Rook vrij

Rook vrij

Bij ons om de hoek staat een school. Een middelbare school. Voor havo en vmbo. Niet een bijzonder grote school, geen leerfabriek voor honderden leerlingen, maar ook geen onbeduidend dorpsschooltje. Gewoon een school. Een verzameling lokalen, een gymzaal, een kantine en een hal, een schoolplein en een fietsenstalling voor de elektrische fietsen. De fatbikes. En nog een flinke kas, een tuin en een weitje met wat dieren, want zo’n school is het. En, zoals het hoort, het is een rookvrije school. Want, aldus het bordje, we zijn op weg naar een rookvrije generatie. Tenminste, dat beweren we. De praktijk is weerbarstiger, lezen we al in de kranten en horen we al in onrustbarende berichten her en der.
Hier is dat niet anders natuurlijk. Dus in pauzes en tussenuren trekt de jeugdige goegemeente al tiktokkend en duwend en trekkend luidruchtig de wijk in om daar naar hartelust te roken en te vapen. Want daar mag het wel. Blijkbaar. Althans, dat denk ik, omdat onlangs van gemeentewege – de buurt zal geklaagd hebben over overlast - een bankje is geplaatst, op verwaarloosbare afstand van de school, ironisch genoeg pal naast maar wel met de rug naar het sportveld, waarop en om zich sindsdien een groot deel van het leerlingenbestand zich zeer regelmatig en nog even luidruchtig in zoete dampen hult. De school plaatste naast het bankje, als gebaar naar de buurt waarschijnlijk, nog een geïmproviseerde prullenbak waar de dames en heren scholieren hun drugsafval eventueel in kwijt zouden kunnen, als het hun belieft. Tot overmaat van tolerantie is er op de spitsuren dan nog voorzien in in gele hesjes gestoken toezichthouders die dus namens de samenleving toezicht houden op alles behalve het rookgedrag van de nu nog minderjarige rookvrije generatie.
Tja.
Het is trouwens niet het onderwijzend personeel dat daar in gele hesjes de orde staat te bewaken. Dat staat namelijk aan de achterkant van het schoolgebouw in gezellige groepjes net buiten de hekken oldskool sigaretten te roken.

In de winkel mag je ook niet stelen

In de winkel mag je ook niet stelen

Voor het eerst in wat langere tijd zat ik weer eens in de trein. Sinds ik mijn rijbewijs heb ben ik gewend en gehecht geraakt aan de geneugten en voordelen van de auto. Fraai is het niet, vanuit het woke gezichtspunt dat ik ook nogal eens uitdraag, maar zo is het nou eenmaal. De trein is duur, de trein is vaak goor, de trein zit stampvol irritant volk en doet er nogal lang over om ergens te komen waar je alleen maar ongeveer hoeft te zijn. Niet dat de auto nou zo goedkoop is, of dat je met de auto helemaal verschoond blijft van irritant volk, idioten en aso’s genoeg op de weg, maar je vertrekt in elk geval vanaf je eigen voordeur, op een zelfgekozen moment, en je parkeert precies waar je wezen moet, zonder wachten en overstappen op tochtige perrons. En je kunt er ook nog eens je eigen muziek bij luisteren. De rotzooi op vloer en achterbank is tenminste je eigen rotzooi.
Maar goed, nu was ik op weg naar een afspraak in de grote stad, waar wel eens wat bij gedronken zou kunnen gaan worden, dus dan is de trein de verstandige optie. Stampvol zat ie niet, dat moet gezegd. Het was wel even zoeken naar een plekje zonder kruimels en afval, vlekken en kleverige plekken. Eenmaal gezeten pakte ik, om enig tegenwicht te bieden aan de debilisering van de aan het heilig scherm gekluisterde samenleving, mijn boekje uit de tas en begon te lezen. Zomer op de gifbelt van Bibi Dumon Tak. Een handzaam klein boekje uit de serie Een wandeling van Van Oorschot. Ideale boekjes voor in de trein en zeer de moeite waard om te lezen. Een aanrader voor wie dat nog kan.
Heel lang ongestoord lezen was er dan weer niet bij want al snel schalde de conducteur door de luidsprekers. Het ‘beste reizigers’ bleef achterwege, hij stak meteen assertief van wal dat hij zijn ronde ging lopen om de kaartjes te controleren, dat wij allen geacht werden een geldig vervoersbewijs te kunnen tonen en dat wij natuurlijk wel allemaal leuke verhaaltjes op konden gaan hangen maar dat hij daar niet in zou trappen, als wij geen kaartje hadden kregen wij van hem gewoon een leuke boete want in een winkel mocht je ook niet stelen.
Hoewel ik er als braaf en gezagsgetrouw burger helemaal niets op tegen heb wanneer zwartrijders zonder al te veel begripvol en invoelend geknipmes een flinke boete krijgen opgelegd van een doortastende conducteur (m/v/x) en bij de minste tegenspraak eventueel met harde hand uit de trein worden gezet op een piepklein, verlaten en winderig stationnetje in de rimboe met een zeer beperkte dienstregeling, integendeel, want inderdaad, in een winkel mag je ook niet stelen; ik heb er wel bezwaar tegen, als braaf en gezagsgetrouw burger, op quasi olijke toon te worden toegesproken als iemand die op voorhand al niet te vertrouwen is. Iemand die de boel natúúrlijk zit te flessen. Hallo! Ik zit hier toch niet aan de balie van de sociale dienst? Ik betaal zes euro voor een ritje van een kwartier, en straks nog eens zes euro voor de terugweg, ik zou het zeer op prijs stellen tegemoet getreden te worden als braaf en gezagsgetrouw burger tot het tegendeel bewezen is. Wat zullen we nou krijgen..
Voor de terugweg, later op de avond, kwam ik per ongeluk terecht in een stiltecoupé. Ik lette niet goed op, meestal mijd ik de stiltecoupé als de pest omdat je je daar drie keer zo hard ergert aan precies dezelfde dingen als waar je je in de gewone herriecoupé aan ergert. En inderdaad, ik zat nog niet of ik hoorde het alweer. Een paar jonge, witte, alleenstaande boerenzonen zaten een filmpje te kijken, op hun telefoon, met uiteraard het geluid op schetterend volle kracht. Het was kennelijk een leuk filmpje want er werd veel, hard en hol bij gelachen.
Zoekend keek ik om me heen, maar nee.. de quasi olijke conducteur der rechtvaardigheid, met zijn bonnenboekje al in de hand, was nergens te bekennen.

