365 kleine beestjes

365 kleine beestjes

Een nieuwe aanwinst voor de boekenlijst. De avonden worden korter, als je terugkomt van de tuin is het nog lang geen tijd om naar bed te gaan en op televisie is sowieso nooit iets dat de moeite waard is om hem aan te zetten, behalve Vroege Vogels, dus dan is het fijn om boeken in huis te hebben. Dan kun je in ieder geval nog lezen over je tuin.
Dit boek van Petra Vijncke zag ik in Middelburg liggen, in een buitengewoon mooie boekwinkel, en ik kocht het voor mijn dochter. Die is ook altijd enthousiast op zoek naar beestjes in haar stadstuin en weet daar veel en leuk over te vertellen op haar weblog. Het duurde destijds nog een paar maanden voor ze jarig was maar dan had ik het maar vast in huis en kon ik het bovendien mooi eerst zelf nog even lezen.
Jammer genoeg had mijn dochter het tegen die tijd al ongemerkt op haar digitale verlanglijstje gezet, want zo gaan die dingen tegenwoordig, en was iemand me al net zo ongemerkt voor geweest en had het afgevinkt, want zo gaan die dingen tegenwoordig.
Nou goed, ik zeg jammer genoeg, maar zo erg is het niet, want nu kan ik het zelf houden en nog eens lezen, het is namelijk een prettig leesbaar en leerzaam boek. Leuk om allerlei beestjes tegen te komen die ik ook in mijn eigen tuin al ontmoet had. Mooie illustraties ook, van Christophe Istace. Enig minpuntje zou je het ontbreken van een register kunnen noemen. Nu zit je je een ongeluk te bladeren om een bepaald beestje terug te vinden tussen de andere 364.
Maar wie dacht, zoals ik, dat de wereld beter af zou zijn zonder de mens, en zijn wreedheden, kan dit boek misschien maar beter niet lezen. Er wordt zo hier en daar drastisch afgerekend met het romantisch idee dat het dierenrijk het zoveel beter doet dan het onze. Nou, insecten kunnen er ook wat van, zoveel is mij al lezend wel duidelijk geworden.

Drenkeling

Drenkeling

Deze arme drommel vond ik als drenkeling in een emmer water. In de grote droogte die achter ons ligt had ik alle kuipen en emmers die ik vinden kon buiten neergezet, om zoveel mogelijk elke druppel regen die wél viel op te vangen, voor later gebruik. Nu heeft het de laatste tijd alweer best geregend maar de kuipen en de emmers staan er nog altijd, met dus inmiddels ook flink wat water erin. En ja, ik wéét dat je als attente en bewuste tuinier zorgt dat er stokken in je kuipen en emmers water staan, zodat onfortuinlijke dieren en diertjes zich erlangs kunnen redden van de verdrinkingsdood, maar dat was er om niet meer te achterhalen andere redenen dan nalatigheid nog niet van gekomen.
Ik voelde mij dus geheel terecht buitengewoon schuldig toen ik dit beestje zijn radeloze rondjes zag spartelen, in mijn emmer zonder stok. Het was volkomen aan het eind van zijn latijn (Lagria Hirta) toen ik het eruit viste. Het was geen dankbaarheid dat het geruime tijd op mijn gehandschoende vinger bleef zitten - zodat ik er als ware ramptoerist nog een foto van kon maken ook - het was pure uitputting.
Het bleek te gaan om een niet nader gespecificeerde Wolkever. Ook wel Ruigkever genaamd, lees ik, maar wolkever vind ik de betere naam want kijk maar eens naar die pluizige dekschilden, die lijken wel gebreid. Angorawol, gok ik. De soort staat bekend, volgens wikipedia, als traag. Snel rennen, staat er bij, kan hij niet. Gelukkig, zo blijkt, is het wel een volhouder, en kan hij ook een beetje zwemmen.

Oftewel

Oftewel

Vaak geef ik op deze plek hoog op van obsidentify, de determineer-app waar ik al mijn prille kennis op baseer. En terecht want obsidentify weet alles. Tenminste.. dit kleine groene rupsje zorgt toch voor problemen, zo klein als het is. Of misschien wel juist omdat het zo klein is. Dat zou kunnen. In elk geval, ik krijg nogal wat mogelijkheden voorgeschoteld. Met uiteenlopende percentages van waarschijnlijkheid en afhankelijk van hoever ik inzoom op de ingevoerde foto. Zo zou het een Roesje kunnen zijn, de rups van een nachtvlinder, of de Oranje Luzernevlinder, met of zonder Forma Helice als toevoeging. Maar evengoed kan het de Citroenvlinder zijn, een Macronachtvlinder Onbekend of zelfs een Bladwesp Onbekend. Een Aziatisch lieveheersbeestje of een Zweefvlieg Onbekend. Oftewel: zoek het uit met je groene rups. Zo blijkt maar weer: niemand kan ooit alles weten.

