Een middag met De Neven

Een middag met De Neven

Wij leerden elkaar kennen als schoolreisvaders, op de basisschool van onze jongens. Die waren toen nog klein. We hebben het over zeventien jaar geleden, minstens. Ik had, om erger te voorkomen, het schoolreislied geschreven, op melodie van The Bare Necessities, het Berenlied van Baloe, uit Disney's Junglebook. Het heette Leve De Prehistorie en het ging over de prehistorie, want dat was het thema van de schoolreis, de prehistorie. Maarten bood aan daar piano bij te spelen en de rest, zoals dat heet, is geschiedenis. We oefenden dat een paar keer, het klikte en het smaakte naar meer en zo ontstond een vriendschap en een duo: De Neven. Uit mijn rijke kindertheaterverleden had ik nog een ruime voorraad liedjes liggen waar we voorlopig mee vooruit konden. Zo speelden we kleine huiskamerconcertjes op de verjaardagsfeestjes van de jongens, onze eigen jubilea, feesten en partijen, benefietjes op de fancy fair van hun basisschool en bij andere bescheiden gelegenheden. In de loop van de tijd kwamen er nieuwe liedjes bij, vertalingen van uiteenlopend repertoire en in een overmoedige bui besloot ik het accordeon er maar weer eens bij te pakken. Er vielen regelmatig maandenlange pauzes waarin er niets gebeurde behalve allerlei andere dingen, maar we bleven altijd bestaan en vonden elkaar steeds weer terug. Het bleef altijd jeuken, op onze rug. Vorig jaar besloten we dan de stoute schoenen aan te trekken, het plaatselijk theater af te huren en ons voor te bereiden op een serieus theaterconcert. We selecteerden uit ons inmiddels omvangrijk repertoire, stelden een rigide repetitieschema op, hielden ons daaraan, namen zanglessen, schreven tussenliggende dialogen, repeteerden zeven maanden lang, rommelden een decor bij elkaar en nodigden meer dan honderd mensen uit te komen kijken. Afgelopen zaterdag was de grote dag. We speelden onze voorstelling in het warme bad van een bomvolle zaal. Met applaus en complimentendouche na afloop. Een onvergetelijke ervaring. Een droom. Een kroon op ons werk, een kroon op onze vriendschap.

Goeie koffie!

Goeie koffie!

De bel gaat. Het is vroeg in de ochtend. Ik sta me net boven in mijn klusbroek te hijsen, voor een nieuwe arbeidzame dag, dus erg handig komt het niet uit, maar goed. Haastig mijn broek optrekkend en mijn gulp dichtknopend hots en bots ik op sokken de trap af om de deur open te doen voor, ja, jezus, hoogstwaarschijnlijk Jehova’s Getuigen natuurlijk, maar dat bedenk ik dan weer net te laat want nu is de deur al open.

De mevrouw die kennelijk had aangebeld was al halverwege het tuinpad weer af, maar nu ze de deur open hoort gaan keert ze schielijk terug. Het is een al wat oudere mevrouw. Nogal klein van stuk. Een indruk die nog eens versterkt wordt doordat ze zo’n twintig centimeter lager staat dan ik, op het tuinpad. Ik toren boven haar uit, in mijn voordeur, op mijn stoepje. Ze draagt een gewatteerde winterjas, een diep over haar oren getrokken grof gebreide wollen muts en een bril met zelfkleurende glazen. Vooral dat laatste geeft haar een in mijn ogen wat louche uitstraling.

Ze rommelt wat in haar tasje, zo’n oranje nylon tasje dat je heel klein kunt opvouwen zodat je altijd een tasje bij je kunt hebben, in je tas, en zonder verdere inleiding of zelfs maar begroeting vraagt ze of ik een pak koffie wil kopen. Ik zeg vragen, maar ik hoor niet echt een vraagteken. Ter illustratie houdt ze ook een pondspak koffie omhoog dat ze met enige moeite uit haar tasje tevoorschijn heeft geworsteld, maar uitnodigend zou ik dat gebaar niet willen noemen. Het is Douwe Egberts, verklaart ze nog, op een toon alsof er nu toch echt geen ontkomen meer aan is. Alsof ik nu wel gek zou zijn dit schitterend aanbod af te wijzen. Douwe Egberts! Stel je voor! Goeie koffie, dringt ze verder aan en steekt het pak nog maar eens wat hoger. De opbrengst, komt er dan terloops toch iets van een verklaring, is voor álle sportverenigingen van de stad. Ik kijk even naar haar jas, of ik iets van een button of een badge of een logo gemist heb, of zo’n keycord met een id-kaart eraan, maar nee. Ook het oranje tasje levert geen verder aanknopingspunt. Het is blijkbaar een particulier initiatief.

