Klopt

Klopt

Het is ook wel eens fijn wanneer ergens een zekere logica in lijkt te zitten. Iets van een kloppend oorzaak gevolg. Een systeem. Dat zou hier wel eens het geval kunnen zijn. Vorig jaar introduceerde ik Moerasandoorn op de tuin, gestrooiselroofd van de oevers van de Regge in Overijssel. Heeft een erg leuk bloemetje en blijkt het ook op de noordhollandse klei buitengewoon goed te doen.
Dit jaar dient zich dan de Andoornbij aan. Die, de naam verklapt het al, voornamelijk stuifmeel verzamelt van verschillende andoornsoorten. Dus dat klopt. Het maakt uit wat je doet. Het een lokt het ander uit. Alles heeft met elkaar te maken. En kijk, dat vind ik dan leuk om te ontdekken. Dat Obsidentify dan ook nog rept van een lage trefkans maakt het alleen maar beter.
De andoornbij, lees ik, is een sachembij, maar in tegenstelling tot andere sachembijen graaft de andoornbij zelf haar nestgangen uit in vermolmd hout. Daar heb ik ook wel wat van staan en liggen. In die gangen worden dan verschillende nestkamertjes gemaakt, van elkaar gescheiden met tussenschotjes van gekauwde houtpulp. Verder lees ik dat ze een extreem lange tong hebben waarmee ze nectar uit lipbloemigen verzamelen en dat ze daarbij, gelijk de kolibrievlinder, vóór de bloem in de lucht blijven zweven. Maar ja, de trefkans voor dat spektakel zal waarschijnlijk nog wel lager zijn.

Zo klein, zo groots

Zo klein, zo groots

Waar blijf je nou, appte mijn vrouw ongeduldig. Die zat thuis met het eten te wachten en ik had zeker een kwartier terug al een berichtje gestuurd dat ik eraan kwam. Dus, waar bleef ik nou.
Nu ben ik meestal moeilijk van de tuin af te krijgen, als ik er eenmaal ben. Er dient zich altijd nog wel snel even iets aan - een vergeten klusje, een bijzonder beestje of een buurman met een praatje - waardoor het allemaal wat uitloopt. Maakt ook niks uit uiteindelijk, wat zou je je haasten. Daar heb je geen tuin voor.
Deze keer was het een rosse metselbij die mijn aandacht trok terwijl ik mijn jas stond aan te trekken. Eerder schreef ik al dat mijn artistieke tuinhuisje op de warme belangstelling van deze bijtjes mocht rekenen, vanwege de Lundiagaatjes in de raamkozijnen. Dit bijtje had blijkbaar toch besloten, in tegenstelling tot haar immer aarzelende soortgenoten, dat dat prima gaatjes waren om in te nestelen want ze vloog af en aan, naar steeds hetzelfde gaatje. Kroop naar binnen, bleef daar een tijdje ijverig bezig, kwam naar buiten, draaide zich om en kroop achterwaarts weer terug naar binnen. Daar werd een ei gelegd, wist ik inmiddels wel. Dat duurde een tijdje. Dan vloog ze weer weg, om binnen de kortste keren weer terug te zijn met een voorraadje zand, waarmee ze omstandig draaiend en met haar poten zwaaiend het nestkamertje dichtmetselde.
Ik stond het ademloos te bekijken. En te filmen. En te fotograferen. Wat een fantastisch schouwspel. Zo klein, maar zo groots. Gelukkig kon ik mijn vrouw met de filmpjes en de foto's weer vrij makkelijk gunstig stemmen en konden we in goede harmonie aan tafel. We aten asperges.

