Voorproefje van de zelfkant

Voorproefje van de zelfkant

In een intieme huiskamersetting, voor een select publiek van genodigden, gaven wij op valentijnsdag een eerste voorproefje van ons op stapel staande theaterconcert. Wij, dat zijn De Neven. Muzikaal vriendenduo dat al jaren af en aan bestaat en nu de stoute schoenen maar eens heeft aangetrokken en het plaatselijk theater heeft afgehuurd voor een besloten theaterconcert, ter gelegenheid van een niet echt bestaand jubileum. Terwijl het zonnetje vrolijk door de ramen kwam, brachten wij voor het eerst het tweede gedeelte van het programma, waarin wij een korte rondleiding gaven door de brokkelige wereld van Tom Waits. Waar de zelfkant vaak de enige kant van de zaak is. Waar achter de donkere wolken niet altijd de zon schijnt. Een oord bevolkt door ploeteraars, zwoegers en sloebers. Eenzame zielen. Knierten en krepsers. Een wereld waar de rafelranden niet worden weggewerkt, maar hartstochtelijk bezongen. In het Nederlands, uiteraard. Met liefde vertaald.

Iets belangrijks

Iets belangrijks

Mijn kleinzoon, zeven jaar oud inmiddels, ging op voor zijn zwemdiploma A. En opa was uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Dat hoefde geen tweede keer gevraagd te worden want daar ben je opa voor, voor dat soort dingen. Je hoeft niet eerst twee jaar lang elke week naar het zwembad te fietsen, door weer en wind en hittegolf, om daar een uur lang in een oververhitte, overbevolkte galmbak je ziel in zaligheid te zitten bezitten, nee, je bent er alleen op het feestelijk moment suprême. Wanneer het feitelijk niet meer fout kan gaan. En dat ging het dan ook niet. Alle onderdelen werden in een straf tempo volgens de regels afgewerkt en uitgevoerd, er werd uitbundig gezwaaid, er werden foto’s en filmpjes gemaakt voor oma, die er niet bij kon zijn, en alles was nog ongeveer precies zoals ik het mij herinnerde van mijn eigen kinderen. Zoals ik het mij nog meende te herinneren van mijn eigen afzwemmen zelfs, vele, vele jaren geleden. De spanning, het bibberen, de galm van de badjuf. De enorme hoeveelheid koud, blauw water. De vertederende aanblik van al die bibberende kinderlijfjes, de ingespannen gezichtsuitdrukkingen, de toegewijde concentratie, de zoekende blik over de tribune van waar zitten ze en zien ze me wel. En natuurlijk het gezamenlijk aftellen van tien naar één bij het laatste onderdeel, het watertrappelen. Het juichen tot slot, dat iedereen het gehaald had. Ja, dat was mooi. Toen alles eenmaal achter de rug was, de kinderen allemaal weer afgedroogd en aangekleed, werd er verzameld in de hal voor de officiële diplomauitreiking. De kinderschaar zittend op de grond, in gespannen afwachting, in een wijde kring om de badjuffen van dienst, en daaromheen een dichte schare van vaders, moeders, opa’s en oma’s, broertjes en zusjes en andere belangstellenden, de meesten met de telefoon in de aanslag. Eén voor één werden de kinderen naar voren geroepen om hun diploma in ontvangst te nemen. Voor ieder kind klonk een applaus, ieder kind liep met een brede, trotse lach en blije, glimmende ogen naar het eigen publiek. Dat onmiddellijk de jassen aantrok, de tassen bij elkaar pakte en zich door de dichte schare belangstellenden naar achteren werkte, op weg naar de uitgang, de parkeerplaats, de gezinsauto. De schare belangstellenden werd gestadig minder dicht, het applaus werd allengs dunner en voor de laatste paar kinderen was alleen een karig restje publiek overgebleven. Wat maakt het uit, kun je zeggen. Zwemdiploma A, waar hebben we het over. Kun je zeggen. Maar ik denk dat het misschien wel iets belangrijks zegt. Iets waar we over na zouden moeten denken.