Normaalgesproken ben ik met een natte vinger en een lieve glimlach al te lijmen om weer eens donateur van iets liefdadigs en goedbedoelends te worden, maar hier heb ik al meteen helemaal geen zin in. Dat ik eigenlijk net koffie heb gekocht, pareer ik dus de aanval, zo gedecideerd mogelijk. Maar zo gemakkelijk kom ik niet van haar af. Dat had ik gedacht. Dat een extra pak koffie geen kwaad kan, klinkt het bijna verontwaardigd over zo’n slap excuus. Douwe Egberts!, benadrukt ze nog maar eens. Goeie koffie! En dat ze ervan af wil want ze is bijna door haar voorraad heen en ze heeft het wel gehad, ze wil naar huis. Ronduit chagrijnig klinkt het nu. Verwijtend. Ik ben een heel vervelende, lastige klant, dat mag ik gerust weten. Zestien euro, noemt ze dan haar prijs, zestien euro, dat is goedkoper dan in de winkel. Zestien euro?!, roep ik verbaasd, voor een pak koffie?! Het schalt over straat. Ja, nee, schampert de mevrouw over zoveel onbegrip, zestien euro, dat is natuurlijk voor twee pakken, en ze staat alweer in haar tasje te graaien, waar zo te zien inderdaad nog een pak in zit. Ze heeft namelijk nog maar twee pakken en als ik die nou koop, is zij er van af en kan ze naar huis. Het is duidelijk dat haar geduld op begint te raken.

Het mijne zit ook op het randje, maar in plaats van een hardvochtig en duidelijk ‘nee’ kies ik als doorgewinterd conflictvermijder toch weer voor een beleefde uitvlucht. Dat ik helaas geen contant geld in huis heb. Ik weet bijna zeker dat de mevrouw geen pinautomaat bij zich heeft, of een andere digitale oplossing, dus ik ga er vanuit dat het nu klaar is. Maar de mevrouw weet kennelijk heus wel dat ik op aandringen van de overheid een envelopje met bankbiljetten in de keukenla heb liggen en duldt verder geen tegenspraak meer. Nogmaals, ze heeft het gehad en wil naar huis. Dat ze kan wisselen, klinkt het nors. Ik ben door mijn tekst heen. Er valt een korte stilte waarin ik koortsachtig probeer te begrijpen wat hier gebeurt. Dan haalt de mevrouw haar schouders op en stopt het pak koffie terug in haar tasje. Dan houdt het op, concludeert ze bars. Dan moet ik het zelf maar weten. Mokkend loopt ze het tuinpad af.

Nieuwe start

Nieuwe start

Na jaren trouwe dienst moet ik nu mijn werkplaats verlaten. Het is niet anders. Sinds het begin van de pandemie het creatief toevluchtsoord van de beeldend knutselaar die ik ben. De opslag ook van grote hoeveelheden gebruikt hout in niet gangbare maten, zeer uiteenlopende gevonden voorwerpen, kringloopvondsten, en laden en kratten vol dingetjes en dangetjes die ooit nog wel eens van pas kunnen komen. De afgelopen dagen ben ik druk in de weer dat allemaal uit de rekken te trekken, te sorteren en te bundelen in draagbare porties, om het straks min of meer overzichtelijk naar een nieuwe stek te verhuizen. Ik heb er gemengde gevoelens bij. De nieuwe start zorgt voor een energieke opgetogenheid, zeker, maar het afscheid van mijn oude plek geeft het toch ook een melancholiek tintje. Ik ben daar vatbaar voor. Al doende blijkt trouwens dat mijn voorraad hout ook een schuilplaats voor de winter bood aan een handvol vlinders, zoals deze dagpauwoog, die een fotogeniek plekje had uitgezocht op deze zwart geschilderde plaat hout. Héél even zette hij de vleugels op een kiertje, als teken van leven allicht. Ik besloot hem maar te laten zitten en de plaat hout voorlopig op een beschut plekje achter te laten. Maar toen ik een uurtje later nog eens keek, was hij toch vertrokken. De lente tegemoet. Hoop ik. Voor een nieuwe start. Net als ik.

