Een onverwachte wending

Een onverwachte wending

We waren nog niet binnen, we hadden onze tassen nog niet in een kluisje geborgen, de stickertjes nog niet zichtbaar op onze kleding geplakt of een meneer met een naambadge, een kunstzinnige, vierkante bril en lang, grijs haar stoof op ons af met de vraag of wij aan de waterceremonie mee wilden doen. Dat kon nog net, vertelde hij erbij, we waren nét op tijd. Van enthousiasme wapperde zijn lange haar, dat zich voornamelijk aan de zij- en achterkant van zijn hoofd bevond.
Met onze jongste zoon, die ons een dagje bezocht op het vakantieadres, waren wij in het Van Abbemuseum. Voor de kunst. En een waterceremonie.. ja.. klonk dat niet een beetje zweverig? Een beetje vaag mediteerderig? Een beetje modern ibiza-zen-spiritueel? Aarzelend keken we elkaar eens aan, elkaars gedachten hierover peilend zonder de enthousiaste meneer te laten merken dat we daar nou misschien niet per se op zaten te wachten, op een waterceremonie.
Maar de meneer was al een stap verder en liep druk gebarend voor ons uit dat hij ons erheen zou brengen en dat we dan ter plekke konden besluiten te ja ofte nee. Gehoorzaam volgden wij hem naar een zaaltje waar de waterceremonie plaats zou vinden. Met enig aplomb dirigeerde hij ons naar binnen. De mevrouw die de ceremonie leidde was al begonnen met haar inleiding. Een klein maar zeer divers samengesteld groepje belangstellenden stond afwachtend om een lage, ronde tafel. Ieder had een diepe, witte schaal voor zich staan, twee glaasjes water en een schoteltje met een penseel en drie kleine blokjes verf. Waterverf. Rood, geel en blauw. The usual suspects. In het midden van de tafel stond een vaas met witte bloemen. Er waren nog vier schalen onbemand.
Er viel een korte stilte.
De enthousiaste meneer kondigde ons aan als belangstellenden. De mevrouw die de ceremonie leidde sputterde voorzichtig dat wij geen blauwe stickertjes droegen. Alle leden van het kleine groepje hadden een blauw stickertje op hun kleding. Naast het paarse van het museum. Met een breed wegwerpgebaar bepaalde de enthousiaste meneer dat deze mensen, wij dus, gewoon zonder blauw stickertje mee konden doen.
Tja, toen konden we er natuurlijk niet meer onderuit.
Lichtelijk bedremmeld zochten we ieder een plekje achter een nog onbezette schaal en de mevrouw die de ceremonie leidde begon dan maar opnieuw met haar verhaal.
De bedoeling van dit kunstwerk - want het was een kunstwerk, door de kunstenaar aan het museum geschonken - was dat we met het penseel telkens wat verf in de met water gevulde schaal zouden brengen en dan zouden beleven, ervaren, ondergaan wat er gebeurde. Het was zeker niet de bedoeling, benadrukte de mevrouw, te proberen iets moois te maken. Het ging om het experiment. De ervaring stond voorop. We zouden hier een klein uurtje mee bezig zijn.
Bij die laatste woorden wisselden mijn zoon en ik een korte blik uit. Van verstandhouding. We dachten hetzelfde. Het is moeilijk te zeggen wat. Een klein uur klonk behoorlijk lang.
Hier neemt het verhaal de onverwachte wending uit de titel.
Haakten de eerste twee ceremonianten al na tien minuten verveeld af, bleven er na misschien twintig minuten nog slechts vier over, waaronder dus wij drie, uiteindelijk was ik de laatste die nog geconcentreerd verf in water stond te brengen en stond te ervaren wat er gebeurde. Ik zal niet beweren dat ik mijn schaal tenslotte met tegenzin verliet, achter mijn gezin aan de kunst tegemoet, dat nou ook weer niet, maar blijkbaar zit er toch meer zen in mij dan ik wist.