Alarm

Alarm

Op ons gemak dwaalden wij keuvelend en wel door de zalen van het Stedelijk Museum Alkmaar. Dat is altijd een fijne tijdsbesteding, dwalen door museumzalen. Zeker op een doordeweekse dag. Ook als er geen blockbusters hangen. Juist als er geen blockbusters hangen, beter gezegd. En die hingen er niet, in Alkmaar. Het was heerlijk rustig. In het kleinste zaaltje boven hingen schilderijen van Emo Verkerk, die we minstens een half uur geheel en al voor onszelf hadden. Er was de vaste verzameling Bergense School, die we deze keer maar eens oversloegen, dat wisten we nou wel eens een keer. We werden verrast door de eigenzinnige tekeningen van Marc Ruygrok en dompelden ons ten slotte onder in het in zwart wit gefotografeerde Alkmaar van vroeger, vergeefs op zoek naar een glimp van bakkerij Van Daalhoff, met wiens verre nazaat mijn gezelschap familiebanden onderhoudt. Het was de enige tentoonstelling waar het iets drukker was, nostalgie doet het altijd goed. Zo af en toe werd de algemene rust echter kort maar vrij hysterisch verstoord door een gillend alarm. In één van de andere zalen hing iets van een zwaard, of een sabel, of iets anders langwerpigs van grote archeologische waarde en dat werd beschermd met een alarm. Zodra iemand iets te ver naar voren boog om de details in zich op te nemen, gilde het door heel het museum. Dat hielp blijkbaar niet want het gebeurde met enige regelmaat. Nou goed. Het opvallendste daaraan, daarom vertel ik dit, was dat dit alarm, dit hysterisch gegil, vrij letterlijk het intro was van Crazy Horses, van The Osmond Brothers, uit 1972. Zo letterlijk, in mijn oren in elk geval, dat ik meteen de eerste keer dat ik het hoorde volkomen automatisch en precies op de tel met de bijbehorende bolle stem inviel met de juiste tekst: crazy horses. Waarna, om het kloppend te krijgen, het alarm weer had moeten klinken, wat natuurlijk niet gebeurde. Jammer eigenlijk. Jammer ook dat ik de enige was met deze Pavlov-achtige reactie. Het was toch leuk geweest wanneer na iedere gil van het alarm uit alle hoeken en zalen van het museum veelstemmig het crazy horses had geklonken. Bij wijze van flashmob of performance of zoiets. Overigens ben ik nooit fan geweest van The Osmond Brothers. Dat kwam vooral ook omdat alle meisjes er zo vurig mee weg liepen, in mijn jongensjaren, in plaats van met mij. Want oh oh oh wat waren dat toch een knappe jongens en oh oh oh wat konden ze toch goed dansen. Ik kon ze niet uitstaan. Tja. Niettemin loop ik nu dus wel alweer een paar dagen met Crazy Horses in mijn hoofd. Inclusief hysterisch gillend orgeltje, waarvan ik hier, ter afsluiting, graag een transcriptie had genoteerd, maar ik zou niet weten hoe. Het is niet anders.