There's a world going on underground

There's a world going on underground

Je komt het tegen, op je pad. Langs je weg. Het is geen kunst, maar wanneer je er met een ander oog naar kijkt zou het dat best kunnen zijn. Als je het maar wilt zien. Ik verzamel ze al jaren, deze beelden die geen beelden zijn, in een immer uitdijende catalogus. GeenKunst, heb ik het genoemd. Vorige week vond ik er weer eens eentje, tijdens een wandeling, in het Lyklamabos, bij Nijemirdum.

Very Contemporary

Very Contemporary

We waren in Middelburg, mijn vrouw en ik, voor een wat het weer betreft niet ideaal gepland weekendje weg. Hadden wij ons allicht verheugd op wandelingen over het strand, en door het Zeeuwse landschap, romantisch beschenen door een voorzichtig proberend eerste lentezonnetje, in werkelijkheid was het gewoon nog uitgebreid februari, waaide het ongenadig hard, was het snijdend koud en leek regen nooit ver weg. Vandaar Middelburg. Overdekte activiteiten. Ook niks mis mee.

Zo kwamen we bijvoorbeeld terecht in boekwinkel de Drukkerij, waar het warm en gezellig was. Waar het gonsde van de mensen op zoek naar een boek, waar de horeca het nauwelijks bij kon benen en waar op beschaafd volume live muziek werd gebracht door twee keurige jongemannen. Na ieder nummer klonk een nauwelijks hoorbaar applaus. De elpee, werd nog beleefd vermeld, was straks in de winkel verkrijgbaar.

Op ons gemak dwaalden wij langs de schijnbaar oneindige hoeveelheid boekenkasten, die als open cirkels over de ruimte waren uitgestrooid en zo een doolhof vormden van beschutte kamertjes die zeer tot genoeglijk neuzen en bladeren uitnodigden. We wisten onze hebzucht tot vier titels te beperken, waaronder Welkom bij de club, het debuut van Thomas van der Meer, vanwege zijn liefdevolle en fijnzinnige manier van schrijven mijn favoriete columnist in het Volkskrant Magazine. Eenmaal weer buiten bevond zich schuin aan de overkant van het plein de Vleeshal. Expositieruimte voor hedendaagse kunst. Wij zijn kunstminnende mensen en met de museumkaart in de hand, besloten wij, konden wij ons er sowieso geen buil aan vallen.

We werden ontvangen door twee vriendelijke medewerkers met een grote, witte V op hun t-shirt, die ons na het inchecken op het hart drukten vooral voorzichtig te zijn bij het kunstwerk dat in het midden stond opgesteld, omdat daar gebruik was gemaakt van glas. Wij beloofden voorzichtig te zijn, namen de bijbehorende beschrijving in ontvangst en betraden de expositie.

Nou, ik zal het maar meteen eerlijk en oneerbiedig zeggen, ik had aan één blik genoeg: dit werd niks. Er stond of hing ook bijna niks trouwens. We liepen binnen in een enorme zaal, een schitterende ruimte, met een hoog, fraai afgewerkt meervoudig gewelfd plafond, zwarte, natuurstenen plavuizen op de vloer, boogvormige nissen in de witte, gemetselde muren, spitsboogramen voor een kerkelijke lichtinval. Een stoere doch serene uitstraling. Nee, aan de ruimte lag het niet, die had beslist beter verdiend. Het was de kunst.

