Min of meer opgebeurd

Min of meer opgebeurd

Tja, het is winter, het is januari, dus wat heb je te zoeken op de tuin. Zou je zeggen. Is ook zo. Maar ik ging toch. Eerder deze week was ik er al om te zien welk winters tafereel de sneeuw er had opgeleverd. Dat was leuk. Mooi. Feeëriek. De sneeuw zo ongerept glooiend dat ik mijn eigen tuin nauwelijks durfde te betreden. Knerpende voetstappen. Sporen van hazen en vogels als enige tekenen van leven. Wat vorige week nog groen was en de sombere kou leek te trotseren lag nu slap en futloos ter aarde, voor zover het niet onder de sneeuw was verdwenen. De kale boompjes hielden zich dood, de overgebleven pittoreske skeletten van kaardenbol, boerenwormkruid en aanverwanten waren het ook echt. Maar ach, de wonderdeken van sneeuw maakte veel goed. Vandaag was ik er weer, als tussenstop op een van mijn opbeurend bedoelde ochtendwandelingen. De wonderdeken was grotendeels gesmolten en had plaatsgemaakt, zoals te verwachten viel, voor enorme hoeveelheden water. De greppeltjes stonden vol tot de randen, veel paadjes waren in stilstaande wateren veranderd, zo goed als enkeldiep. Wat van onder de sneeuw tevoorschijn was gekomen viel zeker niet opbeurend te noemen. Zwarte, zompige smurrie waarvan het moeilijk te geloven is dat dat straks allemaal weer frisgroen en bloeiend tot leven zal komen. Januari, het is niet mijn favoriet seizoen. Maar toch.. Daar vloog een groene specht voor me uit. Een roofvogel maakte een indrukwekkende glijvlucht over het complex, hele wolken kleinere vogels opschrikkend. Het was een valkje, dacht ik. Maar misschien was het zelfs wel een havik, dacht ik ook. En verderop, ver buiten het aanvaardbaar bereik van de telefooncamera, zat een kramsvogel de tijd te verbeiden. En zo ging ik dan toch min of meer opgebeurd naar huis. Tijdelijk in elk geval. Want het blijft januari.

Sporen

Sporen

Ik vind het altijd leuk om sporen van dieren aan te treffen in mijn tuin. Dat geeft me het vrolijk makende, het gelukkig stemmende gevoel dat mijn tuin bewoond wordt. Dat dieren zich verwaardigen mijn tuin uit te kiezen als plek om te zijn. Mijn tuin te vereren met een bezoek. Dat mijn tuin deel uitmaakt van de natuur, hoe bescheiden en ontoereikend dan ook. Ik weet natuurlijk ook wel dat het ze vooral om het vreetwerk te doen is, maar goed, daarin onderscheiden ze zich nou ook weer niet zo heel erg van mensen, zeker niet in deze tijd van het jaar. Dus ik voel me vereerd wanneer ik een drol vind die ik op basis van nader onderzoek aan een egel toeschrijf. Ik vind het leuk om te zien dat mijn bramen geplukt en gegeten worden door vogels. Dat merels een zooitje maken van mijn gekoesterde mosbedjes, op zoek naar de worm. Van de week maakte mijn hart een sprongetje toen ik een gat tegenkwam in de stam van een dood appelboompje, waarvan ik dan dus vermoedde dat dat werd gehakt door de spechten die ik regelmatig zie vliegen. In één van mijn nestkastjes trof ik tot mijn grote vreugde een achtergebleven nestje van een koolmees. Als ik een soort wandelpad door het hoge gras aantref, een soort tunneltje, weet ik: dat is een wissel. Daar loopt een dier over heen en weer te banjeren, van hier naar daar en weer terug. En dat dat dan hoogstwaarschijnlijk wel een rat zal zijn, dat maakt me niet uit. Van een ronde, platgeslagen plek in het gras had ik van de zomer het idee dat dat wel eens de slaapplek van een haas kon zijn. En het sierappelboompje waar ik al eerder over schreef is nu toch ook zo goed als leeggevreten. Overal vind ik de knalrode schilletjes en de gele klokhuisjes die over blijven. En dan vind ik het leuk om te denken dat dat ook het werk is van de kramsvogel die ik gister nog zelfstandig determineerde.

Dom geluk

Dom geluk

Koperwieken, las ik, broeden niet in Nederland. En geef ze eens ongelijk. Dat doen ze in Scandinavië, of nog noordelijker. Overwinteren doen ze dan weer in zuidelijker streken, Frankrijk, Spanje, Italië.. tot aan Syrië aan toe. Alleen deze herfstige maanden zijn ze even hier. Op doorreis. Als tussenstop, om zich even vol te vreten aan appels, peren en bessen. Voor de rest van de tocht. Alle reden dus om zodra ik op de tuin ben de kijker te pakken en naar de appelboom in het bosje verderop te sluipen, waar ik ze kortgeleden aantrof. Nu zijn ze er nog tenslotte. Lang hoef ik niet te wachten, daar daalt een wolk vogels fladderend de boom in. Na enig gestuntel heb ik ze in de kijker. Duidelijk zie ik de oranje vegen onder de vleugels waar ze hun naam aan te danken hebben. Maar hé.. ik zie er ook die dat niet hebben. Ik zie er ook die wat groter lijken, die wat anders getekend zijn. Verstand heb ik er niet van, maar dit lijken me dan dus geen koperwieken. Waar ik het vandaan haal weet ik niet, niet uit de boom der kennis in elk geval, maar ergens uit de doos klok en klepel en aanverwanten meldt zich de naam Kramsvogel. Zouden dit kramsvogels zijn? Een uur geleden had ik geen adequate beschrijving van de kramsvogel kunnen geven, zelfs niet bij benadering, nu weet ik op niks af bijna zeker dat het zo is. En dan is het fijn dat je het wereldwijde web op zak hebt. Binnen een minuut weet ik dat ik gelijk heb. Dom geluk natuurlijk, en niks om trots op te zijn, maar ik ben het toch.