Feit

Feit

In een dappere poging de ergste warmte voor te zijn waren we vroeg opgestaan om vandaag nou toch maar eens een wandeling te maken. We zijn verdorie al vier dagen op vakantie en het aangenaam koele huis nog maar nauwelijks uit geweest, je kunt al eens genoeg krijgen van die eeuwige hitte. Dat we er vanochtend pas achter kwamen dat het vandaag weer eens de warmste dag van de week zou zijn was dom van ons, en digibeet, maar veranderde de plannen niet echt. Je kunt ook al eens genoeg krijgen van al teveel in huis rondlummelen, aangenaam koel of niet. Het werd alleen een wat korter wandelingetje. Een proefrondje. In de hoop dat het verderop in de vakantie wat minder warm zou worden, voor het echte werk.
We zochten een rondje uit waarbij we zoveel mogelijk onder de bomen konden blijven. Het bos om ons heen zuchtte duidelijk zichtbaar onder de droogte. Lijsterbes en sporkehout hingen er sowieso moedeloos en uitgedroogd bij, ook andere bomen lieten de boel wat slapjes hangen, veel bermen waren bruin en dood. Niettemin zagen we her en der de bekende achteloos weggegooide sigarettenfilters en peuken liggen.
Tja. Je zou je er natuurlijk aan kunnen ergeren, je zou je er zelfs kwaad over kunnen maken, helpen doet het niet. En het verpest je toch al warme wandelingetje. De domme desinteresse is hoogstwaarschijnlijk onuitroeibaar.
's Middags lazen we dat de eerste grote natuurbrand in Nederland inmiddels ook een feit is geworden.

Oude liefde roest niet

Oude liefde roest niet

In een ver verleden bezocht ik de Vrije Academie in Den Haag, waar ik al snel verliefd werd op de grafische technieken. Vele gelukkige uren bracht ik door boven etsplaat en lithosteen. De magie van de uit het diepe zwart opdoemende drogenaald. Het wonder van de langzaam uit het niets terugkerende tekening op de steen. De spanning bij het lichten van het papier, de blijdschap bij een geslaagde afdruk. Het weerbarstige ambacht en het geluksgevoel dat te beheersen. Van schuchtere deelnemer ontwikkelde ik mij tot werkplaats-assistent en veelbelovend jong talent. Mijn werk hing in exposities en werd genoemd in recensies. Nou ja, in één recensie, maar niettemin was er de overtuiging dat ik kunstenaar zou worden. Dat ik kunstenaar was misschien zelfs. Ach ja. Het liep anders en er kwam van alles tussen waar ik ook niet ontevreden over ben.
Deze vakantie namen wij een drukpersje mee naar het vakantieadres. Ik had het al jaren in de werkplaats staan zonder er ooit iets anders mee te doen dan vage plannen maken. Nu moest het er maar eens van komen. Eerdere jaren hadden we ons al geïnspireerd overgegeven aan de cyanotype, dit jaar werd het de tetradruk, een soort armeluisversie van de drogenaald ets. Jong en veelbelovend ben ik allang niet meer, maar verliefd bleek ik nog steeds te zijn.