Tegen de verste wand werd op cinemascopeformaat een waarschijnlijk met een telefoon opgenomen filmpje van twee elkaar aantrekkende en afstotende handen afgespeeld, waarvan wij dachten dat het misschien nog wel leuk voor Sesamstraat was geweest, als er maar van die oogbollen op de vingers hadden gezeten. Vanwege het formaat leek dit even het enige geëxposeerde te zijn, maar links stonden wat verloren in de ruimte ook nog vier tv toestellen, met ieder een stoel ervoor, waarop je onder meer kon kijken naar een filmpje van iemand die tergend langzaam zijn of haar gulp opendeed waarachter dan een lichtgevend oog bleek te zitten, of zoiets. Rechts stond een diaprojector met een eeuwigdurende carrousel vol dia’s van tamelijk fletse tekeningen met veel nondescripte rode vlekken die zo klein werden geprojecteerd dat je ze feitelijk niet goed kon zien, wat dus misschien maar beter was.

In het midden van de ruimte dan het aangekondigde kunstwerk met glas. Een ruim tien meter lang spoor van in de vloertegels gegraveerde Duitse teksten, met aan weerszijden van iedere teksttegel een grijze straatklinker waarop dan inderdaad glas lag, dat de tekst als het ware op struikelhoogte overkapte. Het was niet zomaar een ruitje, nee, voor iedere teksttegel was een glasplaatje van naar schatting veertig bij veertig centimeter op een andere manier in verschillende stukken gesneden en neergelegd of gestapeld.

Het was precies het soort pretentieuze kunst waar ik vreselijke jeuk van in mijn nek krijg. Even bladeren in de beschrijving bevestigde mijn vermoeden: ellenlange abracadablabla verhalen met veel interessante nietszeggende termen en moeilijke, holle woorden. Geef mijn portie maar aan Fikkie, dacht ik. Maar dat had ik gedacht. Want toen ik mij omdraaide om te vertrekken stond daar de meneer met de V op zijn t-shirt. Ik schrok ervan en deinsde onwillekeurig wat achteruit. Pas op, zei mijn vrouw, en trok me aan mijn arm wat opzij, weg van de glasplaatjes. Thank you, zei de meneer met de V, met een minzaam knikje. Waarna hij uitlegde dat het een poem was, deze teksten in de vloer, een poem dat je tegel voor tegel kon lezen. En dat de tekst de meaning droeg, en de stukgesneden glasplaatjes de emotion representeerden. Bij het woord emotion hield hij zijn hoofd wat schuin en legde hij beide handen over elkaar op zijn hart. En mocht ons Duits misschien niet toereikend zijn, voorzag hij een mogelijke tegenwerping, er was een Nederlandse vertaling beschikbaar. Daar drukte hij mij die al in de hand. Thank you, zei ik, met een naar ik hoopte minzaam knikje. Verwachtingsvol bleef de meneer met de V echter staan. Waardoor mij, goed opgevoed als ik ben, geen andere mogelijkheid bleef dan de gang langs het gedicht alsnog te maken. Voorzichtig dat ik geen glasplaatjes stuk zou maken. Al was die behoefte er wel.

Voorproefje van de zelfkant

Voorproefje van de zelfkant

In een intieme huiskamersetting, voor een select publiek van genodigden, gaven wij op valentijnsdag een eerste voorproefje van ons op stapel staande theaterconcert. Wij, dat zijn De Neven. Muzikaal vriendenduo dat al jaren af en aan bestaat en nu de stoute schoenen maar eens heeft aangetrokken en het plaatselijk theater heeft afgehuurd voor een besloten theaterconcert, ter gelegenheid van een niet echt bestaand jubileum. Terwijl het zonnetje vrolijk door de ramen kwam, brachten wij voor het eerst het tweede gedeelte van het programma, waarin wij een korte rondleiding gaven door de brokkelige wereld van Tom Waits. Waar de zelfkant vaak de enige kant van de zaak is. Waar achter de donkere wolken niet altijd de zon schijnt. Een oord bevolkt door ploeteraars, zwoegers en sloebers. Eenzame zielen. Knierten en krepsers. Een wereld waar de rafelranden niet worden weggewerkt, maar hartstochtelijk bezongen. In het Nederlands, uiteraard. Met liefde vertaald.

