Parelmoer

Parelmoer

Om mezelf te trainen noem ik de beestjes die ik zoal door mijn tuin zie scharrelen en fladderen vaak voor mezelf uit mompelend bij naam. In de hoop dat die blijft hangen op den duur. Dat wil zeggen, als ik de naam weet. Of meen te weten. Dat laatste komt vaker voor dan het eerste dus om vooruitgang te blijven boeken check ik het meeste ook altijd nog even in de app. Ter bevestiging of ter correctie.
Zo ook deze zwaar gehavende vlinder op de ijzerhard. Distelvlinder, mompelde ik. Kleine Parelmoervlinder, corrigeerde obsidentify me met 100% zekerheid zodat ik me er maar bij had neer te leggen. Hoewel ik m dan, eigenwijs, maar wel behoorlijk op de distelvlinder vond lijken en ik trouwens ook zo één twee drie geen parelmoer kon ontdekken. Daarvoor, las ik later, moet je dan ook aan de onderkant van de vleugels zijn. Op één van mijn snel geschoten foto’s kon ik ze inderdaad nog net ontwaren, kleine zwart omrande vijvertjes van parelmoer. Spiegels, worden ze op wikipedia genoemd. Ook mooi.
Komt in onze contreien voornamelijk in de kuststrook voor, op de zandgronden, maar ze vliegen ook wel eens heen en weer naar Zuid Engeland, lees ik, en dan is mijn volkstuin ook weer zo ver niet uit de buurt. Al heeft dit exemplaar zo te zien het een en ander meegemaakt dus wie weet waar ie vandaan komt. Uitgehongerd is ie blijkbaar wel want hij, zij, blijft rustig zitten, tijdens de fotosessie, hoewel de vlinderstichting beweert dat ze nogal schichtig zijn en snel opvliegen.
Voedt zich, lees ik verder, met nectar van viooltjes, jacobskruiskruid, kattenstaart, vlinderstruik, watermunt, koninginnekruid en slangenkruid. Allen in meer of mindere mate vertegenwoordigd in mijn biotoop. Maar ijzerhard, zo blijkt, gaat er ook wel in.
Het afzetten van eitjes luistert een stuk nauwer, dat gebeurt uitsluitend onder het blad van viooltjes, waarbij de voorkeur sterk uitgaat naar het driekleurig viooltje en het akkerviooltje. Het maarts viooltje kan er eventueel ook nog wel mee door, lees ik. Tot mijn vreugde, want daar heb ik dit voorjaar een handvol van in de grond gezet. Misschien dat ik volgend jaar dan een vers en ongehavend exemplaar van eigen bodem op de watermunt zie zitten en voor me uit kan mompelen: kleine parelmoervlinder. En dat obsidentify me dan gelijk geeft.

De bedoeling

De bedoeling

Op het ogenblik, deze dagen, deze weken, ik zal het eerlijk toegeven, is het een beetje een verwilderde toestand op de tuin. Ik zou daar allerlei excuses voor kunnen aanvoeren - een drukke agenda, belachelijke temperaturen, de ongebreidelde groeikracht der natuur - maar dat vind ik niet nodig. Al heb ik het nu natuurlijk wel net gedaan. Paden zijn overwoekerd, het heermoes is kniehoog alomtegenwoordig, net als vele soorten gras, het terras dreigt aan vergroening ten onder te gaan en de braam grijpt als de wildeman die hij is om zich heen. En al ben ik een liefhebber van de wat wildere tuin, dit gaat zelfs mij iets te ver. Mezelf kwellend met de vraag waarom ik de boel niet wat beter in de hand houd, waarom ik niet wat meer tijd steek in het enigszins beheersen van de wildgroei aan inheemse gewassen, in plaats van maar met de telefoon in de hand verliefd achter allerlei beestjes aan te hobbelen, ga ik de jungle met maaier en snoeischaar te lijf. Korven vol trek ik de grond uit in een poging de boel weer een beetje toonbaar te krijgen, op zijn minst in mijn eigen ogen. Maar ook zie ik bij elke stap die ik doe, in mijn verwilderd paradijs, tientallen diertjes en beestjes voor mijn handen en voeten wegspringen of vliegen of fladderen. Zoals dit bruine zandoogje. Dus zó erg is het nou ook weer niet, denk ik dan maar. Dit was immers de bedoeling.

