kunnen zijn. Maar nee, bleef de meneer vriendelijk glimlachen, twintig euro was de prijs. Eigenlijk vijfentwintig, maar ja, uit de doos. Er viel een korte stilte. Ik was de situatie inmiddels al ongemakkelijk gaan vinden, ik ben niks gewend. Ik houd niet van afdingen, niet van onderhandelen en ik houd niet van nee zeggen. Ik koop m wel voor je, zei ik dus, als kerstcadeautje. Daar wilde mijn vriendin dan ook weer niks van horen, nee zeg, ze kocht m zelf. Zonder verder morren pinde ze twintig euro. De meneer bleef al die tijd vriendelijk glimlachen en wenste ons een fijne dag.

Met pijn in het hart

enter image description here

Bijna vijfentwintig jaar lang hield ik een weblog bij onder de titel Het Bewijs. In de beginjaren was dat het weblog van een huisman, later huisvader, nog later van een man van goede wil. De laatste vijftien jaar deed ik dat bij Blogger. Toch ook wel tot tevredenheid. Maar omdat ik, na het verlaten van facebook en instagram, ook google een beetje wil vermijden, om redenen van wokeheid, verhuis ik nu naar een Nederlandse host. Het zou ondoenlijk zijn alle berichten naar de nieuwe plek te verhuizen. Dat doe ik dan ook niet. Het archief blijft nog een tijdje online, daarna verdwijnt het. Met een beetje pijn in mijn hart. Dat wel. En hier begin ik min of meer opnieuw. Op een nieuwe leest.