Iets belangrijks

Iets belangrijks

Mijn kleinzoon, zeven jaar oud inmiddels, ging op voor zijn zwemdiploma A. En opa was uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Dat hoefde geen tweede keer gevraagd te worden want daar ben je opa voor, voor dat soort dingen. Je hoeft niet eerst twee jaar lang elke week naar het zwembad te fietsen, door weer en wind en hittegolf, om daar een uur lang in een oververhitte, overbevolkte galmbak je ziel in zaligheid te zitten bezitten, nee, je bent er alleen op het feestelijk moment suprême. Wanneer het feitelijk niet meer fout kan gaan. En dat ging het dan ook niet. Alle onderdelen werden in een straf tempo volgens de regels afgewerkt en uitgevoerd, er werd uitbundig gezwaaid, er werden foto’s en filmpjes gemaakt voor oma, die er niet bij kon zijn, en alles was nog ongeveer precies zoals ik het mij herinnerde van mijn eigen kinderen. Zoals ik het mij nog meende te herinneren van mijn eigen afzwemmen zelfs, vele, vele jaren geleden. De spanning, het bibberen, de galm van de badjuf. De enorme hoeveelheid koud, blauw water. De vertederende aanblik van al die bibberende kinderlijfjes, de ingespannen gezichtsuitdrukkingen, de toegewijde concentratie, de zoekende blik over de tribune van waar zitten ze en zien ze me wel. En natuurlijk het gezamenlijk aftellen van tien naar één bij het laatste onderdeel, het watertrappelen. Het juichen tot slot, dat iedereen het gehaald had. Ja, dat was mooi. Toen alles eenmaal achter de rug was, de kinderen allemaal weer afgedroogd en aangekleed, werd er verzameld in de hal voor de officiële diplomauitreiking. De kinderschaar zittend op de grond, in gespannen afwachting, in een wijde kring om de badjuffen van dienst, en daaromheen een dichte schare van vaders, moeders, opa’s en oma’s, broertjes en zusjes en andere belangstellenden, de meesten met de telefoon in de aanslag. Eén voor één werden de kinderen naar voren geroepen om hun diploma in ontvangst te nemen. Voor ieder kind klonk een applaus, ieder kind liep met een brede, trotse lach en blije, glimmende ogen naar het eigen publiek. Dat onmiddellijk de jassen aantrok, de tassen bij elkaar pakte en zich door de dichte schare belangstellenden naar achteren werkte, op weg naar de uitgang, de parkeerplaats, de gezinsauto. De schare belangstellenden werd gestadig minder dicht, het applaus werd allengs dunner en voor de laatste paar kinderen was alleen een karig restje publiek overgebleven. Wat maakt het uit, kun je zeggen. Zwemdiploma A, waar hebben we het over. Kun je zeggen. Maar ik denk dat het misschien wel iets belangrijks zegt. Iets waar we over na zouden moeten denken.