Enfin

Enfin

Zoals ieder jaar bezoeken wij op het vaste vakantieadres de kringloopwinkel. En zoals altijd, of in elk geval toch meestal, duik ik dan als eerste de boekenhoek in. Zeker op vakantie kun je niet genoeg boeken hebben. Op het vaste vakantieadres staan de boeken in de kringloopwinkel bovendien alfabetisch gesorteerd, iets dat niet altijd en overal het geval is, wat het plezier dan behoorlijk kan vergallen. Maar hier dus niet. Hier kon ik op mijn gemak mijn favoriete letters af. De B, de S, de V en daarna de rest.
Wat mij bij mijn ongerichte zoektochten vaak opvalt is dat sommige schrijvers in bijna alle kringloopwinkels oververtegenwoordigd zijn. Isabel Allende bijvoorbeeld. Ook hier is weer haar volledige oeuvre voor een habbekrats in tweevoud te verkrijgen. Maar ook Nederlandse grootheden als Kluun, Giphart, Grunberg of de vreselijke Youp van t Hek nemen zelfvoldaan hun ruimte in. Ik vraag me dan altijd af of dat betekent dat dit de betere schrijvers zijn, waar zoveel boeken van gekocht worden en in omloop zijn, of juist het lagere echelon, dat blijkbaar niemand voor herlezing in de boekenkast wil houden. Hoe het ook zij, ik vind nooit iets van mezelf, bij de V.
Enfin.
Achter mij hoor ik dan een rokerige vrouwenstem verkondigen dat ze ‘dit een heel mooi boek vindt’. Het is vrij goed te verstaan maar ik ga er veiligheidshalve vanuit dat ze het niet tegen mij heeft. Of ze het tegen iemand anders heeft kan ik ook niet uitmaken omdat het zich achter mijn rug afspeelt. Ik sta bij de C. De vrouw herhaalt nog maar eens dat ze dit echt een heel mooi boek vindt. Echt heel mooi. Dat dit het enige boek is dat ze opnieuw wil lezen. Het enige. Zo mooi. Inmiddels heeft ze de boekenkast gerond en staat ze tegenover me, aan de andere kant van de kast. Tussen de boekenplanken door kan ik haar zien. Het zal aan mij liggen maar ze maakt op mij niet meteen de indruk van een lezer, hoewel ze dus, net als ik, de planken afspeurt. Nogmaals, het zal aan mij liggen.
Goed, ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vraag haar, tussen de planken door, welk boek nou zo’n indruk op haar heeft gemaakt. Ik zal niet ontkennen dat ik bepaalde verwachtingen heb die ik niet direct concreet kan maken maar die ik wel graag bevestigd zou zien.
400 brieven van mijn moeder, houdt de vrouw meteen het boek omhoog en improviseert ter plekke welwillend een samenvatting van het boek, dat gaat over een in Nederland geboren Marokkaanse jongen die buiten zijn schuld in een Marokkaanse gevangenis belandt en zich tijdens zijn hardvochtig verblijf op de been weet gehouden met de 400 brieven die hij van zijn moeder ontvangt. Niet wat ik verwacht had. Zeker niet. Ik had het boek zojuist zien liggen maar pas nu was mijn belangstelling gewekt. Zei ik ook tegen de mevrouw. Te laat, reageerde zij tevreden, want zij nam het mee naar huis. Ik hield het noodgedwongen bij een bundeltje van Martin Bril.
Enfin, het is vakantie.

Eerbetoon

Eerbetoon

Wil je een banaan? Een buurman stond in de roldeuropening van de garagebox die tegenwoordig niet onverdienstelijk dienst doet als mijn werkplaats. Mijn atelier. Dat ik lekker bezig was, constateerde hij eerst nog, niet onterecht, hoewel hij het ook als knutselvreugd betitelde, wat misschien wel weer een beetje mijn eigen schuld is omdat ik mij altijd wat relativerend pleeg uit te drukken over wat ik nou eigenlijk aan het doen ben allemaal, dus vooruit, buurman bedoelde het goed. En, zag ik, hij had inderdaad twee bananen in zijn hand. Of ik er een wilde, vroeg hij dus.
Voor in mijn oor, antwoordde ik gevat. De krant had de afgelopen twee dagen immers volgestaan met het plotseling heengaan van Ernie. Het leek mij wel een aardig, spontaan eerbetoon. Maar het was aan buurman niet besteed, mijn eerbetoon. Hij keek mij niet begrijpend aan. Een glazige blik was mijn deel.
Nu had ik natuurlijk kunnen uitleggen dat het tegen de krokodillen was, maar ik vond eigenlijk meteen dat je sommige dingen niet uit moet leggen. Niet uit moet hoeven leggen ook trouwens. En een eerbetoon al helemaal niet. Ik lulde er dus maar overheen, we maakten er een vriendelijk praatje van en werkten gezamenlijk toe naar het afrondend fijne avond en tot ziens.
Maar wil je nou een banaan, vroeg buurman tot slot, voor de zekerheid, vlak voor hij mijn deuropening verliet, en stak zijn bananen omhoog. Ze zijn lekker, en ze moeten op, voegde hij er nog aan toe.
Zo stond ik dan opeens met een banaan. Tja. Ik deed ‘m toch maar even in mijn oor. Als eerbetoon. Geen krokodil te zien.

Eén dag beroemd

Eén dag beroemd

Afgelopen zaterdag speelden wij - op veler verzoek, kan ik er best eens onbescheiden aan toevoegen - de reprise van onze voorstelling Een Avond Met De Neven. Toch ook wel tot onze bescheiden verbazing opnieuw voor een volle theaterzaal. Met een staande ovatie na afloop, plus een toegift. Een enthousiast, aandachtig, soms ontroerd publiek. Warme complimenten en welgemeende loftuitingen in de kleedkamer en de foyer. Lieve berichtjes op de telefoon. Opnieuw verzoeken om een reprise. Eén dag beroemd.
Maar ja..
Vandaag hangen de overhemden die dienst deden als kostuum alweer gewassen aan de lijn. Klaar voor dagelijks gebruik. En in de supermarkt was er ook geen hond die me herkende, achter m'n karretje.