Even geduld aub

Even geduld aub

Toen ik mijn kunstzinnige tuinhuisje bouwde, het eerste jaar dat ik op de tuin zat, gebruikte ik daarvoor voornamelijk oud en gebruikt hout, overgebleven en op straat gevonden ramen en deuren en in de kringloop gekocht glas waar ik dan zelf weer kozijnen omheen knutselde. Zo gebruikte ik voor de openslaande raampjes aan de voorzijde van dat geperforeerde hout van een Lundia stellingkast. Zag er wel decoratief uit, vond ik.
Na een tijdje merkte ik op dat die gaatjes de belangstelling hadden van bijen. Rosse metselbijen, leerde ik later. Die leggen hun eitjes in dit soort gaatjes. Per eitje metselen ze een kamertje, met zand, en sluiten een klein voedselvoorraadje in voor wanneer de larf uit het ei kruipt. Zo maken ze meerdere kamertjes op een rijtje, in zo'n gaatje.
Het schijnt ook zo te zijn, ik meen dat ergens gelezen te hebben, dat ze het ook nog zo uitkienen dat in de kamertjes vooraan de mannetjes zitten, die als eerste uitkomen en aldus vrij baan maken voor de vrouwtjes, die wat later zijn en dus meteen na het uitkomen opgewacht worden door een wolk bronstige mannetjes.
Tja.
Maar goed.
Wat ik ook zag, na zo een tijdje observeren, was dat die Lundiagaatjes weliswaar veel belangstelling trokken, soms hingen er wel tien metselbijtjes rond bij die raampjes, maar dat er eigenlijk nooit één in gebruik werd genomen. Ze kropen erin, voor een korte inspectie, maar kwamen er ook altijd vrijwel meteen weer uit. Teleurgesteld, dat kon ik zien. De Lundiagaatjes waren niet diep genoeg, begreep ik, en ik bouwde een heel nieuw insectenhotel, met de juiste gaatjes en afmetingen, dat onmiddellijk na plaatsing enthousiast in gebruik werd genomen.
Toch bleven ieder voorjaar de metselbijtjes op die Lundiagaatjes afkomen, om ieder voorjaar weer teleurgesteld af te druipen. Ook nu weer. Ik kon dat opeens niet meer aanzien en besloot met een snelle actie een nieuw bijenhotel te knutselen, met gaatjes volgens de regelen der kunst, en dat aan de voorzijde van mijn huisje te hangen, als alternatief.
Dat deed ik gisteren. Het was lekker zonnig weer. Lente. Verwachtingsvol zat ik in mijn tuinstoel met een kopje thee. Maar ze lieten zich niet zien, de metselbijtjes. Nou ja, was ook te mooi geweest natuurlijk.

Op eigen kracht

Op eigen kracht

Schreef ik een paar dagen geleden niet over de Tronkenbij, die ik had aangetroffen op het bloeiend Groot Koeienoog? Dat het helpt, bij de herkenning, wanneer je er wat over leest? Honderd procent garantie krijg je niet, maar dat er toch ook een kans is dat er iets blijft hangen? Nou.. Van de Tronkenbij kon ik mij dus, toen ik dit beestje over mijn Groot Koeienoog zag paraderen, nog goed herinneren dat hij zo'n mooi tonvormig gestreept achterlijfje had, plus een voorkeur voor gele bloemen, en dat ze stuifmeel verzamelt op haar buik door met haar achterlijf op de bloem te kloppen. Dat kon dus niet missen dacht ik, alles klopte, dit was een Tronkenbij die stuifmeel bij elkaar liep te trommelen. Ik was buitengewoon ingenomen met mijn geheel op eigen kracht en vernuft uitgevoerde determinatie. Ter controle, of beter gezegd ter meerdere eer en glorie van mezelf, legde ik de foto ook voor aan Obsidentify. En die kwam met het twijfelhartige behangersbij onbekend. Maar ja, daar nam ik toen allang geen genoegen meer mee.

Beginnerswerk

Beginnerswerk

Zo heel af en toe gebeurt het dat ik een beestje langs zie komen waarvan ik de naam weet, inmiddels. Of denk te weten. Bijna goed heb. Of waarvan ik na het opzoeken denk: oh ja! Veel vaker heb ik geen flauw idee. Wat wel helpt, heb ik gemerkt, is dat het makkelijker te onthouden valt wanneer je er wat informatie over leest. Zoals over deze Tronkenbij, bijvoorbeeld. Dat die stuifmeel verzamelt door met het achterlijf op de bloem te kloppen, en het vervolgens op de buik vervoert, zoals op deze foto ook wel te zien is. En kijk, dat is dan iets waarvan ik denk: dat zou wel eens kunnen blijven hangen. Net als het weetje dat ze voornamelijk stuifmeel van gele bloemen verzamelt. Maar goed, dan lees ik ook meteen weer dat de Tronkenbij sterk gelijkt op de Klokjesbij. Of andersom. Dus het blijft beginnerswerk.

Verkenner

Verkenner

We zitten midden in de bijentelling 2025, las ik toevallig ergens. En het is alsof ze dat zelf ook toevallig ergens gelezen hebben, want daar waren ze. Het waren er in elk geval vier en ze zoemden op en neer langs mijn huisje, op zoek naar de gaatjes die ik daar speciaal voor hun in heb geboord. Rosse metselbijtjes. Het zijn verkenners denk ik, hoop ik, want vorig jaar was mijn toen net geplaatste insectenhotel binnen de kortste keren volgeboekt. Dat het slecht gaat met de bijen, met de insecten in het algemeen, hoef ik er niet bij te zeggen. Dat weet iedereen al. Dus nu hoeven we er alleen nog maar iets aan te doen.