Alarm

Alarm

Op ons gemak dwaalden wij keuvelend en wel door de zalen van het Stedelijk Museum Alkmaar. Dat is altijd een fijne tijdsbesteding, dwalen door museumzalen. Zeker op een doordeweekse dag. Ook als er geen blockbusters hangen. Juist als er geen blockbusters hangen, beter gezegd. En die hingen er niet, in Alkmaar. Het was heerlijk rustig. In het kleinste zaaltje boven hingen schilderijen van Emo Verkerk, die we minstens een half uur geheel en al voor onszelf hadden. Er was de vaste verzameling Bergense School, die we deze keer maar eens oversloegen, dat wisten we nou wel eens een keer. We werden verrast door de eigenzinnige tekeningen van Marc Ruygrok en dompelden ons ten slotte onder in het in zwart wit gefotografeerde Alkmaar van vroeger, vergeefs op zoek naar een glimp van bakkerij Van Daalhoff, met wiens verre nazaat mijn gezelschap familiebanden onderhoudt. Het was de enige tentoonstelling waar het iets drukker was, nostalgie doet het altijd goed. Zo af en toe werd de algemene rust echter kort maar vrij hysterisch verstoord door een gillend alarm. In één van de andere zalen hing iets van een zwaard, of een sabel, of iets anders langwerpigs van grote archeologische waarde en dat werd beschermd met een alarm. Zodra iemand iets te ver naar voren boog om de details in zich op te nemen, gilde het door heel het museum. Dat hielp blijkbaar niet want het gebeurde met enige regelmaat. Nou goed. Het opvallendste daaraan, daarom vertel ik dit, was dat dit alarm, dit hysterisch gegil, vrij letterlijk het intro was van Crazy Horses, van The Osmond Brothers, uit 1972. Zo letterlijk, in mijn oren in elk geval, dat ik meteen de eerste keer dat ik het hoorde volkomen automatisch en precies op de tel met de bijbehorende bolle stem inviel met de juiste tekst: crazy horses. Waarna, om het kloppend te krijgen, het alarm weer had moeten klinken, wat natuurlijk niet gebeurde. Jammer eigenlijk. Jammer ook dat ik de enige was met deze Pavlov-achtige reactie. Het was toch leuk geweest wanneer na iedere gil van het alarm uit alle hoeken en zalen van het museum veelstemmig het crazy horses had geklonken. Bij wijze van flashmob of performance of zoiets. Overigens ben ik nooit fan geweest van The Osmond Brothers. Dat kwam vooral ook omdat alle meisjes er zo vurig mee weg liepen, in mijn jongensjaren, in plaats van met mij. Want oh oh oh wat waren dat toch een knappe jongens en oh oh oh wat konden ze toch goed dansen. Ik kon ze niet uitstaan. Tja. Niettemin loop ik nu dus wel alweer een paar dagen met Crazy Horses in mijn hoofd. Inclusief hysterisch gillend orgeltje, waarvan ik hier, ter afsluiting, graag een transcriptie had genoteerd, maar ik zou niet weten hoe. Het is niet anders.

Boomst

enter image description here

Er moest iets met een account. Een account dat ik nog niet had. Dat ik ook helemaal niet wilde hebben, maar dat ik nodig had om iets te regelen en dat kon alleen met een account. Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Toen ik het account met lange tanden had aangemaakt, en ik was ingelogd, met mijn zojuist verzonnen persoonlijk wachtwoord van minimaal acht tekens waarvan in elk geval twee cijfers, een kapitaal en één bijzonder teken, moesten er gegevens worden ingevoerd, voorkeuren aangegeven, hokjes aangevinkt, vragen beantwoord, doopcelen gelicht en moesten er documenten alsmede een naar waarheid ingevuld en ondertekend formulier worden geüpload. Na het mopperend maar succesvol doorlopen van al deze stappen lukte het mij nog altijd niet te regelen wat ik te regelen had. Radeloos klikte ik in het rond op de site, van het ene venster naar het andere menu maar wat ik ook probeerde, wat ik zocht was niet te vinden, wat ik vond niet wat ik zocht. Wat ik wilde regelen viel nergens te regelen. Vandaar dat ik besloot de klantenservice er maar eens bij te halen. Telefonisch. Op hoop van zegen. Ik had mij voorbereid op een doolhof van keuzemenu’s vol ontmoedigende boodschappen, afwerende afleidingsmanoeuvres en hersendodende ai muzak, maar dat viel mee. Vrijwel onmiddellijk had ik een vriendelijke mevrouw aan de lijn die vroeg wat ze voor me kon doen. Ik legde haar mijn probleem voor, verontschuldigde mij voor het feit dat ik blijkbaar een boomer was dat het mij digitaal niet lukte, en in plaats van mij door te verbinden naar een collega van een andere afdeling aan wie het ik hele verhaal dan opnieuw uit de doeken zou moeten doen, bood zij aan de stappen samen met mij te doorlopen om te zien of het dan wel lukte, hoewel zij, naar eigen zeggen, ook zeker een boomer was. We waren allebei blij dat we elkaar aan de lijn hadden, als mensen van vlees en bloed onder elkaar. Om te beginnen, stelde de mevrouw voor, moest ik uitloggen van mijn account en opnieuw inloggen, zodat we samen vanaf het begin konden beginnen. Ik deed wat me gevraagd werd, logde uit en weer in, mij alweer verontschuldigend dat het zo langzaam ging omdat ik immers met maar één hand mijn gebruikersnaam en wachtwoord in moest voeren, wat vooral bij de kapitaal en het bijzondere teken lastig uitpakte, maar de mevrouw was één en al begrip. Nu zou ik, legde ze uit, ter controle een sms code krijgen opgestuurd die ik dan in het inmiddels verschenen controlevenster moest invullen. Dat ik dan wel even mijn telefoon erbij moest pakken, antwoordde ik en reikte naar de plek waar die normaalgesproken ligt, naast de laptop. Waar hij nu niet lag. Ik keek achter me in de kast waar hij ook vaak ligt, maar nee. Lag hij dan nog in de keuken op het aanrecht? Op het bijzettafeltje bij de bank? Boven op mijn bureau? Op de wc? Op het nachtkastje bij het bed? Steeds paniekeriger rende ik door het huis, op zoek naar mijn telefoon, mij ten derde male verontschuldigend voor alle tijd die ik op deze manier in beslag nam. Voor mijn gevoel duurde het een half uur, drie kwartier voor de vreselijke waarheid tot mij doordrong: ik had mijn telefoon in mijn hand. Aan mijn oor. Ik liep er zenuwachtig in te piepen dat ik mijn telefoon niet kon vinden, dat ik er niks van snapte sorrysorrysorry en dat ik misschien beter straks even terug kon bellen. De mevrouw kon er hartelijk om lachen toen ik haar schutterig bekende hoe de vork in de steel zat, ze vond het helemaal niet erg. Ze vond het zelfs, voegde ze er aan toe, wel leuk te kunnen opmerken dat ik toch wel echt een stuk erger een boomer was dan zijzelf. Een overwinning die ik haar van harte gunde, want toen ik eenmaal had uitgevonden hoe ik de sms code terug kon vinden op mijn telefoon zonder de verbinding te verbreken, was wat ik te regelen had inderdaad zo geregeld.