Boomst

enter image description here

Er moest iets met een account. Een account dat ik nog niet had. Dat ik ook helemaal niet wilde hebben, maar dat ik nodig had om iets te regelen en dat kon alleen met een account. Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Toen ik het account met lange tanden had aangemaakt, en ik was ingelogd, met mijn zojuist verzonnen persoonlijk wachtwoord van minimaal acht tekens waarvan in elk geval twee cijfers, een kapitaal en één bijzonder teken, moesten er gegevens worden ingevoerd, voorkeuren aangegeven, hokjes aangevinkt, vragen beantwoord, doopcelen gelicht en moesten er documenten alsmede een naar waarheid ingevuld en ondertekend formulier worden geüpload. Na het mopperend maar succesvol doorlopen van al deze stappen lukte het mij nog altijd niet te regelen wat ik te regelen had. Radeloos klikte ik in het rond op de site, van het ene venster naar het andere menu maar wat ik ook probeerde, wat ik zocht was niet te vinden, wat ik vond niet wat ik zocht. Wat ik wilde regelen viel nergens te regelen. Vandaar dat ik besloot de klantenservice er maar eens bij te halen. Telefonisch. Op hoop van zegen. Ik had mij voorbereid op een doolhof van keuzemenu’s vol ontmoedigende boodschappen, afwerende afleidingsmanoeuvres en hersendodende ai muzak, maar dat viel mee. Vrijwel onmiddellijk had ik een vriendelijke mevrouw aan de lijn die vroeg wat ze voor me kon doen. Ik legde haar mijn probleem voor, verontschuldigde mij voor het feit dat ik blijkbaar een boomer was dat het mij digitaal niet lukte, en in plaats van mij door te verbinden naar een collega van een andere afdeling aan wie het ik hele verhaal dan opnieuw uit de doeken zou moeten doen, bood zij aan de stappen samen met mij te doorlopen om te zien of het dan wel lukte, hoewel zij, naar eigen zeggen, ook zeker een boomer was. We waren allebei blij dat we elkaar aan de lijn hadden, als mensen van vlees en bloed onder elkaar. Om te beginnen, stelde de mevrouw voor, moest ik uitloggen van mijn account en opnieuw inloggen, zodat we samen vanaf het begin konden beginnen. Ik deed wat me gevraagd werd, logde uit en weer in, mij alweer verontschuldigend dat het zo langzaam ging omdat ik immers met maar één hand mijn gebruikersnaam en wachtwoord in moest voeren, wat vooral bij de kapitaal en het bijzondere teken lastig uitpakte, maar de mevrouw was één en al begrip. Nu zou ik, legde ze uit, ter controle een sms code krijgen opgestuurd die ik dan in het inmiddels verschenen controlevenster moest invullen. Dat ik dan wel even mijn telefoon erbij moest pakken, antwoordde ik en reikte naar de plek waar die normaalgesproken ligt, naast de laptop. Waar hij nu niet lag. Ik keek achter me in de kast waar hij ook vaak ligt, maar nee. Lag hij dan nog in de keuken op het aanrecht? Op het bijzettafeltje bij de bank? Boven op mijn bureau? Op de wc? Op het nachtkastje bij het bed? Steeds paniekeriger rende ik door het huis, op zoek naar mijn telefoon, mij ten derde male verontschuldigend voor alle tijd die ik op deze manier in beslag nam. Voor mijn gevoel duurde het een half uur, drie kwartier voor de vreselijke waarheid tot mij doordrong: ik had mijn telefoon in mijn hand. Aan mijn oor. Ik liep er zenuwachtig in te piepen dat ik mijn telefoon niet kon vinden, dat ik er niks van snapte sorrysorrysorry en dat ik misschien beter straks even terug kon bellen. De mevrouw kon er hartelijk om lachen toen ik haar schutterig bekende hoe de vork in de steel zat, ze vond het helemaal niet erg. Ze vond het zelfs, voegde ze er aan toe, wel leuk te kunnen opmerken dat ik toch wel echt een stuk erger een boomer was dan zijzelf. Een overwinning die ik haar van harte gunde, want toen ik eenmaal had uitgevonden hoe ik de sms code terug kon vinden op mijn telefoon zonder de verbinding te verbreken, was wat ik te regelen had inderdaad zo geregeld.

Boetjes en bouwsels

Boetjes en bouwsels

Van ons land wordt nog wel eens gedacht, wordt nog wel eens beweerd, verondersteld, dat het zo'n aangeharkt landje is. Zo keurig en proper aangeveegd binnen de lijntjes. Maar sinds ik ben gaan wandelen zijn ze me opgevallen. De verwaarloosde, half vergeten, afgeragde en uitgeleefde boetjes en bouwsels. Rabbige soms half ingestorte schuren en keten. Aan hun lot en de elementen overgelaten. Niks keurigs aan, en daarom des te mooier. Ze staan overal en nergens en ik hou van ze. Ik ben ze gaan verzamelen in de fotorubriek Boetjes En Bouwsels.

