Al wandelend kwamen wij in Franeker terecht. En aldaar in de Martinikerk. Want komen wij al wandelend langs een kerk waarvan de deur open staat, maken wij er een gewoonte van even binnen te lopen. Alleen al voor de sfeer. Het zijn vaak lieve, mooie en oude tot stokoude gebouwtjes waar de bewogen geschiedenis vanaf straalt.
In de Martinikerk troffen wij een expositie van denkelijk lokale kunstenaars waar ik het verder niet over wil hebben, behalve over dit werk van Ton Bouchier. Want dat vond ik wel geestig. Die drie mannen in hun gestreepte korte broeken, met hun blote basten in de verzengende zomerzon op de tuin. Ik hoop dat ze zich goed hebben ingesmeerd.
Alle drie staan ze er anders in zo te zien. De linker lijkt de moed in de schoenen te zakken. Een tikkeltje schuldbewust, bijna wanhopig overziet hij het werk dat maar niet gedaan wil zijn. De rechter is meer de voorzitter van de tuincommissie die vanuit zijn keurig aangeharkt bloemenparadijs met strenge, afkeurende blik constateert dat het er bij de buren heel anders aan toe gaat. In de middelste herken ik mijzelf. De pleziertuinier. Die met een gelukzalige blik in de ogen door zijn paradijsje struint, in het voorbijgaan al zijn plantjes groet en zich God in Frankrijk waant.
De pleziertuinier





