Na een uitgebreid bezoek aan het museum streken wij neer op een lommerrijk beschaduwd terras in de oververhitte stad, onze jongste zoon, mijn vrouw en ik. Ondanks het links maar vooral rechts wel eens gehoorde geweeklaag over hoe slecht het wel niet gaat met ons land zaten de terrassen bomvol, op een doordeweekse middag, en waren het bier, de witte wijntjes en de bitterballen niet aan te slepen. Zelf zaten we ook aan het bier, inderdaad, zeker, niets menselijks is ons vreemd, al hadden we geen bitterballen. We keuvelden wat over de tentoonstellingen die we net gezien hadden, de warmte, de wereld, vroeger, de verdere plannen voor de vakantie en nog zo het één en ander.
Eén tafeltje verder zaten een man en een vrouw met een meisje van een jaar of acht, negen. Zo op het oog dus een jong gezin op een uitje, al klopten de onderlinge leeftijden niet helemaal. De vrouw leek te oud voor de man, de man leek te jong voor het kind, maar je weet niet hoe zulke dingen zitten. Wat het in elk geval wel tot een modern jong gezin maakte, was dat ze alle drie zeer verdiept waren in hun eigen scherm. De man verveeld onderuitgezakt scrollend in zijn stoel, zijn telefoon rechtop op zijn buik; de vrouw, gedurig opgaand in de zoetgeurende dampen van haar vape, diep voorovergebogen over haar telefoon die plat op tafel lag; het meisje gehypnotiseerd weggedoken achter opgetrokken knieën in haar stoel met een groot uitgevallen tablet tegen haar benen geleund en een enorme koptelefoon over haar oren. Het was alles bij elkaar een treurigmakend, weinig hoopvol tafereel.
Is dit een scherpe, opvallend goede en originele observatie?
Nee, natuurlijk niet. Dat is juist het erge.
Een weinig hoopvol tafereel