GeenKunst

GeenKunst

Een beginnersfoutje was het eigenlijk. Zo begon het. Zo ontstond het idee. In de beeldentuin van het Kröller Müller Museum nota bene. Ik was in mijn eentje op fietstocht door Nederland. Langs beeldenparken, -tuinen, -bossen en -routes. Ik zat op de kunstacademie en stond aan het begin van een nieuwe levensfase. Ik was op zoek naar mezelf, een doel, iets anders. Ik stond open voor van alles. En zo liep ik in de beeldentuin van Kröller Müller belangstellend rondjes om een manshoge, vierkante sculptuur van geribbeld kiezelbeton waar een soort metalen roosters in verwerkt waren. Trachtte zijn zeggingskracht te doorgronden. Haar zijn te absorberen. Tot ik ontdekte dat er geen bordje bij stond, zoals bij de andere sculpturen. Dat ik ook een beetje van het pad was afgedwaald. En daarna dat het dus ook helemaal geen sculptuur was, maar de ontluchting van de kelders van het museum, of zoiets. Een tikkeltje gênant natuurlijk, zeker ook voor een kunstacademiestudent, maar gelukkig had niemand het gezien. Behalve ikzelf. Oók gelukkig, want daar was meteen het idee. Ik had hier iets dat niet als kunst bedoeld was, toch als zodanig staan bekijken. En waarderen. En dat maakte dus pas iets uit toen ik ontdekte dat er geen bordje naast stond. Een interessante kwestie. Wat zei dat over mij? Wat zei dat over kunst? Ik had geen idee, maar besloot er een thema van te maken. Jaren geleden is dit allemaal. 1991, om precies te zijn. En sindsdien ben ik het tegen blijven komen, op mijn pad. Het is geen kunst, maar zou het net zo goed wel kunnen zijn. Het is maar net hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien. Ik noem het GeenKunst. Bekijk eventueel de nog immer groeiende catalogus van de verzameling. Bovenstaande installatie heeft als titel: Een zee van tranen.

Het uilskuiken

Het uilskuiken

Het is veel te koud om naar mijn werkplaats te gaan, deze dagen. Deze weken. Wat jammer is, want zo komt er niks uit mijn handen. Dat wil zeggen, niet op het gebied van de beeldende kunsten. De knutselarij. Om alvast in de stemming te komen voor de betere tijden, die er natuurlijk ook weer aankomen, haal ik dan maar even een oudje uit het stof. Met authentiek onscherpe foto. Een tijdlang maakte ik dit soort kleine kastjes, van restjes hout en gevonden voorwerpen. Meestal zette ik er dan zo'n opwind-muziekwerkje in, waardoor het een aardig cadeau voor de kinderkamer werd. Het waren de dagen dat er nogal veel kinderen geboren werden, om ons heen. Kinderen die inmiddels allemaal alweer groot en uitgevlogen zijn. Vaak maakte ik er ook nog een gedichtje bij. Dit muziekkastje heet Het Uilskuiken. Het bijbehorende gedichtje:

Het doet de uil/ met al zijn wijsheid/ toch een beetje pijn/ het onvermijdelijk te weten/ dat zijn kinderen/ uilskuikens zijn/

It was twenty years ago today

It was twenty years ago today

Speurend in de archieven, op zoek naar materiaal om deze site mee te vullen, deze poging tot overzicht, kom ik ook dingen tegen die ik eigenlijk al wel weer een beetje vergeten was. Zoals deze barokke koning. De koning zonder kroon. Een voorstelling met de Theaterwerkplaats Alkmaar, naar schatting in 2006. It was twenty years ago today, zogezegd. Het was een bewerking van het gelijknamig kinderboek van Marianne Busser en Ron Schröder. Ik moet er wel bij zeggen dat ik daar nu, jaren later, pas achter kom, sorry daarvoor. Waar ik dan trouwens wel ook meteen achter kom, is dat de titel inmiddels ook gekaapt is door Levina van Teunenbroek, die het zonder gêne toevoegde aan haar serie titels met zonder erin. Enfin, beter goed gejat dan slecht verzonnen, luidt het cliché.

Dierbaren

Dierbaren

Met vriendin en collega Conny bezocht ik het Stedelijk Museum Alkmaar, waar zij nog nooit geweest was. Dat was op zichzelf al een goede reden om eens te gaan. We kwamen vooral voor de tentoonstelling Dierbaren, van Emo Verkerk. Wat een zeer bescheiden tentoonstelling bleek te zijn, in een zeer bescheiden bovenzaaltje. Maar reuze sympathiek. Woorden die op Emo Verkerk misschien ook wel van toepassing zouden kunnen zijn, maar dat weten we niet want we kennen hem niet persoonlijk. Zijn werk oogt in elk geval erg vriendelijk en liefdevol. Vrolijk. Precies wat we nodig hebben in deze bange tijden. Allebei verlieten we het zaaltje met de wens zó te kunnen schilderen. Waarmee we niet bedoelden hoe razend knap en Rembrandtesk het allemaal was, maar veel meer het zorgeloze, het vrije, en het lak hebben aan perfectie. Nog te zien t/m 8 februari van dit jaar.

