Zelfbegoogeling

Zelfbegoogeling

In eerdere berichten, recent en minder recent, vertelde ik al over mijn roemruchte verleden als beeldend kunstenaar. We spreken van ruim dertig jaar geleden, toen ik de academie verliet als gediplomeerd jong aanstormend talent. Van mijn eindexamenexpositie had ik aan deze en gene wat tekeningen verkocht en aan de kunstuitleen een paar schilderijen. Lang heb ik gedacht dat dat er twee waren, tot ik ontdekte dat het er zelfs drie geweest moeten zijn. Hoe die misvatting ooit is ontstaan valt achteraf niet meer te reconstrueren, maar op zekere dag vond ik tijdens het zelfgoogelen niet alleen een schilderij terug waarvan ik niet wist waar het was gebleven - bij de kunstuitleen dus - maar ook trof ik een schilderij van eigen hand waarvan ik zelf het bestaan was vergeten. Samen met het schilderij waarvan mij twee jaar na de verkoop vriendelijk verzocht werd het wegens overtolligheid weer op te komen halen omdat het anders discreet vernietigd zou worden, maakte dat dus drie.
Het schilderij waarvan ik het bestaan vergeten was, bleek bij de kunstuitleen niet alleen te koop en te huur te staan, het was zelfs verhuurd. Voor veertien euro per maand. Ik hoefde niet lang te rekenen om uit te vinden dat wanneer de kunstuitleen het schilderij laten we zeggen dertig jaar voor die prijs verhuurd had, er aanzienlijk meer aan verdiend was dan ik er ooit voor betaald had gekregen. Daar kun je nog wel eens een overtollig geworden schilderijtje gratis voor retourneren. Maar goed, bedacht ik dan maar, dat was nou eenmaal het lot van veel grote kunst, de lachende derde ging er met de poet vandoor.
Niet lang geleden tikte ik op een bloedhete en lusteloze zomeravond dan nog maar weer eens mijn eigen naam in, kwam opnieuw terecht op de site van de kunstuitleen en ontdekte dat het tweede schilderij, het schilderij waarvan ik eerder niet wist waar het gebleven was - bij de kunstuitleen dus - nu óók was verhuurd. De prijzen waren inmiddels met hun tijd meegegaan, momenteel doen beiden zestien euro per maand. Ergens op de wereld zijn er dus twee mensen die een schilderij van mij aan de muur hebben hangen, al is het maar op de gang, al is het maar op het toilet, en daar iedere maand zestien euro voor over hebben.
Jong aanstormend en veelbelovend talent ben ik natuurlijk al dertig jaar niet meer, een gevestigd kunstenaar kun je me ook zeker niet noemen, mijn bliksemcarrière liep vrij snel met een sisser af, maar helemaal onopgemerkt is het dan toch ook niet gebleven.

Vondst (H)

Vondst (H)

Om redenen die later duidelijk zullen worden, plaats ik hieronder een oud bericht van mijn inmiddels verwijderde weblog Het Bewijs. Het is een bericht van 2 juli 2025, maar, zoals dus later zal blijken, opnieuw actueel geworden.

Het was uit pure lamlendigheid, ik zal het eerlijk toegeven. Het land zuchtte onder een hitteplan, van alle kanten werd je toegebeten dat je vooral veel water moest drinken en binnen moest blijven. Rustig aan, geen onnodige inspanningen. Ramen en deuren gesloten. Zeker als je wat ouder was. Nou beschouw ik mezelf nog niet als wat ouder, maar het zit er wel aan te komen natuurlijk, met de grote 65 in zicht. En met onnodige inspanningen kun je sowieso niet voorzichtig genoeg zijn.
Zodoende zat ik binnenshuis mijn tijd aan de laptop te verbeiden, omdat het op de volkstuin inderdaad ongezond niet te harden zou zijn en het schilderen van de buitenboel - of ieder ander klus- of huishoudelijk werk - me nu onder de onnodige inspanningen leek te vallen. En zo kwam het dan, iedereen herkent het, dat ik tegen het eind van de dag, vóór het eten koken, mijn eigen naam nog even intikte in de zoekbalk van Duck Duck Go. Ik schaam me er verder niet voor.
En omdat ik een aantal weblogs bijhoud en ook anderszins wel eens de aandacht zoek, leverde dat een aardig rijtje zoekresultaten op. Waaronder inmiddels zelfs twee overlijdensberichten van mensen met dezelfde naam, maar daar wilde ik het niet over hebben. Waaronder ook een advertentie op een online tweedehands boekwinkeltje waarin mijn inmiddels 25 jaar oude versjesboekje Op Twee Oren in goede staat te koop werd aangeboden, voor € 7,50, exclusief verzendkosten. Maar ook daarover wilde ik het niet hebben.
Wat ik namelijk ook aantrof tussen al die resultaten was mijn verloren gewaande schilderij, waar ik al eens eerder een stukje over schreef. Een schilderij dat ik maakte voor mijn eindexamenexpositie aan de Haagse kunstacademie en dat ik daar, samen met een tweede schilderij, ik was nog jong en veelbelovend, verkocht aan de Haagse kunstuitleen.
Ik schreef in dat stukje dat ik dat tweede schilderij later weer op mocht komen halen omdat het anders vernietigd zou worden, wegens overtolligheid. En daar blijkt dat het geheugen ook maar een gebrekkig en onvolledig archief is, want bij doorklikken op dit resultaat bleek dat er bij de Haagse kunstuitleen, die inmiddels overigens om niet na te volgen redenen Heden/Today blijkt te heten, twéé schilderijen te huur zijn van Jos van Venrooy, want ik voerde nog de y-grec van mijn vader. Een geel en een blauw, om het maar even simpel te houden.
Het gele was het verloren gewaande schilderij, dat dus nog altijd geduldig in de rekken van de kunstuitleen staat te staan. Het blauwe was niet het schilderij dat ik van vernietiging gered had door het braaf weer op te komen halen. Uiteraard. Het was een schilderij waarvan ik het bestaan niet meer wist. Dat ik volledig was vergeten. Zelfs nu ik er de tamelijk slechte foto van op mijn scherm zag staan ging er niet meer dan een klein lampje branden, ergens op de achtergrond, hoewel het wel zeer duidelijk van mij was, dat wel.
En nu komt het, volgens een klein driehoekje rechtsbovenin de tamelijk slechte foto was dit schilderij verhuurd. Veertien euro per maand, betaalde iemand daarvoor. Wie weet hoe lang al. Je kon je er zelfs voor op de wachtlijst laten zetten.
Kijk, dat zijn toch de betere zoekresultaten. Opeens blijk ik toch nog kunstenaar te zijn, zonder dat ik het zelf wist. En mijn verloren gewaande schilderij is weer terecht. Ik overweeg het nu zelf te gaan huren. Voordat iemand anders het doet.

