Moerbei

Moerbei

In Den Haag, toen wij daar nog woonden, in een mooi maar ver verleden, hadden we ons, na jaren op een wachtlijst, ook een volkstuintje bemachtigd. Van de vorige gebruiker daarvan hadden we - naast metershoog woekerende braamstruiken, grote hoeveelheden zevenblad, uit hun krachten gegroeide rozen- en laurierstruiken en een als worteldoek bedoeld halfvergaan kamerbreed tapijt - een flinke moerbeiboom geërfd.
Het was een prachtige boom, hij stond in de hoek van de tuin en leverde handenvol moeilijk te plukken maar erg lekkere bessen. Eén jaar deed hij dat, want de tuincommissaris verordonneerde dat de boom te hoog was en licht wegnam voor de tuin van onze buurman en dat we hem dus maar hadden te snoeien.
Hoed u voor mensen, mannen vaak, of eigenlijk altijd, die zich tuincommissaris noemen. Die zich op die titel laten voorstaan.
Wij waren destijds nog geïntimideerd door dit fanatiek beleden amateurgezag en snoeiden, met pijn in het hart, de moerbei die intussen onze moerbei was geworden. Een prachtige boom was het daarna niet meer, en bessen heeft hij in onze tijd niet meer gegeven.
Het is jaren geleden allemaal, ik zei het al, maar de herinnering kwam boven drijven toen ik tot mijn grote en blijde verrassing de eerste vruchtjes zag aan het piepkleine moerbeiboompje dat ik op mijn tuin heb staan. Mocht dat ooit een grote en prachtige boom worden, is er geen tuincommissaris die mij zover krijgt die te snoeien.

Een hommel op een boterbloem?

Een hommel op een boterbloem?

Je denkt soms wel eens iets te weten, om er dan, als je niet oppast, al snel weer achter te komen dat je eigenlijk maar weinig weet. Zo zag ik deze hommel landen, op een boterbloem, en ik dacht: ja, een hommel.. wit kontje.. het zal de Tuinhommel zijn. Dat dacht ik. Niet de moeite waard om door de app te halen, want ik weet het al. En voor de Bioblitz hoef ik het ook niet te doen, want tuinhommels, die zie je genoeg. Dus.
Wat ik ook meende te weten, dat ik dat ergens gelezen had, was dat boterbloemen zulke egoïstische bloemen zijn. Kniertige krepsers, die alleen maar nemen en niks geven. Geen nectar voor de bijtjes. Nou, dat wist ik zo te zien dus al duidelijk verkeerd want deze hommel maakte er werk van. Die bleef daar geen rondjes draaien omdat ie er zo leuk duizelig van werd.
En toen ik hem dan toch maar door de app haalde, bijvoorbeeld om welwillend te ontdekken dat het hier om de Kleine Witbehaarde Dikpootboterbloemhommel ging - ik verzin maar even een naam - of misschien ook wel om bevestigd te worden in mijn ontluikend entomologisch gelijk, bleek het dus ook nog eens helemaal geen hommel te zijn. Geen tuinhommel, laat staan een kleine witbehaarde dikpootboterbloemhommel, maar de Grote Narcisvlieg. Die zich dus blijkbaar vermomt als hommel.
De larven, lees ik, leven in bloembollen. Dat zullen dan wel de bollen van de narcis zijn, zou je denken. Maar weten doe je het niet.