Smeekbede

Smeekbede

Al struinend in de digitale archieven, op zoek naar materiaal om met dit nieuwe blog een soort van overzicht te geven van wat ik dan nog meer doe, behalve de was en de afwas en de bedden opmaken, ter vervanging van de website die ik daar eerder voor had maar die binnenkort door omstandigheden uit de lucht gaat, kwam ik ook deze tegen. Een samenwerkingsprojekt met Conny Kruithof, die de tekeningen maakte. Ik schreef de verzen en deed de grafische vormgeving. Leek me voor vandaag de dag wel toepasselijk.

Op zolder

Op zolder

Nou is het toch al half december, en nou zit er vanmorgen nog steeds een versufte wesp zielig tegen het dakraam aangekropen. Je zou toch verwachten dat die nu inmiddels allemaal wel eens een keertje dood en verdwenen zouden zijn. Zo hoort het immers te gaan, volgens het boekje. Jonge koninginnen verlaten het nest om te paren, ergens te overwinteren en in het voorjaar opnieuw te beginnen, de rest van het volk sterft uit, verhongert, vreet elkaar op, nest blijft verlaten achter. Wij hadden deze zomer een wespennest op zolder, vandaar. Al drie jaar achtereen hebben wij een wespennest op zolder. Je mag aannemen ieder jaar een ander, want dat lees je ook, in dat boekje, dat ze hetzelfde nest geen tweede keer gebruiken. Maar ja, drie jaar achtereen. Op zolder. Is dat dan toeval? Voor hetzelfde geld, de evolutie staat niet stil, bovendien zijn wespen niet achterlijk, voor hetzelfde geld zijn die zich af gaan vragen wat het eigenlijk voor zin heeft elk jaar weer helemaal van voren af aan opnieuw te beginnen, als hier, op deze fijne, overdekte zolder nog een prima nest hangt? Waar je niks aan hoeft te doen. Waar je zó in kan. Drie jaar achtereen hetzelfde verhaal. Eerst, in het voorjaar, zie je ze alleen nog buiten. Vliegen ze af en aan onder de dakpannen. Dan, ergens naar de zomer toe, hebben ze ook een route binnendoor gevonden en vliegt er een onafgebroken file wespen van het zolderluik naar het dakraam. Nooit de andere kant op trouwens. Zolang het dakraam open staat, is er weinig aan de hand, dan vliegen ze over het algemeen rechtstreeks naar buiten. Is het dakraam gesloten dan kan het zijn dat je bij het opstaan, of bij thuiskomst, een stuk of twintig wespen verwoed tegen het glas op en neer hoort zoemen, op zoek naar de uitgang waarvan ze weten dat die er moet zijn. Waarvan ze weten dat die er gisteren nog was. Wespen zijn niet achterlijk. Nog steeds niks aan de hand, met een lange stok duwen we het dakraam open en na vijf minuten heeft zelfs de onhandigste wesp het luchtruim weer gevonden. Dan, het wordt herfst, begint het grote sterven. De wespen worden steeds trager, vinden de weg naar buiten steeds moeizamer en uiteindelijk vind je ze overal. Op de grond, op het wasrek, op het bureau, in de kast, op de trap, op de vensterbank. Maar vooral op de grond. Dubbelgevouwen, de pootjes devoot tegen de borst, de vleugels nog altijd schuin omhoog. Dood. Dat wil zeggen, meestal dood. Bijna altijd dood. Een enkeling kruipt met een laatste krachtsinspanning nog radeloos rond, dus op blote voeten of op sokken moet je wel even uitkijken dat de allerlaatste krachtsinspanning niet net in jouw voet gezet wordt. Maar verder geen probleem. Wespen zijn een nuttig onderdeel van de biodiversiteit en een waardevolle schakel in het ecosysteem en al die drie jaar is er niemand gestoken hier in huis. Leven en laten leven, is het devies. Het enig nadeel is dat je de zolder niet meer op kunt. Dat zouden de wespen dan toch wel eens als huisvredebreuk op kunnen vatten en daar sta je dan, op je wankele laddertje. Niet dat ik nou dagelijks de zolder op moet, het is maar een kleine zolder en het is niet voor niks een zolder: er staan voornamelijk zaken waarvan wij al jaren geen idee meer hebben dat ze er staan. Maar goed, de afgelopen jaren kwam het er niet van, deze herfst, geloof het of niet, had ik mij dan toch voorgenomen, als onderdeel van een positieve agenda en in het kader van het grote ontspullen, ook de zolder maar eens onder handen te nemen. Maar ja, het is nu half december, en er zit er vanmorgen nog steeds een versufte wesp zielig tegen het dakraam aangekropen.