Voor kunstzaak (H)

Voor kunstzaak (H)

Om redenen die later duidelijk zullen worden, plaats ik hieronder een oud bericht van mijn inmiddels verwijderde weblog Het Bewijs. Het is een bericht van 4 februari 2020, maar, zoals dus later zal blijken, opnieuw actueel geworden.

Bij een onbesuisde opruimactie trof ik de foto van een al bijna vergeten schilderij. Een schilderij uit eigen koker nog wel. Ik maakte het op de kunstacademie, vele jaren geleden, voor mijn eindexamenexpositie. Het was één van de twee schilderijen die ik daar verkocht, wat ik destijds als een veelbelovende start van mijn carrière als beeldend kunstenaar beschouwde. Ach ja. Veel verder dan een veelbelovende start is het niet gekomen met die carrière en meer dan twee schilderijen heb ik nooit verkocht. Er heeft er nog wel één een paar weken proefgehangen in het trappenhuis van een verzamelende dame, die wellicht meende daarmee eventueel een aanstormend talent in huis te halen, maar die er uiteindelijk van afzag omdat het doek net iets te klein was om ergens precies tussen te passen en ik het voorstel het opnieuw te schilderen maar dan twintig centimeter groter met gekrenkte kunstenaarstrots van de hand wees. Daarmee bleven de verkoopcijfers voor eeuwig steken op twee.
Of eigenlijk ook weer niet, want één van die twee verkochte schilderijen was aangekocht door de kunstuitleen en daarvan kreeg ik een paar jaar later een brief met de mededeling dat het werk wegens overtolligheid discreet vernietigd zou worden wanneer ik het niet zou komen ophalen, op een bepaalde dag, binnen bepaalde uren. Ik ben mij altijd blijven afvragen hoe je iets discreet kunt vernietigen wanneer je de enige persoon op aarde die er blijkbaar nog om maalt er van tevoren per brief van op de hoogte stelt, maar ik klom op de aangewezen dag op het aangewezen uur wel op de fiets uiteraard, om mijn geesteskind te redden. Een weinig eervolle rit die alleen werd opgefleurd door de aanblik van mijn voormalige schilderdocent aan de academie, die met een groot schilderij onder de arm mismoedig in tegenovergestelde richting fietste. Ik wist waar hij vandaan kwam, hij niet waar ik naar toe ging.
Mijn geredde geesteskind heeft vervolgens nog jaren verkocht en wel in mijn atelier gehangen, en toen ik dat niet meer had nog geruime tijd in mijn huis gestaan, op steeds wisselende plekken, tot ik het uiteindelijk wegens gebrek aan ruimte zelf maar discreet vernietigde, samen met zijn overgeschoten broers en zussen waar de wereld ook niet op had zitten wachten. Behalve dus het schilderij op de foto. Dat ik al bijna vergeten was. Wat zou er van geworden zijn? Vraag ik mij nu dan maar even af, met de foto in mijn hand. Zou het nog ergens aan een muur hangen? Zou er nog wel eens iemand naar kijken? Af en toe? Of is alles voor niets geweest?

Love & marriage

Love & marriage

Links van ons, op een aangenaam beschaduwd terras in de reddeloos en redeloos aan de hitte overgeleverde stad, zat een jong gezin. Papa, mama, kleuter, baby. Mama zat aan de ene kant van de tafel, met slechts de wereld, haar gezin, haar kleuter en haar baby buitensluitende aandacht voor wat haar telefoon te bieden had. In een pittig tempo scrolde ze ritmisch door BigTech mag weten wat allemaal. Aan de andere kant van de tafel zat papa, de blik strak en onheilspellend op het niets gefixeerd. Links van hem de kleuter, die volslagen gehypnotiseerd, bewegingsloos op haar te lage stoel, net over de tafelrand, met starre blik een filmpje op papa’s telefoon zat te kijken. Papa’s telefoon was daartoe tegen de menukaarthouder aan gezet, op veilige afstand. Rechts van papa de beige kinderwagen met de slapende baby. De baby moest het nog doen met iets beiges knuffeligs dat boven haar in de kap hing. Papa zat met verbeten slokjes een groot glas bier weg te werken. Met zijn gegelde haar en zijn pilotenzonnebril deed hij sterk denken aan Tim Robbins’ motoragent in het onvolprezen Short Cuts. De tandenstoker ontbrak. Er smeulde iets. Er werd iets onderdrukt. Wanneer de baby een geluidje liet horen, een klein beweginkje maakte, wiegde hij geïrriteerd wat met de kinderwagen, die zijn kant op gekeerd stond, het was zijn beurt vanmiddag, tot het gevaar godzijdank geweken leek. Met afgemeten gebaren, zonder iets te zeggen, nog vóór er iets gevraagd was, startte hij een nieuw filmpje voor de kleuter, op zijn telefoon. En hervatte zo snel mogelijk het inhouden van zijn woede.

