Het mededogen

Het mededogen

Nog altijd bezoek ik wekelijks mijn steeds ouder wordende schoonvader. Zeker tien jaar geleden, mijn schoonmoeder leefde toen ook nog, begon ik daarmee. Vanuit een soort gedeeld familie-verantwoordelijkheidsgevoel. Een beetje als gezelschap, een beetje met het idee dat ik ze dan kon helpen met klusjes en karweitjes, maar vooral ook om te voorkomen dat ze voor die klusjes en karweitjes zelf nog op wankele trappetjes, laddertjes en krukjes zouden klimmen.
Als er geen klusjes waren, en dat was eigenlijk al vrij snel iedere week het geval, ging ik, als het weer het maar een beetje toeliet, op pad met mijn schoonmoeder. Fietstochtjes door het bos, de duinen, de polder of naar het strand. Mijn schoonvader ondernam dat soort dingen allang niet meer met haar, dus zo kwam ze dan toch nog eens ergens. We haalden een visje of aten een ijsje of dronken koffie op een terras. Toen fietsen een probleem ging worden werden dat wandelingetjes. Steeds korter wordende wandelingetjes. Met steeds meer dezelfde gesprekjes onderweg. Maar altijd genoot ze ervan en altijd hadden we samen plezier. Mijn schoonvader wilde nooit mee. Hoewel we het hem altijd vroegen. Allicht vond hij het wel best om even een uurtje alleen thuis te zitten, maar dat was toch niet het enige. Als het niet strikt noodzakelijk was kwam hij zijn stoel liever niet meer uit.
Nadat mijn schoonmoeder was overleden werden mijn wekelijkse bezoekjes automatisch bezoekjes aan alleen mijn oude schoonvader. Ik zal niet ontkennen dat dat me niet altijd meeviel. Nog altijd was mijn schoonvader nergens voor te porren, was hij bij zelfs het mooiste weer maar moeilijk in zijn rolstoel te krijgen voor een frisse neus of een ommetje. Mijn pogingen iets van een onbekommerd gesprek op gang te krijgen beantwoordde hij over het algemeen met mopperen op de afstandsbediening en klagen over het feit dat hij geen auto meer mocht rijden. Zo werden mijn wekelijkse bezoekjes een steeds langere en slepender zit. Plezier leek hij er niet aan te ontlenen, aan mijn plichtsgetrouw verschijnen. Noch aan de wandelingetjes die ik vaak tegen wil en dank toch met hem maakte.
Nu hij tegen zijn zin in een verzorgingshuis woont is dat er niet beter op geworden. Hoewel ik mijn best doe vind ik het vaak moeilijk de eenzame en verwarde man die hij natuurlijk ook is te zien. Mijn mededogen met de bange, oude man die het allemaal niet meer begrijpt moet soms van ver komen. Maar vandaag werd ik daar een handje mee geholpen. We hadden beneden in het restaurant een kop soep gegeten, en een broodje kroket, zo goed en zo kwaad als dat ging, en ik bracht mijn schoonvader terug naar zijn afdeling, waar zijn medebewoners juist in de huiskamer waren aangeschoven voor de lunch. Hoewel hij zelf dus net geluncht had vroeg ik hem of hij ook in de huiskamer wilde zitten, voor het gezelschap, of naar zijn eigen kamer gebracht wilde worden. Voordat hij de kans kreeg daar een antwoord op te geven klonk uit de huiskamer een snerpend driestemmig: ā€˜naar z’n eigen kamer!’. Aan de dichtstbijzijnde tafel zaten drie hoogbejaarde feeksen, met blikken die konden doden en hooghartige wegwerpgebaren. Ja, toen wilde het mededogen wel even komen.


Auteur: Jos van Venrooij

Schrijver, blogger, beeldend knutselaar, theatermaker