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Hoe meer beestjes ik fotografeer en door de app haal, hoe vaker het voorkomt dat ik bij een langskomend beestje denk: die heb ik al. Geloof ik, denk ik daar dan meestal achteraan. Heel soms zelfs komt het voor dat ik me de bijbehorende naam meen te herinneren, waarna ik het beestje alsnog door de app haal om dat te controleren. In uitzonderlijke gevallen heb ik dan gelijk. Zo is de stand van zaken en veel beter zal het waarschijnlijk niet worden. Geeft niks.
Bij dit beestje, dat opvallend rustig op een blad van de aalbes van het zonnetje zat te genieten, wist ik twee dingen zeker: die heb ik nog niet, en: geen idee wat het is.
Het had iets wesp-achtigs, met die smalle vleugels en die gele strepen, maar het was geen wesp. Iets boktor-achtigs, met die lange, nadrukkelijke voelsprieten, maar het was geen boktor. Door dat rare ding aan het achterlijf zou je aan iets schorpioenvlieg-achtigs kunnen denken, maar dat was het ook niet. Dat het een vlinder zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Maar dat was het dus wel. De Bessenwespvlinder, om precies te zijn. Een glasvleugelvlinder. Een afgezant van de vrij breed uitwaaierende familie der wespvlinders, ontdek ik op het alwetend web. Zoals daar zijn de eikenwespvlinder, de elzenwespvlinder, de populierenwespvlinder, de wilgenwespvlinder, de appelwespvlinder en de klaverwespvlinder. En wat te denken van de tongbrekende cipreswolfsmelkwespvlinder of de licht omineuze heksenmelkwespvlinder.
En ik vind het dan leuk om zo'n vreemde snuiter in mijn tuin aan te treffen, vooral omdat de Vlinderstichting het als een vrij zeldzame verschijning betitelt - Obsidentify houdt het op een wat zuiniger 'weinig waargenomen maar vermoedelijk vrij algemeen' - de professionele aalbessenteler doe je geen plezier met de bessenwespvlinder. De rups verpopt in een tak van de struik, net onder de schors, en voedt zich een winter lang met het hout en de bast, wat de struik natuurlijk niet ten goede zal komen. Al lees ik ook dat de vlinder de eieren bij voorkeur legt in de takken die er sowieso al niet florissant bijhangen. Dat laatste klopt ook wel voor mijn eigen aalbessenstruik die de recente transplantatie van achtertuin naar volkstuin maar met moeite lijkt te verwerken.
Verder lees ik dat ik hier te maken heb met een vrouwtje, vanwege de drie gele banden op het achterlijf - een mannetje heeft er vier. De gele strepen op het borststuk duiden er op dat het wel eens een verse vlinder zou kunnen zijn, zo uit de kwijnende takken van mijn aalbes gekropen. Wat mij dan weer op de gedachte brengt dat die smalle vleugeltjes nog niet helemaal zijn opgedroogd en dat ik hier getuige ben van de geboorte van deze bessenwespvlinder. Dat zou ook verklaren waarom ze zo kalm blijft zitten, waar de meeste insecten zich rap uit de voeten maken als ik er aan kom. Ach, wat is het toch fijn als de dingen allemaal lijken te kloppen.

De lieve vrede

De lieve vrede

Als je het zo heen en weer ziet dwarrelen op de tuin, van de ene bloem naar de andere, is het moeilijk voor te stellen, maar de distelvlinder komt dus ieder jaar uit Noord Afrika hier naar toe vliegen, om zich voort te planten. De sterksten vliegen na gedane zaken, met het nieuwe nageslacht mag je aannemen, dan ook nog weer helemaal terug. Ik lees dat ze 160 km per dag kunnen afleggen, met snelheden tot 48 km per uur. Ik vind het nogal wat, voor zo'n frêle beestje. Zoals de naam al doet vermoeden is de distel een favoriete waardplant. Al lees ik verder dat de distelvlinder daar nou ook weer niet zo moeilijk over doet en zich net zo lief met kaasjeskruid, lupine, koninginnekruid of brandnetel behelpt. En dat is maar goed ook want de distel is geen graag geziene gast op het complex, hoewel hij dus prachtige dieren aantrekt als de distelvlinder en de distelvink, beter bekend als het puttertje. Van de week werd mij nog uitgelegd dat de distel zelfs streng verboden is, volgens gemeentelijke verordening en al, omdat hij zichzelf nogal verspreidt, wat dan niet zo leuk zou zijn voor de boeren. Nou ben ik recalcitrant genoeg om dan te denken dat boeren ook wel eens iets verspreiden wat niet zo leuk is, om het eufemistisch uit te drukken, om van sommige van mijn medetuinders maar niet te spreken, dus ben ik niet onmiddellijk geneigd die paar distels die op mijn tuin staan uit de grond te trekken. Al ben ik dan wel weer inschikkelijk genoeg om na de bloei in elk geval de pluizen weg te halen. Wat jammer is voor de puttertjes, maar de kaardebollen staan er dan nog wel, en de lieve vrede is ook wat waard.