Een groot en fantastisch avontuur

Een groot en fantastisch avontuur

Hoe vaak heb ik mijn kinderen al niet uitgezwaaid, tijdens mijn veertigjarig vaderschap. Ontelbare keren. En altijd met een zwaar gemoed. Altijd met de tranen op z’n minst achter de ogen brandend, maar meestal toch gewoon over de wangen rollend. Dat begon al toen ik mijn dochter voor het eerst achterliet bij de kinderopvang en dat is nooit meer overgegaan. Wenend zag ik ze van het schoolplein vertrekken voor het jaarlijkse uitje naar de Efteling, met de bus, wenend stond ik op het perron de trein na te zwaaien waarmee ze op weg gingen voor de traditionele driedaagse schoolreis van de bovenbouw. Met brandende ogen gaf ik mijn dochter mee op vakantie aan haar moeder en de nieuwe vriend, met ingehouden tranen leverde ik mijn jongste zoon af bij de flixbus, met z’n rugzak, voor een hike in Frankrijk. Bedrukt zag ik mijn oudste in zijn auto stappen voor een skivakantie in Oostenrijk. Met een zwaar hart zwaaide ik vanachter het raam mijn dochter na die voor kamers in Utrecht ging hospiteren. Met een dikke keel liet ik ze in de loop der jaren alle drie achter in hun eerste eigen woning. Ontelbare keren. Afscheid groot en klein. Ik ben er nooit goed in geworden. Of misschien ben ik er wel altijd goed in geweest. Zo kun je het ook bekijken.
Dit weekend zwaaiden wij, schaamteloos huilend, onze jongste zoon en zijn vriendin uit. Zij vertrokken, in hun camper, voor een rondreis door Europa. Een rondreis van een jaar. Een plan dat ons al meer dan een jaar boven het hoofd hing. Een plan waarvan ik veiligheidshalve een tijdlang gedacht en misschien ook wel een beetje gehoopt heb dat het een wild plan was, dat ook altijd een plan zou blijven, maar waarvan ik, toen de camper eenmaal voor de deur stond, toch besefte dat ik er beter aan kon gaan wennen, aan het idee.
En nu zijn ze dus vertrokken. Voor een groot en fantastisch avontuur. Ze hadden een droom en die maken ze waar. Ik heb daar bewondering voor. Ik ben daar trots op. Ook als vader. Nu alleen maar hopen dat ik binnenkort aan het idee gewend ben.