Happy ent

Happy ent

Vorig jaar, zo tegen het voorjaar, volgden wij een workshop enten, mijn vrouw en ik. Onder welwillende begeleiding van een tweetal deskundige vrijwilligers uit de Groei & Bloei stal en in het gezelschap van een over het algemeen sterk grijzende groep buurtbewoners, medelezers van het tijdschrift waarschijnlijk, entten wij ieder twee appelboompjes. Toekomstige appelboompjes beter gezegd, want veel meer dan twijgjes waren het niet. We zetten onze produkten in een pot, twee in de achtertuin, twee op de volkstuin, omringden ze met liefde en aandacht en volgden de ontwikkelingen op de voet. Hielden elkaar nauwgezet van de kleinste veranderingen op de hoogte.
Na verloop van tijd kregen alle vier onze Frankentrees, zoals onze jongste zoon ze noemt, knopjes en blaadjes en werden ze van twijgjes langzaamaan takjes. Vandaag, ruim een jaar later, is het woord boom nog altijd bij lange na niet van toepassing, niettemin werd er door drie van de vier uitbundig gebloeid.
De James Grieve, die op de volkstuin staat, lijkt het niet gehaald te hebben. Daarvan valt niet goed uit te maken of hij nog leeft of niet, dus die zal wel dood zijn, maar ik ben er nog niet aan toe hem op de composthoop te gooien, je weet tenslotte maar nooit. Ik heb wel dooiere stukjes hout weer uit zien lopen.
De Jan Steen daarentegen laat er geen twijfel over bestaan: die steekt, zo klein als ie is, met gepaste trots de eerste voorbodes van appeltjes in de lucht. Waarvan ik me dan nu alvast zorgelijk afvraag hoe hij die straks, als ze groot zijn, omhoog blijft houden zonder te knakken of af te breken.

Een laatste omhelzing

Een laatste omhelzing

Schreef ik gister nog uitgebreid over de Kaardebol en haar gewoonte water op te vangen en vast te houden in speciaal daarvoor gegroeide kelken onderin de plant. En de ergens vandaan geplukte kennis dat wellicht dorstige insecten die per ongeluk in zo'n watervoorraad vallen en verzuipen de plant ook tot voedsel dienen, in verteerde vorm mag je aannemen. Vandaag kreeg ik boter bij de vis, zogezegd. Bij een regenachtig rondje over de tuin zag ik deze twee onfortuinlijke beestjes drijven, in een goedgevuld bassin. Onvoorzichtig geweest. Overmoedig. Dat ze daar met z'n tweeën drijven, alsof ze elkaar in wanhoop hebben vastgegrepen, in een laatste omhelzing, geeft het beeld iets dramatisch. Het zijn, volgens Obsidentify, twee niet nader gedefinieerde bladwespen, aangeduid met de wetenschappelijke naam Tenthredopsis spec. Maar als alle informatie klopt, veranderen ze nu dus langzaam maar zeker in Kaardebol.

Geen vegetariër

Geen vegetariër

Met zijn wat nurkse, stekelige voorkomen, zijn primitieve, robuuste en nog stekeliger bloemen, is de Kaardebol één van mijn lievelings in de tuin. Samen met de Gunnera, ook al zo'n prehistorische verschijning, met die enorme bladeren als parasols en bloemkolven als honkbalknuppels.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Vorige zomer had ik handenvol zaad uit Frankrijk vakantieland meegenomen, met het plan in eigen tuin een plantage te beginnen. Ik ben dol op grote plannen. Nou doe ik dat wel vaker, handenvol zaad meenemen van uitstapjes en wandelingen in de natuur, met het vaste voornemen dat in eigen tuin tot groei en bloei te laten komen, maar dat wordt niet altijd een groot succes. Omdat het zaad niet op wil komen, in mijn potjes of mijn volle grond, maar ook wel omdat het er niet altijd van komt het zaad in een potje of de volle grond te stoppen. Regelmatig kom ik vage boterhamzakjes met pluis of pitjes of korrels tegen en heb ik geen idee meer waar het van was en bij welke gelegenheid ik dat had meegenomen. Stel ik het plan alsnog uit, omdat het nu het seizoen niet is of ik er nu even geen zin in heb, waarna van uitstel afstel komt. Of ik flikker de hele zooi zo de tuin in, om er vanaf te zijn, met hetzelfde resultaat. Zo eindigen meer van mijn grote plannen, wat dat betreft zegt de tuin ook wel iets over de tuinier.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Niet voor niets is het mijn lievelings, dus deze keer zaaide ik het meegenomen zaad kwistig voor, vertroetelde het spul met liefde en aandacht en binnen de kortste keren had ik genoeg Kaardebolletjes voor wel drie plantages. Over grote plannen gesproken. Ik gaf er hier en daar weg aan wie ze maar hebben wilde en zette ze verder op allerlei plekken in de tuin zodat ik van de zomer overal die weerbarstige prikbloemen bovenuit zie steken. Waarvan de bruin geworden skeletten het ook de hele winter nog uithouden, als schilderachtige herinnering aan de zomer die voorbijging en de zomer die weer komen gaat.
Onlangs deed ik nog een aardige ontdekking trouwens, over de Kaardebol, want daar heb ik het over. Na een flinke regenbui zag ik, bij het vaste rondje door de tuin, dat die water opvangt en vasthoudt. Tegen de stengel aan vormen de bladeren een soort kelk waar het water in blijft staan. Voor later gebruik, zo lees ik ergens, al ligt dat ook wel voor de hand natuurlijk. Het opmerkelijke zat 'm meer in wat ik daar verder over las, namelijk dat insecten en beestjes die per ongeluk in dat water terechtkomen en verzuipen ook als voeding door de plant worden opgenomen. Het voert misschien te ver de Kaardebol nu een vleesetende plant te noemen, een vegetariër is het ook niet. Toch blijft hij één van mijn lievelings.
De langpootmug die hier waarschijnlijk nietsvermoedend wat zit uit te blazen, in de beschutting van het blad, mag wel op zijn tellen passen. Al zal het in zijn geval wel goed komen, het is tenslotte niet voor niets een hoefijzertijger. Die heeft het geluk aan zijn zijde.