Ding

Ding

Je komt het tegen op je pad. Ik in elk geval wel. Ik ben er ook op gaan letten natuurlijk, in de loop der jaren. Het is geen kunst, maar het zou het net zo goed wel kunnen zijn. Het ligt er maar net aan hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. Ik mag er graag naar kijken. Ik verzamel het zelfs.
Op een camping in Gent kwam ik deze installatie tegen, die mij onmiddellijk een lied van de late great Jeroen van Merwijk in herinnering bracht.

Een weinig hoopvol tafereel

Een weinig hoopvol tafereel

Na een uitgebreid bezoek aan het museum streken wij neer op een lommerrijk beschaduwd terras in de oververhitte stad, onze jongste zoon, mijn vrouw en ik. Ondanks het links maar vooral rechts wel eens gehoorde geweeklaag over hoe slecht het wel niet gaat met ons land zaten de terrassen bomvol, op een doordeweekse middag, en waren het bier, de witte wijntjes en de bitterballen niet aan te slepen. Zelf zaten we ook aan het bier, inderdaad, zeker, niets menselijks is ons vreemd, al hadden we geen bitterballen. We keuvelden wat over de tentoonstellingen die we net gezien hadden, de warmte, de wereld, vroeger, de verdere plannen voor de vakantie en nog zo het één en ander.
Eén tafeltje verder zaten een man en een vrouw met een meisje van een jaar of acht, negen. Zo op het oog dus een jong gezin op een uitje, al klopten de onderlinge leeftijden niet helemaal. De vrouw leek te oud voor de man, de man leek te jong voor het kind, maar je weet niet hoe zulke dingen zitten. Wat het in elk geval wel tot een modern jong gezin maakte, was dat ze alle drie zeer verdiept waren in hun eigen scherm. De man verveeld onderuitgezakt scrollend in zijn stoel, zijn telefoon rechtop op zijn buik; de vrouw, gedurig opgaand in de zoetgeurende dampen van haar vape, diep voorovergebogen over haar telefoon die plat op tafel lag; het meisje gehypnotiseerd weggedoken achter opgetrokken knieën in haar stoel met een groot uitgevallen tablet tegen haar benen geleund en een enorme koptelefoon over haar oren. Het was alles bij elkaar een treurigmakend, weinig hoopvol tafereel.
Is dit een scherpe, opvallend goede en originele observatie?
Nee, natuurlijk niet. Dat is juist het erge.

Een onverwachte wending

Een onverwachte wending

We waren nog niet binnen, we hadden onze tassen nog niet in een kluisje geborgen, de stickertjes nog niet zichtbaar op onze kleding geplakt of een meneer met een naambadge, een kunstzinnige, vierkante bril en lang, grijs haar stoof op ons af met de vraag of wij aan de waterceremonie mee wilden doen. Dat kon nog net, vertelde hij erbij, we waren nét op tijd. Van enthousiasme wapperde zijn lange haar, dat zich voornamelijk aan de zij- en achterkant van zijn hoofd bevond.
Met onze jongste zoon, die ons een dagje bezocht op het vakantieadres, waren wij in het Van Abbemuseum. Voor de kunst. En een waterceremonie.. ja.. klonk dat niet een beetje zweverig? Een beetje vaag mediteerderig? Een beetje modern ibiza-zen-spiritueel? Aarzelend keken we elkaar eens aan, elkaars gedachten hierover peilend zonder de enthousiaste meneer te laten merken dat we daar nou misschien niet per se op zaten te wachten, op een waterceremonie.
Maar de meneer was al een stap verder en liep druk gebarend voor ons uit dat hij ons erheen zou brengen en dat we dan ter plekke konden besluiten te ja ofte nee. Gehoorzaam volgden wij hem naar een zaaltje waar de waterceremonie plaats zou vinden. Met enig aplomb dirigeerde hij ons naar binnen. De mevrouw die de ceremonie leidde was al begonnen met haar inleiding. Een klein maar zeer divers samengesteld groepje belangstellenden stond afwachtend om een lage, ronde tafel. Ieder had een diepe, witte schaal voor zich staan, twee glaasjes water en een schoteltje met een penseel en drie kleine blokjes verf. Waterverf. Rood, geel en blauw. The usual suspects. In het midden van de tafel stond een vaas met witte bloemen. Er waren nog vier schalen onbemand.
Er viel een korte stilte.
De enthousiaste meneer kondigde ons aan als belangstellenden. De mevrouw die de ceremonie leidde sputterde voorzichtig dat wij geen blauwe stickertjes droegen. Alle leden van het kleine groepje hadden een blauw stickertje op hun kleding. Naast het paarse van het museum. Met een breed wegwerpgebaar bepaalde de enthousiaste meneer dat deze mensen, wij dus, gewoon zonder blauw stickertje mee konden doen.
Tja, toen konden we er natuurlijk niet meer onderuit.
Lichtelijk bedremmeld zochten we ieder een plekje achter een nog onbezette schaal en de mevrouw die de ceremonie leidde begon dan maar opnieuw met haar verhaal.
De bedoeling van dit kunstwerk - want het was een kunstwerk, door de kunstenaar aan het museum geschonken - was dat we met het penseel telkens wat verf in de met water gevulde schaal zouden brengen en dan zouden beleven, ervaren, ondergaan wat er gebeurde. Het was zeker niet de bedoeling, benadrukte de mevrouw, te proberen iets moois te maken. Het ging om het experiment. De ervaring stond voorop. We zouden hier een klein uurtje mee bezig zijn.
Bij die laatste woorden wisselden mijn zoon en ik een korte blik uit. Van verstandhouding. We dachten hetzelfde. Het is moeilijk te zeggen wat. Een klein uur klonk behoorlijk lang.
Hier neemt het verhaal de onverwachte wending uit de titel.
Haakten de eerste twee ceremonianten al na tien minuten verveeld af, bleven er na misschien twintig minuten nog slechts vier over, waaronder dus wij drie, uiteindelijk was ik de laatste die nog geconcentreerd verf in water stond te brengen en stond te ervaren wat er gebeurde. Ik zal niet beweren dat ik mijn schaal tenslotte met tegenzin verliet, achter mijn gezin aan de kunst tegemoet, dat nou ook weer niet, maar blijkbaar zit er toch meer zen in mij dan ik wist.

