De eerste zomerdag hakte er meteen lekker in, gisteren. Of wat het de laatste dag van het voorjaar? Daar zal wel weer over gediscussieerd kunnen worden. In elk geval, op de tuin was het zeker niet te doen, met een verzengende zon.
Zomerzon
weblog van een pleziertuinier
De eerste zomerdag hakte er meteen lekker in, gisteren. Of wat het de laatste dag van het voorjaar? Daar zal wel weer over gediscussieerd kunnen worden. In elk geval, op de tuin was het zeker niet te doen, met een verzengende zon.
Dat zie je toch niet vaak, blauwe dieren, zeker niet boven water, meende ik, zeker niet in Nederland. Maar deze rups is het, blauw. Dus ik dacht, simpel als ik ben, misschien wordt het wel een Icarusblauwtje. Of een gewoon Blauwtje, desnoods. Dat zou wat wezen, want hij was bepaald niet in zijn eentje, deze rups. Maar zo simpel als ik zit de natuur niet in elkaar en dat is misschien maar goed ook. Wat we hier hebben is de larve van de Monostegia Abdominalis. Hoewel algemeen voorkomend in ons land ontbreekt een Nederlandse naam. Het wordt geen vlinder, het is zelfs geen rups, het is een bastaardrups. Dat kun je zien, lees ik niet voor het eerst, aan de pootjes. Alleen de eerste drie setjes van twee zijn echte pootjes, de rest zit er voor de sier. Ik moet dat proberen te onthouden. Wordt zo'n 18 mm, lees ik ook, en als ie groot is wordt het een bladwesp, van 8 mm. Maximaal. Oranje. Bladwespen worden ook wel zaagvliegen genoemd, vanwege het puntje aan het achterlijf van de vrouwtjes, dat wat lijkt op een zaag. Hiermee legt ze haar eitjes in de waardplant. In dit geval de wederik. Wederikwesp zou dus een heel aardige naam zijn. Mannetjes zijn er niet veel van, lees ik verder, en die zijn ook niet zo nodig want de Monostegia Abdominalis plant zich voornamelijk ongeslachtelijk voort. Dat is nog eens een blauwtje lopen.
Een zonnige aanwezigheid op de tuin, deze Teunisbloem. En dat terwijl hij bekend staat als nachtbloeier. Ik nam 'm mee van vakantie, een paar jaar geleden, waar ie in de braakliggende achtertuin van het vakantiehuis ondergewaardeerd stond te wezen. Wachtend op de onvermijdelijke schoffel van de reeds bestelde hovenier. Bij mij op de tuin kreeg ie asiel en als dank breidt hij zich uit in alle windrichtingen. Zelfs bij mijn dochter in de voortuin staan de nakomelingen. Bloeit ook gewoon overdag trouwens. Bijzonder is wel dat de bloemen zich tegen de avondschemer openen, vandaar misschien dat nachtbloeier. Het loont de moeite er dan een tijdje bij te blijven staan, want je ziet het gebeuren, recht onder je neus. Alsof het een vlinder is vouwen de bloemblaadjes zich uit. Met een paar tellen is het gebeurd en heb je iets bijzonders meegemaakt.
Wat ligt daar nou, op m'n terras, dacht ik, maar ik wist het al. Het was een kersenpit. Zeer hoogstwaarschijnlijk de pit uit één van mijn jaarlijkse drie kersen. En ik had 'm niet gegeten, want rijp waren ze nog lang niet. Gelaten controleerde ik mijn boom, en inderdaad, daar hing een tweede afgekloven pit, nog aan het steeltje. De derde en laatste kers hadden ze blijkbaar tot morgen bewaard.