Geen doetje

Geen doetje

Waar je ook geen omkijken naar hebt is de Verbena. Ook wel IJzerhard genoemd. Waarom dat is, is mij niet helemaal duidelijk, of het moest juist dat zijn, dat je er geen omkijken naar hebt. Het is geen doetje, hoeft niet gepamperd te worden met speciale mest, extra zorg of handwarm water uit gouden gietertjes. Breidt zich gul en uit eigen beweging uit en maakt zelf wel uit waar ie dan opkomt. En zou je al eens een stengel afknippen - per ongeluk want waarom zou je het expres doen - dan knip je die weer in zoveel stukjes als er uit geknipt kunnen worden, steekt ze in de grond, of een potje water, en het moet raar lopen wanneer dat dan geen nieuwe plantjes worden. Een aanrader kortom voor de niet zo handige tuinier die ik ben, de pleziertuinier. Bovendien, vlinders, zoals deze Atalanta, en alle andere insecten zijn er werkelijk dol op. In de winter, waar we nu nog niet aan willen denken natuurlijk, zijn de uitgebloeide stengels trouwens ook nog eens een buitengewoon decoratieve aanwezigheid. Hoe meer hoe beter, zeg ik daarom. En dat gaat dus praktisch vanzelf.

Als een kenner

Als een kenner

Oefening baart kunst, luidt het gezegde. Als je maar vaak genoeg steeds dezelfde vlinders door de app haalt, ga je uiteindelijk een keer onthouden wie wie is. Zoals dit bont zandoogje. Bij mijn wandelingen op het vakantieadres kom ik ze ook zeer regelmatig tegen. Vliegen ze soms een eindje met me op. Bont zandoogje, mompel ik dan voor me uit , als een kenner.

Schoonheid

Schoonheid

Ik mag wel eens mopperen over die lastige insecten, die altijd net wegvliegen als je een foto van ze wilt maken. Dat zo'n foto dan ook meestal gedoemd is te mislukken. Dat je eindigt met iets onscherps, iets bewogens, iets dat lelijk te veel is ingezoomd of iets vaag groens waar net nog een insect zat. En dat terwijl ik nog wel het beste voor heb, met de insecten. Van mij niks te vrezen. Maar kijk, deze Dagpauwoog heeft medelijden en toont geduldig zijn schoonheid. Haar schoonheid. Dat weet ik niet.

Fladderen en hobbelen

Fladderen en hobbelen

Het wemelt van de vlinders op de tuin, op het moment. Overal zie ik ze fladderen, van verbena naar groot koeienoog naar braam en verder. Grote vos, kleine vos, dagpauwoog, zandoogje, koolwitje.. de usual suspects, zeg maar. Een vrolijkmakend gezicht. Ik hobbel er vaak achteraan, telefoon in de aanslag, voor een liefst spectaculaire natuurfoto, maar dat valt dus nog niet mee. En dan niet eens vanwege het feit dat het maar een telefoon is, die ik in de aanslag heb. Het is vooral dat ze je al van verre aan zien komen en maken dat ze weg zijn, fladderend en al. Dus ben ik al blij als ik er zo af en toe eentje überhaupt op de foto krijg, zoals dit groot koolwitje, al is het wat onscherp, en net een beetje lullig aangesneden. Dan maar niet spectaculair, denk ik dan maar.

Kleine vos

Kleine vos

Met een twijfelachtig humeur trok ik naar de tuin vandaag. Het zit weleens niet mee tenslotte, dat overkomt de beste. Met mijn kop in de frisse wind en de zon op mijn bol ging het er na een tijdje alweer wat luchtiger aan toe, onder de hersenpan. En toen deze kleine vos als tweede vlinder in mijn tuin de krokusjes bezocht, was het leed zo goed als geleden.

De eerste vlinder

De eerste vlinder

Ik brak mijn gesprek met de buurvrouw er tamelijk onbeleefd voor af, want daar fladderde hij opzichtig door mijn territorium: de eerste vlinder! Geheel volgens het spreekwoord en de ongeschreven wetten der natuur was het een citroenvlinder. Ik moest 'm wel door twee buurtuinen achtervolgen voordat ik 'm een beetje fatsoenlijk op de foto had, maar vooruit. De lente is begonnen, wat mij betreft.