Feit

Feit

In een dappere poging de ergste warmte voor te zijn waren we vroeg opgestaan om vandaag nou toch maar eens een wandeling te maken. We zijn verdorie al vier dagen op vakantie en het aangenaam koele huis nog maar nauwelijks uit geweest, je kunt al eens genoeg krijgen van die eeuwige hitte. Dat we er vanochtend pas achter kwamen dat het vandaag weer eens de warmste dag van de week zou zijn was dom van ons, en digibeet, maar veranderde de plannen niet echt. Je kunt ook al eens genoeg krijgen van al teveel in huis rondlummelen, aangenaam koel of niet. Het werd alleen een wat korter wandelingetje. Een proefrondje. In de hoop dat het verderop in de vakantie wat minder warm zou worden, voor het echte werk.
We zochten een rondje uit waarbij we zoveel mogelijk onder de bomen konden blijven. Het bos om ons heen zuchtte duidelijk zichtbaar onder de droogte. Lijsterbes en sporkehout hingen er sowieso moedeloos en uitgedroogd bij, ook andere bomen lieten de boel wat slapjes hangen, veel bermen waren bruin en dood. Niettemin zagen we her en der de bekende achteloos weggegooide sigarettenfilters en peuken liggen.
Tja. Je zou je er natuurlijk aan kunnen ergeren, je zou je er zelfs kwaad over kunnen maken, helpen doet het niet. En het verpest je toch al warme wandelingetje. De domme desinteresse is hoogstwaarschijnlijk onuitroeibaar.
's Middags lazen we dat de eerste grote natuurbrand in Nederland inmiddels ook een feit is geworden.

Oude liefde roest niet

Oude liefde roest niet

In een ver verleden bezocht ik de Vrije Academie in Den Haag, waar ik al snel verliefd werd op de grafische technieken. Vele gelukkige uren bracht ik door boven etsplaat en lithosteen. De magie van de uit het diepe zwart opdoemende drogenaald. Het wonder van de langzaam uit het niets terugkerende tekening op de steen. De spanning bij het lichten van het papier, de blijdschap bij een geslaagde afdruk. Het weerbarstige ambacht en het geluksgevoel dat te beheersen. Van schuchtere deelnemer ontwikkelde ik mij tot werkplaats-assistent en veelbelovend jong talent. Mijn werk hing in exposities en werd genoemd in recensies. Nou ja, in één recensie, maar niettemin was er de overtuiging dat ik kunstenaar zou worden. Dat ik kunstenaar was misschien zelfs. Ach ja. Het liep anders en er kwam van alles tussen waar ik ook niet ontevreden over ben.
Deze vakantie namen wij een drukpersje mee naar het vakantieadres. Ik had het al jaren in de werkplaats staan zonder er ooit iets anders mee te doen dan vage plannen maken. Nu moest het er maar eens van komen. Eerdere jaren hadden we ons al geïnspireerd overgegeven aan de cyanotype, dit jaar werd het de tetradruk, een soort armeluisversie van de drogenaald ets. Jong en veelbelovend ben ik allang niet meer, maar verliefd bleek ik nog steeds te zijn.