Hondjes (Op z'n -)

Hondjes (Op z'n -)

Niets menselijks is de insecten vreemd. Als het lente is, wordt er geneukt. Gepaard. Voortgeplant. De soort in stand gehouden. Er wordt wat af bevrucht, op de tuin, deze dagen. Zonder enige gêne. Wat misschien weer iets minder menselijk is. Uitzonderingen daargelaten hechten wij toch meer aan onze privacy. Deze dambordvliegen en deze blauwe muntgoudhaantjes boeit het niet of ik er met mijn neus bovenop sta, lijkt het. Met m'n camera, ook nog. Onverdroten gaat het voort. Al vliegen de dambordvliegen na verloop van tijd al parend een paar struiken verderop. Misschien dat die zich toch bekeken voelen.

Verrassing

Verrassing

Misschien herinnert u het zich niet, maar ik wel. Tenminste, nu ik hem in bloei zie staan. Vorig jaar zag ik ergens in de berm van ons tuincomplex een bloem waar ik nogal van gecharmeerd was. Een flinke, robuuste plant was het, met paarse bloemen die zonder kapsones mooi waren. Later leerde ik, van mijn buurvrouw, dat het de paarse morgenster was. Telkens wanneer ik er langs liep viel mijn begerig oog erop. Maar ja, het was niet mijn berm, het was niet mijn plant. Al was ie ook niet echt van iemand anders, omdat ie in de berm stond.
Enige tijd later schoot de plant zelf mij te hulp doordat de uitgebloeide bloemen in grote pluizebollen waren veranderd, gelijk bijvoorbeeld de paardenbloem. Nu was het, vond ik, wel te verdedigen dat ik van al dat pluis een klein deel meenam naar mijn eigen tuin. Dat zou zich immers mettertijd, met de wind toch over het ganse complex verspreiden. Ik nam gewoon mijn rechtmatig deel als voorschot. Je weet nooit naar welke kant de wind zal waaien tenslotte.
Ik stopte de zaden her en der, verspreid over mijn biotoop in de grond, in de blijde verwachting dat ik mij het komend voorjaar zou laten verrassen door een paarse morgensterrenhemel.
Dat komend voorjaar is nu. Een sterrenhemel wil ik het niet noemen want slechts op één plek is er inderdaad één opgekomen. Maar verrast was ik weldegelijk.