Boetjes en bouwsels

Boetjes en bouwsels

Van ons land wordt nog wel eens gedacht, wordt nog wel eens beweerd, verondersteld, dat het zo'n aangeharkt landje is. Zo keurig en proper aangeveegd binnen de lijntjes. Maar sinds ik ben gaan wandelen zijn ze me opgevallen. De verwaarloosde, half vergeten, afgeragde en uitgeleefde boetjes en bouwsels. Rabbige soms half ingestorte schuren en keten. Aan hun lot en de elementen overgelaten. Niks keurigs aan, en daarom des te mooier. Ze staan overal en nergens en ik hou van ze. Ik ben ze gaan verzamelen in de fotorubriek Boetjes En Bouwsels.

GeenKunst

GeenKunst

Een beginnersfoutje was het eigenlijk. Zo begon het. Zo ontstond het idee. In de beeldentuin van het Kröller Müller Museum nota bene. Ik was in mijn eentje op fietstocht door Nederland. Langs beeldenparken, -tuinen, -bossen en -routes. Ik zat op de kunstacademie en stond aan het begin van een nieuwe levensfase. Ik was op zoek naar mezelf, een doel, iets anders. Ik stond open voor van alles. En zo liep ik in de beeldentuin van Kröller Müller belangstellend rondjes om een manshoge, vierkante sculptuur van geribbeld kiezelbeton waar een soort metalen roosters in verwerkt waren. Trachtte zijn zeggingskracht te doorgronden. Haar zijn te absorberen. Tot ik ontdekte dat er geen bordje bij stond, zoals bij de andere sculpturen. Dat ik ook een beetje van het pad was afgedwaald. En daarna dat het dus ook helemaal geen sculptuur was, maar de ontluchting van de kelders van het museum, of zoiets. Een tikkeltje gênant natuurlijk, zeker ook voor een kunstacademiestudent, maar gelukkig had niemand het gezien. Behalve ikzelf. Oók gelukkig, want daar was meteen het idee. Ik had hier iets dat niet als kunst bedoeld was, toch als zodanig staan bekijken. En waarderen. En dat maakte dus pas iets uit toen ik ontdekte dat er geen bordje naast stond. Een interessante kwestie. Wat zei dat over mij? Wat zei dat over kunst? Ik had geen idee, maar besloot er een thema van te maken. Jaren geleden is dit allemaal. 1991, om precies te zijn. En sindsdien ben ik het tegen blijven komen, op mijn pad. Het is geen kunst, maar zou het net zo goed wel kunnen zijn. Het is maar net hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien. Ik noem het GeenKunst. Bekijk eventueel de nog immer groeiende catalogus van de verzameling. Bovenstaande installatie heeft als titel: Een zee van tranen.