Enfin

Enfin

Zoals ieder jaar bezoeken wij op het vaste vakantieadres de kringloopwinkel. En zoals altijd, of in elk geval toch meestal, duik ik dan als eerste de boekenhoek in. Zeker op vakantie kun je niet genoeg boeken hebben. Op het vaste vakantieadres staan de boeken in de kringloopwinkel bovendien alfabetisch gesorteerd, iets dat niet altijd en overal het geval is, wat het plezier dan behoorlijk kan vergallen. Maar hier dus niet. Hier kon ik op mijn gemak mijn favoriete letters af. De B, de S, de V en daarna de rest.
Wat mij bij mijn ongerichte zoektochten vaak opvalt is dat sommige schrijvers in bijna alle kringloopwinkels oververtegenwoordigd zijn. Isabel Allende bijvoorbeeld. Ook hier is weer haar volledige oeuvre voor een habbekrats in tweevoud te verkrijgen. Maar ook Nederlandse grootheden als Kluun, Giphart, Grunberg of de vreselijke Youp van t Hek nemen zelfvoldaan hun ruimte in. Ik vraag me dan altijd af of dat betekent dat dit de betere schrijvers zijn, waar zoveel boeken van gekocht worden en in omloop zijn, of juist het lagere echelon, dat blijkbaar niemand voor herlezing in de boekenkast wil houden. Hoe het ook zij, ik vind nooit iets van mezelf, bij de V.
Enfin.
Achter mij hoor ik dan een rokerige vrouwenstem verkondigen dat ze ‘dit een heel mooi boek vindt’. Het is vrij goed te verstaan maar ik ga er veiligheidshalve vanuit dat ze het niet tegen mij heeft. Of ze het tegen iemand anders heeft kan ik ook niet uitmaken omdat het zich achter mijn rug afspeelt. Ik sta bij de C. De vrouw herhaalt nog maar eens dat ze dit echt een heel mooi boek vindt. Echt heel mooi. Dat dit het enige boek is dat ze opnieuw wil lezen. Het enige. Zo mooi. Inmiddels heeft ze de boekenkast gerond en staat ze tegenover me, aan de andere kant van de kast. Tussen de boekenplanken door kan ik haar zien. Het zal aan mij liggen maar ze maakt op mij niet meteen de indruk van een lezer, hoewel ze dus, net als ik, de planken afspeurt. Nogmaals, het zal aan mij liggen.
Goed, ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vraag haar, tussen de planken door, welk boek nou zo’n indruk op haar heeft gemaakt. Ik zal niet ontkennen dat ik bepaalde verwachtingen heb die ik niet direct concreet kan maken maar die ik wel graag bevestigd zou zien.
400 brieven van mijn moeder, houdt de vrouw meteen het boek omhoog en improviseert ter plekke welwillend een samenvatting van het boek, dat gaat over een in Nederland geboren Marokkaanse jongen die buiten zijn schuld in een Marokkaanse gevangenis belandt en zich tijdens zijn hardvochtig verblijf op de been weet gehouden met de 400 brieven die hij van zijn moeder ontvangt. Niet wat ik verwacht had. Zeker niet. Ik had het boek zojuist zien liggen maar pas nu was mijn belangstelling gewekt. Zei ik ook tegen de mevrouw. Te laat, reageerde zij tevreden, want zij nam het mee naar huis. Ik hield het noodgedwongen bij een bundeltje van Martin Bril.
Enfin, het is vakantie.

Eerbetoon

Eerbetoon

Wil je een banaan? Een buurman stond in de roldeuropening van de garagebox die tegenwoordig niet onverdienstelijk dienst doet als mijn werkplaats. Mijn atelier. Dat ik lekker bezig was, constateerde hij eerst nog, niet onterecht, hoewel hij het ook als knutselvreugd betitelde, wat misschien wel weer een beetje mijn eigen schuld is omdat ik mij altijd wat relativerend pleeg uit te drukken over wat ik nou eigenlijk aan het doen ben allemaal, dus vooruit, buurman bedoelde het goed. En, zag ik, hij had inderdaad twee bananen in zijn hand. Of ik er een wilde, vroeg hij dus.
Voor in mijn oor, antwoordde ik gevat. De krant had de afgelopen twee dagen immers volgestaan met het plotseling heengaan van Ernie. Het leek mij wel een aardig, spontaan eerbetoon. Maar het was aan buurman niet besteed, mijn eerbetoon. Hij keek mij niet begrijpend aan. Een glazige blik was mijn deel.
Nu had ik natuurlijk kunnen uitleggen dat het tegen de krokodillen was, maar ik vond eigenlijk meteen dat je sommige dingen niet uit moet leggen. Niet uit moet hoeven leggen ook trouwens. En een eerbetoon al helemaal niet. Ik lulde er dus maar overheen, we maakten er een vriendelijk praatje van en werkten gezamenlijk toe naar het afrondend fijne avond en tot ziens.
Maar wil je nou een banaan, vroeg buurman tot slot, voor de zekerheid, vlak voor hij mijn deuropening verliet, en stak zijn bananen omhoog. Ze zijn lekker, en ze moeten op, voegde hij er nog aan toe.
Zo stond ik dan opeens met een banaan. Tja. Ik deed ‘m toch maar even in mijn oor. Als eerbetoon. Geen krokodil te zien.

Eén dag beroemd

Eén dag beroemd

Afgelopen zaterdag speelden wij - op veler verzoek, kan ik er best eens onbescheiden aan toevoegen - de reprise van onze voorstelling Een Avond Met De Neven. Toch ook wel tot onze bescheiden verbazing opnieuw voor een volle theaterzaal. Met een staande ovatie na afloop, plus een toegift. Een enthousiast, aandachtig, soms ontroerd publiek. Warme complimenten en welgemeende loftuitingen in de kleedkamer en de foyer. Lieve berichtjes op de telefoon. Opnieuw verzoeken om een reprise. Eén dag beroemd.
Maar ja..
Vandaag hangen de overhemden die dienst deden als kostuum alweer gewassen aan de lijn. Klaar voor dagelijks gebruik. En in de supermarkt was er ook geen hond die me herkende, achter m'n karretje.