Weerzien

Weerzien

Op een tropisch warme Pinksterdag maakte ik een wandeling door het Roekelsche Bos en langs het Mosselse Zand. Dat is inmiddels wel bijna een jaarlijkse traditie te noemen, hoewel het zeker niet ieder jaar zo tropisch uitpakt als deze keer. Ook vaste prik daarbij is een bezoekje aan de Kolonie van Adri Verhoeven, ik week er dit jaar speciaal wat voor van de route af. In de loop van de tijd ben ik gehecht geraakt aan deze verzameling stenen. Zacht glanzend liggen ze in de bosrand, als met achteloze hand gestrooid. Onverstoorbaar. De gedachte dat ze daar altijd liggen, geduldig wachtend op een volgend bezoek, voelt als geruststellend, troostrijk, op een of andere manier.
Vorig jaar schreef ik een stukje over deze stenen en hun maker, in de rubriek Kunst Onderweg op mijn wandelweblog.

Een middag met De Neven

Een middag met De Neven

Wij leerden elkaar kennen als schoolreisvaders, op de basisschool van onze jongens. Die waren toen nog klein. We hebben het over zeventien jaar geleden, minstens. Ik had, om erger te voorkomen, het schoolreislied geschreven, op melodie van The Bare Necessities, het Berenlied van Baloe, uit Disney's Junglebook. Het heette Leve De Prehistorie en het ging over de prehistorie, want dat was het thema van de schoolreis, de prehistorie. Maarten bood aan daar piano bij te spelen en de rest, zoals dat heet, is geschiedenis. We oefenden dat een paar keer, het klikte en het smaakte naar meer en zo ontstond een vriendschap en een duo: De Neven. Uit mijn rijke kindertheaterverleden had ik nog een ruime voorraad liedjes liggen waar we voorlopig mee vooruit konden.
Zo speelden we kleine huiskamerconcertjes op de verjaardagsfeestjes van de jongens, onze eigen jubilea, feesten en partijen, benefietjes op de fancy fair van hun basisschool en bij andere bescheiden gelegenheden. In de loop van de tijd kwamen er nieuwe liedjes bij, vertalingen van uiteenlopend repertoire en in een overmoedige bui besloot ik het accordeon er maar weer eens bij te pakken. Er vielen regelmatig maandenlange pauzes waarin er niets gebeurde behalve allerlei andere dingen, maar we bleven altijd bestaan en vonden elkaar steeds weer terug. Het bleef altijd jeuken, op onze rug.
Vorig jaar besloten we dan de stoute schoenen aan te trekken, het plaatselijk theater af te huren en ons voor te bereiden op een serieus theaterconcert. We selecteerden uit ons inmiddels omvangrijk repertoire, stelden een rigide repetitieschema op, hielden ons daaraan, namen zanglessen, schreven tussenliggende dialogen, repeteerden zeven maanden lang, rommelden een decor bij elkaar en nodigden meer dan honderd mensen uit te komen kijken.
Afgelopen zaterdag was de grote dag. We speelden onze voorstelling in het warme bad van een bomvolle zaal. Met applaus en complimentendouche na afloop. Een onvergetelijke ervaring. Een droom. Een kroon op ons werk, een kroon op onze vriendschap.

Goeie koffie!

Goeie koffie!