De lange adem

De lange adem

Dat je een strijd niet kunt winnen, betekent nog niet dat je hem niet hoeft te voeren. Ook dit voorjaar kruip en buk ik weer door de tuin om overal het onoverwinnelijk heermoes weg te plukken. Zeker niet met de illusie het dit jaar wel te winnen, zeker niet, want ik weet inmiddels wel beter. Het is een klus die je nooit of te nimmer krijgt afgerond. Omdat het spul weer aangroeit zodra je je blik hebt afgewend. Een klus die dus enerzijds buitengewoon frustrerend is, maar waar je op een of andere manier ook best zen van kunt worden. Het is daarom de kunst te gaan plukken wanneer je een grote behoefte voelt zen te worden. Zo'n dag was het vandaag. Dat heb je wel eens, zulke dagen. Zo'n humeur. Emmers en emmers vol pluimen plukte ik weg en hoewel er nog ruim voldoende staat voor nog veel meer emmers en emmers, en het dus volkomen nutteloze arbeid was, verspilde tijd en energie, was het toch een bevredigend werkje.
Al eerder schreef ik dat ik van al die geplukte pluimen gier maak. Een bijna alchemistisch proces waarbij de heermoes, door toevoeging van water en dagelijks omroeren, langzaam wordt omgezet in een stinkende, schuimende brij waar, zodra je het deksel licht, de strontvliegen meteen op afkomen. Het verhaal gaat dat je met die gier de bodem zodanig verrijkt dat de heermoes op den duur verdwijnt.
Hoe lang die duur precies is, wordt er niet bij gezegd, maar gezien het feit dat dit jaar opnieuw een recordjaar lijkt te zijn, voor de heermoes, vrees ik dat het een kwestie van de lange adem is. Mijn lange adem. En erin blijven geloven.

Schone schijn bedriegt ook

Schone schijn bedriegt ook

Oh, oh, oh, wat ziet ze er mooi uit, met die felle kleurtjes. Dat ranke postuur. Met dat strakke, metallic blauw-groen oplichtende jakje. En dat verleidelijk rode jurkje aan. Met die grote, onschuldige kijkers, ook nog. Jaja.. Maar ondertussen is het een geniepig, achterbaks krengetje dat het behoorlijk achter alle zes de ellebogen heeft. Ik zie ze regelmatig zenuwachtig, schichtig gejaagd als junkies heen en weer scharrelen bij mijn insectenhotels, de Chrysis Ignita. De gewone goudwesp. Gaatje in, gaatje uit. Met duidelijk niets goeds in de zin.
En dat klopt dan ook want deze goudwesp is een parasiet. Die hangt een beetje rond bij zo'n insectenhotel, zo van: niks aan de hand, ik ben gewoon een goudwesp, gewoon een gewone goudwesp, ik ben ook maar een insect - maar houdt intussen de metselbijtjes, die ijverig aan hun nestjes werken, scherp in de gaten. En zodra er eentje haar hielen heeft gelicht om een nieuw voorraadje bouwmateriaal te halen, duikt deze opgedirkte bedriegster naar binnen om haar eigen eitje bij dat van de metselbij te leggen en weer zo snel mogelijk te verdwijnen. Het eitje van de goudwesp komt dan net iets later uit dan dat van de nietsvermoedende metselbij, zodat de larf van de bij kan dienen als levend voedsel voor die van de wesp. De natuur..
In het Duits, lees ik toevallig, heet de gewone goudwesp de Gemeine Goldwespe, en dat neigt, voor onze Hollandse oren, misschien naar een meer toepasselijke naam

Helden en schurken

Helden en schurken

Als het geen weer is om naar de tuin te gaan, bij hagel, storm en tegenweer, zoals vandaag, dan kun je er altijd nog over lezen. In dit boek schrijft Thijs Goverde over helden en schurken van het voedselbos. Het is uitgegeven als kinderboek maar wie daar op let is een kniesoor. Het is zeker geen reden om het niet te lezen. Het is bovendien van het grootste belang om het kind in onszelf in ere te houden. Het is al volwassen genoeg allemaal, het leven, en de wereld. In vermakelijke én leerzame hoofdstukken vertelt Thijs Goverde over zijn wederwaardigheden bij het beginnen van een voedselbos. Hij waarschuwt ons voor de boterbloem, die volgens hem een superschurk is. Net als de onoverwinnelijke distel. Voor de paardenbloem daarentegen, breekt hij een lans. En kijk.. dan heb je mij. Leve de paardenbloem.