Weerzien

Weerzien

Op een tropisch warme Pinksterdag maakte ik een wandeling door het Roekelsche Bos en langs het Mosselse Zand. Dat is inmiddels wel bijna een jaarlijkse traditie te noemen, hoewel het zeker niet ieder jaar zo tropisch uitpakt als deze keer. Ook vaste prik daarbij is een bezoekje aan de Kolonie van Adri Verhoeven, ik week er dit jaar speciaal wat voor van de route af. In de loop van de tijd ben ik gehecht geraakt aan deze verzameling stenen. Zacht glanzend liggen ze in de bosrand, als met achteloze hand gestrooid. Onverstoorbaar. De gedachte dat ze daar altijd liggen, geduldig wachtend op een volgend bezoek, voelt als geruststellend, troostrijk, op een of andere manier.
Vorig jaar schreef ik een stukje over deze stenen en hun maker, in de rubriek Kunst Onderweg op mijn wandelweblog.

Een middag met De Neven

Een middag met De Neven

Wij leerden elkaar kennen als schoolreisvaders, op de basisschool van onze jongens. Die waren toen nog klein. We hebben het over zeventien jaar geleden, minstens. Ik had, om erger te voorkomen, het schoolreislied geschreven, op melodie van The Bare Necessities, het Berenlied van Baloe, uit Disney's Junglebook. Het heette Leve De Prehistorie en het ging over de prehistorie, want dat was het thema van de schoolreis, de prehistorie. Maarten bood aan daar piano bij te spelen en de rest, zoals dat heet, is geschiedenis. We oefenden dat een paar keer, het klikte en het smaakte naar meer en zo ontstond een vriendschap en een duo: De Neven. Uit mijn rijke kindertheaterverleden had ik nog een ruime voorraad liedjes liggen waar we voorlopig mee vooruit konden.
Zo speelden we kleine huiskamerconcertjes op de verjaardagsfeestjes van de jongens, onze eigen jubilea, feesten en partijen, benefietjes op de fancy fair van hun basisschool en bij andere bescheiden gelegenheden. In de loop van de tijd kwamen er nieuwe liedjes bij, vertalingen van uiteenlopend repertoire en in een overmoedige bui besloot ik het accordeon er maar weer eens bij te pakken. Er vielen regelmatig maandenlange pauzes waarin er niets gebeurde behalve allerlei andere dingen, maar we bleven altijd bestaan en vonden elkaar steeds weer terug. Het bleef altijd jeuken, op onze rug.
Vorig jaar besloten we dan de stoute schoenen aan te trekken, het plaatselijk theater af te huren en ons voor te bereiden op een serieus theaterconcert. We selecteerden uit ons inmiddels omvangrijk repertoire, stelden een rigide repetitieschema op, hielden ons daaraan, namen zanglessen, schreven tussenliggende dialogen, repeteerden zeven maanden lang, rommelden een decor bij elkaar en nodigden meer dan honderd mensen uit te komen kijken.
Afgelopen zaterdag was de grote dag. We speelden onze voorstelling in het warme bad van een bomvolle zaal. Met applaus en complimentendouche na afloop. Een onvergetelijke ervaring. Een droom. Een kroon op ons werk, een kroon op onze vriendschap.

Goeie koffie!

Goeie koffie!