De bel gaat. Het is vroeg in de ochtend. Ik sta me net boven in mijn klusbroek te hijsen, voor een nieuwe arbeidzame dag, dus erg handig komt het niet uit, maar goed. Haastig mijn broek optrekkend en mijn gulp dichtknopend hots en bots ik op sokken de trap af om de deur open te doen voor, ja, jezus, hoogstwaarschijnlijk Jehova’s Getuigen natuurlijk, maar dat bedenk ik dan weer net te laat want nu is de deur al open.
De mevrouw die kennelijk had aangebeld was al halverwege het tuinpad weer af, maar nu ze de deur open hoort gaan keert ze schielijk terug. Het is een al wat oudere mevrouw. Nogal klein van stuk. Een indruk die nog eens versterkt wordt doordat ze zo’n twintig centimeter lager staat dan ik, op het tuinpad. Ik toren boven haar uit, in mijn voordeur, op mijn stoepje. Ze draagt een gewatteerde winterjas, een diep over haar oren getrokken grof gebreide wollen muts en een bril met zelfkleurende glazen. Vooral dat laatste geeft haar een in mijn ogen wat louche uitstraling.
Ze rommelt wat in haar tasje, zo’n oranje nylon tasje dat je heel klein kunt opvouwen zodat je altijd een tasje bij je kunt hebben, in je tas, en zonder verdere inleiding of zelfs maar begroeting vraagt ze of ik een pak koffie wil kopen. Ik zeg vragen, maar ik hoor niet echt een vraagteken. Ter illustratie houdt ze ook een pondspak koffie omhoog dat ze met enige moeite uit haar tasje tevoorschijn heeft geworsteld, maar uitnodigend zou ik dat gebaar niet willen noemen. Het is Douwe Egberts, verklaart ze nog, op een toon alsof er nu toch echt geen ontkomen meer aan is. Alsof ik nu wel gek zou zijn dit schitterend aanbod af te wijzen. Douwe Egberts! Stel je voor! Goeie koffie, dringt ze verder aan en steekt het pak nog maar eens wat hoger. De opbrengst, komt er dan terloops toch iets van een verklaring, is voor álle sportverenigingen van de stad. Ik kijk even naar haar jas, of ik iets van een button of een badge of een logo gemist heb, of zo’n keycord met een id-kaart eraan, maar nee. Ook het oranje tasje levert geen verder aanknopingspunt. Het is blijkbaar een particulier initiatief.
Normaalgesproken ben ik met een natte vinger en een lieve glimlach al te lijmen om weer eens donateur van iets liefdadigs en goedbedoelends te worden, maar hier heb ik al meteen helemaal geen zin in. Dat ik eigenlijk net koffie heb gekocht, pareer ik dus de aanval, zo gedecideerd mogelijk. Maar zo gemakkelijk kom ik niet van haar af. Dat had ik gedacht. Dat een extra pak koffie geen kwaad kan, klinkt het bijna verontwaardigd over zo’n slap excuus. Douwe Egberts!, benadrukt ze nog maar eens. Goeie koffie! En dat ze ervan af wil want ze is bijna door haar voorraad heen en ze heeft het wel gehad, ze wil naar huis. Ronduit chagrijnig klinkt het nu. Verwijtend. Ik ben een heel vervelende, lastige klant, dat mag ik gerust weten. Zestien euro, noemt ze dan haar prijs, zestien euro, dat is goedkoper dan in de winkel. Zestien euro?!, roep ik verbaasd, voor een pak koffie?! Het schalt over straat. Ja, nee, schampert de mevrouw over zoveel onbegrip, zestien euro, dat is natuurlijk voor twee pakken, en ze staat alweer in haar tasje te graaien, waar zo te zien inderdaad nog een pak in zit. Ze heeft namelijk nog maar twee pakken en als ik die nou koop, is zij er van af en kan ze naar huis. Het is duidelijk dat haar geduld op begint te raken.
Het mijne zit ook op het randje, maar in plaats van een hardvochtig en duidelijk ‘nee’ kies ik als doorgewinterd conflictvermijder toch weer voor een beleefde uitvlucht. Dat ik helaas geen contant geld in huis heb. Ik weet bijna zeker dat de mevrouw geen pinautomaat bij zich heeft, of een andere digitale oplossing, dus ik ga er vanuit dat het nu klaar is. Maar de mevrouw weet kennelijk heus wel dat ik op aandringen van de overheid een envelopje met bankbiljetten in de keukenla heb liggen en duldt verder geen tegenspraak meer. Nogmaals, ze heeft het gehad en wil naar huis. Dat ze kan wisselen, klinkt het nors. Ik ben door mijn tekst heen. Er valt een korte stilte waarin ik koortsachtig probeer te begrijpen wat hier gebeurt. Dan haalt de mevrouw haar schouders op en stopt het pak koffie terug in haar tasje. Dan houdt het op, concludeert ze bars. Dan moet ik het zelf maar weten. Mokkend loopt ze het tuinpad af.