Uit de doos

enter image description here

Normaalgesproken zou ik niet, nee, zou ik nooit, in een telefoonwinkel terecht zijn gekomen. Van telefoonwinkels heb ik altijd het vage en waarschijnlijk onterechte idee dat er iets niet aan klopt. Ik weet niet waarom. Misschien omdat ik er nog nooit één binnen ben gelopen, dat zou kunnen. Onbekend maakt onbemind. En ik heb niet veel met telefoons. Mijn afkeer van het heilig schermpje, zeker bij andere mensen, wordt steeds groter, dat is het ook. Maar nu stond ik er dan. In een telefoonwinkel. Samen met een vriendin die iets nodig meende te hebben, voor haar telefoon. Er waren geen andere klanten, er hing een serene rust in het winkeltje. Er was alleen de meneer die in ledigheid achter de toonbank stond. Het was, zoals volgens mij in de meeste telefoonwinkels, een meneer uit zuidoostelijker streken, met zachte ogen en een zwarte baard. Aan de muren en in de schappen hingen en lagen allerlei in hard plastic verpakte kostbaarheden waarvan ik niet één twee drie kon zien wat het was, maar het waren geen telefoons. Mijn vriendin zocht een houder, die ze in haar camper ergens aan kon bevestigen, met een knijper of iets, zodat ze televisie of netflix kon kijken zonder de hele tijd haar telefoon vast te hoeven houden. Precies zo’n ding, wees ze, als daar boven de toonbank zat geklemd. Die was van de meneer zelf, glimlachte hij, maar hij zou eens kijken. Hij liep zijn winkel in, keek eens halfslachtig aan een rek maar schudde al snel zijn hoofd. Nee, die had hij niet meer. Maar, wilde hij de beroerdste niet zijn, dan verkocht hij haar de zijne wel. Voor twintig euro, omdat hij al uit de doos was. Nou, dat vond mijn vriendin heel lief, maar wel een beetje duur. Nee, twintig euro wilde ze daar niet voor betalen. Vijftien wel. Misschien werd ze geïnspireerd door het feit dat het een zuidoostelijke meneer was en de aanname dat die wel eens wat afdingen gewend zou kunnen zijn. Maar nee, bleef de meneer vriendelijk glimlachen, twintig euro was de prijs. Eigenlijk vijfentwintig, maar ja, uit de doos. Er viel een korte stilte. Ik was de situatie inmiddels al ongemakkelijk gaan vinden, ik ben niks gewend. Ik houd niet van afdingen, niet van onderhandelen en ik houd niet van nee zeggen. Ik koop m wel voor je, zei ik dus, als kerstcadeautje. Daar wilde mijn vriendin dan ook weer niks van horen, nee zeg, ze kocht m zelf. Zonder verder morren pinde ze twintig euro. De meneer bleef al die tijd vriendelijk glimlachen en wenste ons een fijne dag.

Met pijn in het hart

enter image description here

Bijna vijfentwintig jaar lang hield ik een weblog bij onder de titel Het Bewijs. In de beginjaren was dat het weblog van een huisman, later huisvader, nog later van een man van goede wil. De laatste vijftien jaar deed ik dat bij Blogger. Toch ook wel tot tevredenheid. Maar omdat ik, na het verlaten van facebook en instagram, ook google een beetje wil vermijden, om redenen van wokeheid, verhuis ik nu naar een Nederlandse host. Het zou ondoenlijk zijn alle berichten naar de nieuwe plek te verhuizen. Dat doe ik dan ook niet. Het archief blijft nog een tijdje online, daarna verdwijnt het. Met een beetje pijn in mijn hart. Dat wel. En hier begin ik min of meer opnieuw. Op een nieuwe leest.