Pas begonnen met mijn tuin - ik weet het, ik heb het al vaker verteld - begon ik vol goede moed en blijde verwachting met het verbouwen van knolrapen, lof, schorseneren en prei. Behalve dat veel niet opkwam, snel verpieterde of anders wel meteen werd opgevreten door slakkentuig of overwoekerd en verstikt door niet in de hand te houden wilde inheemse gewassen, waren er meer tegenslagen te verwerken. De groenlof bijvoorbeeld. Kwam prima op en de slakken lieten het staan. Later ben ik gaan denken dat ze het waarschijnlijk net zo vies vonden als wij. Want wat ik er ook mee probeerde, aan mijn aanrecht, aan mijn fornuis, het was niet te hachelen. Wat restte van de oogst liet ik staan. En daar heb ik geen spijt van gekregen want ieder jaar trakteert mijn mislukking mij op dromerig ijlblauwe bloemen in vrolijk makende hoeveelheden. En elk jaar meer, want het breidt zich uit als een wild inheems gewas.
Vandaag is de tweede sterfdag van mijn oude schoonmoeder. De laatste jaren van haar leven kwam ze aan tuinieren niet meer toe, maar daarvoor was haar tuin haar koninkrijk. Die stond er dan ook altijd bij om door een ringetje te halen. Over mijn tuin was ze niet te spreken. Dat wil zeggen, één keer heb ik haar meegenomen, om haar mijn tuin te laten zien. Toch een beetje trots misschien. Maar aan sociale plichtplegingen deed ze in die tijd al niet zo erg meer. Wát een tróep!, was haar oprecht geschokt, hartgrondig commentaar. Ze kon zich niet inhouden en begon meteen van alles uit de grond te trekken, tot ze al snel besloot dat het onbegonnen werk was. Zelfs voor haar. Wát een rotzooi, zei ze nog maar eens. Het zal zo'n vier jaar geleden zijn, mijn tuin is vier jaar verder, maar ik vermoed dat het nog steeds haar goedkeuring niet zou kunnen wegdragen. Wel kreeg ik eens een plantje van haar, voor mijn tuin. Een anjertje. Een roze anjertje. Vorig jaar bloeide het voor het eerst op haar sterfdag, dit jaar bloeit het opnieuw. Dus misschien valt het mee.
De buren achter hadden een tomatenplantje over. Met de veelbelovende naam Moneymaker. Of ik daar plek voor had. Tja, wie zou daar geen plek voor hebben. Ik zette het meteen in de grond, in de kas, met aan de buren de plechtige belofte er liefdevol voor te zorgen. Aan die belofte houd ik mij, en zie, dat begint zich nu uit te betalen.
Hij zit nu even op het oranje havikskruid, maar het is dus een andoornschildwants. Waarschijnlijk op doorreis van de ene bosandoorn naar de andere, want dat is, lees ik, de voornaamste waardplant en die staan er best veel omheen. Of hij houdt van variatie, dat kan ook. In elk geval, moet je zien wat een prachtig beestje, zo klein als het is. Keramiek met zulk dessin, ik zou het kopen. Prachtbronsschildwants is dan ook de meer poëtische oude naam. En Obsidentify houdt het op een zuinig vrij algemeen, elders op het net lees ik dat het buiten het oosten en zuiden van het land een schaarse verschijning is, en dat het in de kuststreek, hier dus, zelfs bij slechts enkele waarnemingen blijft. Waarvan deze er dan dus één is. Dank u.
Hallucinerende temperaturen, zo opeens, op de tuin. Deze prikneus kreeg ik van mijn dochter, twee of drie jaar geleden, geloof ik, en sindsdien breidt ie zich gestadig uit. Ik weet niet zeker, eerlijk gezegd, of ik m echt heel mooi vind. Als plant. Maar van de bloemen kun je eigenlijk alleen hallucinerende, Warholeske foto's maken. En dat is ook wat waard. Dat is zeker ook wat waard.
Ik zal niet zeggen dat ik een bloemenzee onder mijn hoede heb, maar er begint toch steeds meer te bloeien, zie ik op mijn verkenningsrondje door de tuin. Deze paarse akelei bijvoorbeeld. Wat een kleur. Wat een bescheiden schoonheid. Ik houd ervan.