De bel gaat. Het is vroeg in de ochtend. Ik sta me net boven in mijn klusbroek te hijsen, voor een nieuwe arbeidzame dag, dus erg handig komt het niet uit, maar goed. Haastig mijn broek optrekkend en mijn gulp dichtknopend hots en bots ik op sokken de trap af om de deur open te doen voor, ja, jezus, hoogstwaarschijnlijk Jehova’s Getuigen natuurlijk, maar dat bedenk ik dan weer net te laat want nu is de deur al open.
De mevrouw die kennelijk had aangebeld was al halverwege het tuinpad weer af, maar nu ze de deur open hoort gaan keert ze schielijk terug. Het is een al wat oudere mevrouw. Nogal klein van stuk. Een indruk die nog eens versterkt wordt doordat ze zo’n twintig centimeter lager staat dan ik, op het tuinpad. Ik toren boven haar uit, in mijn voordeur, op mijn stoepje. Ze draagt een gewatteerde winterjas, een diep over haar oren getrokken grof gebreide wollen muts en een bril met zelfkleurende glazen. Vooral dat laatste geeft haar een in mijn ogen wat louche uitstraling.
Ze rommelt wat in haar tasje, zo’n oranje nylon tasje dat je heel klein kunt opvouwen zodat je altijd een tasje bij je kunt hebben, in je tas, en zonder verdere inleiding of zelfs maar begroeting vraagt ze of ik een pak koffie wil kopen. Ik zeg vragen, maar ik hoor niet echt een vraagteken. Ter illustratie houdt ze ook een pondspak koffie omhoog dat ze met enige moeite uit haar tasje tevoorschijn heeft geworsteld, maar uitnodigend zou ik dat gebaar niet willen noemen. Het is Douwe Egberts, verklaart ze nog, op een toon alsof er nu toch echt geen ontkomen meer aan is. Alsof ik nu wel gek zou zijn dit schitterend aanbod af te wijzen. Douwe Egberts! Stel je voor! Goeie koffie, dringt ze verder aan en steekt het pak nog maar eens wat hoger. De opbrengst, komt er dan terloops toch iets van een verklaring, is voor álle sportverenigingen van de stad. Ik kijk even naar haar jas, of ik iets van een button of een badge of een logo gemist heb, of zo’n keycord met een id-kaart eraan, maar nee. Ook het oranje tasje levert geen verder aanknopingspunt. Het is blijkbaar een particulier initiatief.
Normaalgesproken ben ik met een natte vinger en een lieve glimlach al te lijmen om weer eens donateur van iets liefdadigs en goedbedoelends te worden, maar hier heb ik al meteen helemaal geen zin in. Dat ik eigenlijk net koffie heb gekocht, pareer ik dus de aanval, zo gedecideerd mogelijk. Maar zo gemakkelijk kom ik niet van haar af. Dat had ik gedacht. Dat een extra pak koffie geen kwaad kan, klinkt het bijna verontwaardigd over zo’n slap excuus. Douwe Egberts!, benadrukt ze nog maar eens. Goeie koffie! En dat ze ervan af wil want ze is bijna door haar voorraad heen en ze heeft het wel gehad, ze wil naar huis. Ronduit chagrijnig klinkt het nu. Verwijtend. Ik ben een heel vervelende, lastige klant, dat mag ik gerust weten. Zestien euro, noemt ze dan haar prijs, zestien euro, dat is goedkoper dan in de winkel. Zestien euro?!, roep ik verbaasd, voor een pak koffie?! Het schalt over straat. Ja, nee, schampert de mevrouw over zoveel onbegrip, zestien euro, dat is natuurlijk voor twee pakken, en ze staat alweer in haar tasje te graaien, waar zo te zien inderdaad nog een pak in zit. Ze heeft namelijk nog maar twee pakken en als ik die nou koop, is zij er van af en kan ze naar huis. Het is duidelijk dat haar geduld op begint te raken.
Het mijne zit ook op het randje, maar in plaats van een hardvochtig en duidelijk ‘nee’ kies ik als doorgewinterd conflictvermijder toch weer voor een beleefde uitvlucht. Dat ik helaas geen contant geld in huis heb. Ik weet bijna zeker dat de mevrouw geen pinautomaat bij zich heeft, of een andere digitale oplossing, dus ik ga er vanuit dat het nu klaar is. Maar de mevrouw weet kennelijk heus wel dat ik op aandringen van de overheid een envelopje met bankbiljetten in de keukenla heb liggen en duldt verder geen tegenspraak meer. Nogmaals, ze heeft het gehad en wil naar huis. Dat ze kan wisselen, klinkt het nors. Ik ben door mijn tekst heen. Er valt een korte stilte waarin ik koortsachtig probeer te begrijpen wat hier gebeurt. Dan haalt de mevrouw haar schouders op en stopt het pak koffie terug in haar tasje. Dan houdt het op, concludeert ze bars. Dan moet ik het zelf maar weten. Mokkend loopt ze het tuinpad af.

Nieuwe start

Nieuwe start

Na jaren trouwe dienst moet ik nu mijn werkplaats verlaten. Het is niet anders. Sinds het begin van de pandemie het creatief toevluchtsoord van de beeldend knutselaar die ik ben. De opslag ook van grote hoeveelheden gebruikt hout in niet gangbare maten, zeer uiteenlopende gevonden voorwerpen, kringloopvondsten, en laden en kratten vol dingetjes en dangetjes die ooit nog wel eens van pas kunnen komen. De afgelopen dagen ben ik druk in de weer dat allemaal uit de rekken te trekken, te sorteren en te bundelen in draagbare porties, om het straks min of meer overzichtelijk naar een nieuwe stek te verhuizen. Ik heb er gemengde gevoelens bij. De nieuwe start zorgt voor een energieke opgetogenheid, zeker, maar het afscheid van mijn oude plek geeft het toch ook een melancholiek tintje. Ik ben daar vatbaar voor.
Al doende blijkt trouwens dat mijn voorraad hout ook een schuilplaats voor de winter bood aan een handvol vlinders, zoals deze dagpauwoog, die een fotogeniek plekje had uitgezocht op deze zwart geschilderde plaat hout. Héél even zette hij de vleugels op een kiertje, als teken van leven allicht. Ik besloot hem maar te laten zitten en de plaat hout voorlopig op een beschut plekje achter te laten. Maar toen ik een uurtje later nog eens keek, was hij toch vertrokken. De lente tegemoet. Hoop ik. Voor een nieuwe start. Net als ik.

There's a world going on underground

There's a world going on underground

Je komt het tegen, op je pad. Langs je weg. Het is geen kunst, maar wanneer je er met een ander oog naar kijkt zou het dat best kunnen zijn. Als je het maar wilt zien. Ik verzamel ze al jaren, deze beelden die geen beelden zijn, in een immer uitdijende catalogus. GeenKunst, heb ik het genoemd. Vorige week vond ik er weer eens eentje, tijdens een wandeling, in het Lyklamabos, bij Nijemirdum.