Uitgebloeid is ook mooi

Uitgebloeid is ook mooi

Het is nog zomer. Zeker. Maar zo keurig afgebakend als op onze kalenders zijn de seizoenen natuurlijk niet. Kijk maar naar buiten. De bomen staan nog vol in het blad, maar ze staan wel krom van de wind. Onder een grijze lucht. De regen slaat tegen de ruiten. Het is duidelijk, het is nog zomer, maar de herfst is ook maar alvast een beetje begonnen. Het gaat langzaam in elkaar over. Geleidelijk. Het mengt zich met elkaar. Net zoals het eind van de winter ons straks weer wordt aangekondigd door de eerste bemoedigende voortekenen van het voorjaar krijgen we nu de gelegenheid ons open te stellen voor de charmes van de herfst. Zo moet het zijn.
Het is dus weer tijd voor de rubriek 'Uitgebloeid is ook mooi', in het kader waarvan ik allerlei afgestorven, uitgebloeide en verdorde stengels en staketsels die zich op de tuin beginnen te melden, gewoon laat staan. Niet alleen voor de vogels, die er zaden van komen eten, en voor de insecten, die er hun eitjes in hebben gelegd, of er in overwinteren, maar ook omdat ik het mooi vind. Al die verschillende soorten van verdrogen, verdorren, verleppen, afsterven en verval. Monumentjes voor wat was. En voor wat straks weer komt. Voor wat altijd door blijft gaan.

Parelmoer

Parelmoer

Om mezelf te trainen noem ik de beestjes die ik zoal door mijn tuin zie scharrelen en fladderen vaak voor mezelf uit mompelend bij naam. In de hoop dat die blijft hangen op den duur. Dat wil zeggen, als ik de naam weet. Of meen te weten. Dat laatste komt vaker voor dan het eerste dus om vooruitgang te blijven boeken check ik het meeste ook altijd nog even in de app. Ter bevestiging of ter correctie.
Zo ook deze zwaar gehavende vlinder op de ijzerhard. Distelvlinder, mompelde ik. Kleine Parelmoervlinder, corrigeerde obsidentify me met 100% zekerheid zodat ik me er maar bij had neer te leggen. Hoewel ik m dan, eigenwijs, maar wel behoorlijk op de distelvlinder vond lijken en ik trouwens ook zo één twee drie geen parelmoer kon ontdekken. Daarvoor, las ik later, moet je dan ook aan de onderkant van de vleugels zijn. Op één van mijn snel geschoten foto’s kon ik ze inderdaad nog net ontwaren, kleine zwart omrande vijvertjes van parelmoer. Spiegels, worden ze op wikipedia genoemd. Ook mooi.
Komt in onze contreien voornamelijk in de kuststrook voor, op de zandgronden, maar ze vliegen ook wel eens heen en weer naar Zuid Engeland, lees ik, en dan is mijn volkstuin ook weer zo ver niet uit de buurt. Al heeft dit exemplaar zo te zien het een en ander meegemaakt dus wie weet waar ie vandaan komt. Uitgehongerd is ie blijkbaar wel want hij, zij, blijft rustig zitten, tijdens de fotosessie, hoewel de vlinderstichting beweert dat ze nogal schichtig zijn en snel opvliegen.
Voedt zich, lees ik verder, met nectar van viooltjes, jacobskruiskruid, kattenstaart, vlinderstruik, watermunt, koninginnekruid en slangenkruid. Allen in meer of mindere mate vertegenwoordigd in mijn biotoop. Maar ijzerhard, zo blijkt, gaat er ook wel in.
Het afzetten van eitjes luistert een stuk nauwer, dat gebeurt uitsluitend onder het blad van viooltjes, waarbij de voorkeur sterk uitgaat naar het driekleurig viooltje en het akkerviooltje. Het maarts viooltje kan er eventueel ook nog wel mee door, lees ik. Tot mijn vreugde, want daar heb ik dit voorjaar een handvol van in de grond gezet. Misschien dat ik volgend jaar dan een vers en ongehavend exemplaar van eigen bodem op de watermunt zie zitten en voor me uit kan mompelen: kleine parelmoervlinder. En dat obsidentify me dan gelijk geeft.