Het uilskuiken

Het uilskuiken

Het is veel te koud om naar mijn werkplaats te gaan, deze dagen. Deze weken. Wat jammer is, want zo komt er niks uit mijn handen. Dat wil zeggen, niet op het gebied van de beeldende kunsten. De knutselarij. Om alvast in de stemming te komen voor de betere tijden, die er natuurlijk ook weer aankomen, haal ik dan maar even een oudje uit het stof. Met authentiek onscherpe foto. Een tijdlang maakte ik dit soort kleine kastjes, van restjes hout en gevonden voorwerpen. Meestal zette ik er dan zo'n opwind-muziekwerkje in, waardoor het een aardig cadeau voor de kinderkamer werd. Het waren de dagen dat er nogal veel kinderen geboren werden, om ons heen. Kinderen die inmiddels allemaal alweer groot en uitgevlogen zijn. Vaak maakte ik er ook nog een gedichtje bij. Dit muziekkastje heet Het Uilskuiken. Het bijbehorende gedichtje:

Het doet de uil/ met al zijn wijsheid/ toch een beetje pijn/ het onvermijdelijk te weten/ dat zijn kinderen/ uilskuikens zijn/

It was twenty years ago today

It was twenty years ago today

Speurend in de archieven, op zoek naar materiaal om deze site mee te vullen, deze poging tot overzicht, kom ik ook dingen tegen die ik eigenlijk al wel weer een beetje vergeten was. Zoals deze barokke koning. De koning zonder kroon. Een voorstelling met de Theaterwerkplaats Alkmaar, naar schatting in 2006. It was twenty years ago today, zogezegd. Het was een bewerking van het gelijknamig kinderboek van Marianne Busser en Ron Schröder. Ik moet er wel bij zeggen dat ik daar nu, jaren later, pas achter kom, sorry daarvoor. Waar ik dan trouwens wel ook meteen achter kom, is dat de titel inmiddels ook gekaapt is door Levina van Teunenbroek, die het zonder gêne toevoegde aan haar serie titels met zonder erin. Enfin, beter goed gejat dan slecht verzonnen, luidt het cliché.

Dierbaren

Dierbaren

Met vriendin en collega Conny bezocht ik het Stedelijk Museum Alkmaar, waar zij nog nooit geweest was. Dat was op zichzelf al een goede reden om eens te gaan. We kwamen vooral voor de tentoonstelling Dierbaren, van Emo Verkerk. Wat een zeer bescheiden tentoonstelling bleek te zijn, in een zeer bescheiden bovenzaaltje. Maar reuze sympathiek. Woorden die op Emo Verkerk misschien ook wel van toepassing zouden kunnen zijn, maar dat weten we niet want we kennen hem niet persoonlijk. Zijn werk oogt in elk geval erg vriendelijk en liefdevol. Vrolijk. Precies wat we nodig hebben in deze bange tijden. Allebei verlieten we het zaaltje met de wens zó te kunnen schilderen. Waarmee we niet bedoelden hoe razend knap en Rembrandtesk het allemaal was, maar veel meer het zorgeloze, het vrije, en het lak hebben aan perfectie. Nog te zien t/m 8 februari van dit jaar.

Smeekbede

Smeekbede

Al struinend in de digitale archieven, op zoek naar materiaal om met dit nieuwe blog een soort van overzicht te geven van wat ik dan nog meer doe, behalve de was en de afwas en de bedden opmaken, ter vervanging van de website die ik daar eerder voor had maar die binnenkort door omstandigheden uit de lucht gaat, kwam ik ook deze tegen. Een samenwerkingsprojekt met Conny Kruithof, die de tekeningen maakte. Ik schreef de verzen en deed de grafische vormgeving. Leek me voor vandaag de dag wel toepasselijk.