Very Contemporary

Very Contemporary

We waren in Middelburg, mijn vrouw en ik, voor een wat het weer betreft niet ideaal gepland weekendje weg. Hadden wij ons allicht verheugd op wandelingen over het strand, en door het Zeeuwse landschap, romantisch beschenen door een voorzichtig proberend eerste lentezonnetje, in werkelijkheid was het gewoon nog uitgebreid februari, waaide het ongenadig hard, was het snijdend koud en leek regen nooit ver weg. Vandaar Middelburg. Overdekte activiteiten. Ook niks mis mee.
Zo kwamen we bijvoorbeeld terecht in boekwinkel de Drukkerij, waar het warm en gezellig was. Waar het gonsde van de mensen op zoek naar een boek, waar de horeca het nauwelijks bij kon benen en waar op beschaafd volume live muziek werd gebracht door twee keurige jongemannen. Na ieder nummer klonk een nauwelijks hoorbaar applaus. De elpee, werd nog beleefd vermeld, was straks in de winkel verkrijgbaar.
Op ons gemak dwaalden wij langs de schijnbaar oneindige hoeveelheid boekenkasten, die als open cirkels over de ruimte waren uitgestrooid en zo een doolhof vormden van beschutte kamertjes die zeer tot genoeglijk neuzen en bladeren uitnodigden. We wisten onze hebzucht tot vier titels te beperken, waaronder Welkom bij de club, het debuut van Thomas van der Meer, vanwege zijn liefdevolle en fijnzinnige manier van schrijven mijn favoriete columnist in het Volkskrant Magazine. Eenmaal weer buiten bevond zich schuin aan de overkant van het plein de Vleeshal. Expositieruimte voor hedendaagse kunst. Wij zijn kunstminnende mensen en met de museumkaart in de hand, besloten wij, konden wij ons er sowieso geen buil aan vallen.
We werden ontvangen door twee vriendelijke medewerkers met een grote, witte V op hun t-shirt, die ons na het inchecken op het hart drukten vooral voorzichtig te zijn bij het kunstwerk dat in het midden stond opgesteld, omdat daar gebruik was gemaakt van glas. Wij beloofden voorzichtig te zijn, namen de bijbehorende beschrijving in ontvangst en betraden de expositie.
Nou, ik zal het maar meteen eerlijk en oneerbiedig zeggen, ik had aan één blik genoeg: dit werd niks. Er stond of hing ook bijna niks trouwens. We liepen binnen in een enorme zaal, een schitterende ruimte, met een hoog, fraai afgewerkt meervoudig gewelfd plafond, zwarte, natuurstenen plavuizen op de vloer, boogvormige nissen in de witte, gemetselde muren, spitsboogramen voor een kerkelijke lichtinval. Een stoere doch serene uitstraling. Nee, aan de ruimte lag het niet, die had beslist beter verdiend. Het was de kunst.
Tegen de verste wand werd op cinemascopeformaat een waarschijnlijk met een telefoon opgenomen filmpje van twee elkaar aantrekkende en afstotende handen afgespeeld, waarvan wij dachten dat het misschien nog wel leuk voor Sesamstraat was geweest, als er maar van die oogbollen op de vingers hadden gezeten. Vanwege het formaat leek dit even het enige geëxposeerde te zijn, maar links stonden wat verloren in de ruimte ook nog vier tv toestellen, met ieder een stoel ervoor, waarop je onder meer kon kijken naar een filmpje van iemand die tergend langzaam zijn of haar gulp opendeed waarachter dan een lichtgevend oog bleek te zitten, of zoiets. Rechts stond een diaprojector met een eeuwigdurende carrousel vol dia’s van tamelijk fletse tekeningen met veel nondescripte rode vlekken die zo klein werden geprojecteerd dat je ze feitelijk niet goed kon zien, wat dus misschien maar beter was.
In het midden van de ruimte dan het aangekondigde kunstwerk met glas. Een ruim tien meter lang spoor van in de vloertegels gegraveerde Duitse teksten, met aan weerszijden van iedere teksttegel een grijze straatklinker waarop dan inderdaad glas lag, dat de tekst als het ware op struikelhoogte overkapte. Het was niet zomaar een ruitje, nee, voor iedere teksttegel was een glasplaatje van naar schatting veertig bij veertig centimeter op een andere manier in verschillende stukken gesneden en neergelegd of gestapeld.
Het was precies het soort pretentieuze kunst waar ik vreselijke jeuk van in mijn nek krijg. Even bladeren in de beschrijving bevestigde mijn vermoeden: ellenlange abracadablabla verhalen met veel interessante nietszeggende termen en moeilijke, holle woorden. Geef mijn portie maar aan Fikkie, dacht ik. Maar dat had ik gedacht. Want toen ik mij omdraaide om te vertrekken stond daar de meneer met de V op zijn t-shirt. Ik schrok ervan en deinsde onwillekeurig wat achteruit. Pas op, zei mijn vrouw, en trok me aan mijn arm wat opzij, weg van de glasplaatjes. Thank you, zei de meneer met de V, met een minzaam knikje. Waarna hij uitlegde dat het een poem was, deze teksten in de vloer, een poem dat je tegel voor tegel kon lezen. En dat de tekst de meaning droeg, en de stukgesneden glasplaatjes de emotion representeerden. Bij het woord emotion hield hij zijn hoofd wat schuin en legde hij beide handen over elkaar op zijn hart. En mocht ons Duits misschien niet toereikend zijn, voorzag hij een mogelijke tegenwerping, er was een Nederlandse vertaling beschikbaar. Daar drukte hij mij die al in de hand. Thank you, zei ik, met een naar ik hoopte minzaam knikje. Verwachtingsvol bleef de meneer met de V echter staan. Waardoor mij, goed opgevoed als ik ben, geen andere mogelijkheid bleef dan de gang langs het gedicht alsnog te maken. Voorzichtig dat ik geen glasplaatjes stuk zou maken. Al was die behoefte er wel.