Albert

Albert

Ik heb wel dooiere stukjes hout weer uit zien lopen, schreef ik een paar dagen geleden, in een stukje over één van mijn geënte appelboompjes, dat het leven niet erg lijkt te omarmen. Daarmee bedoelde ik Albert, mijn Poolse citroenboompje. Ik kreeg het als zaailing in een potje, dat moet drie jaar geleden geweest zijn, van de Poolse verzorger van mijn oude schoonmoeder. Albert, heette hij, de verzorger. Een lieve man. Hij had het plantje opgekweekt uit een pitje van een supermarktcitroen. De eerste winter op de volkstuin, hoewel doorgebracht in de bescherming van mijn tuinhuisje, leek hij niet te hebben overleefd. Een treurig stemmend, bladerloos stokje zonder tekenen van enig nieuw leven stond verwijtend in zijn pot. Ik stond op het punt hem teleurgesteld op de composthoop te flikkeren toen ik onderaan het levenloze stokje toch nog twee reddende piepkleine groene puntjes zag, onmiskenbaar in de vorm van citroenblaadjes. En zo groeide er een nieuw citroenboompje op. Toen het weer een beetje toonbaar was stuurde ik er een foto van naar de Poolse verzorger, met de blijde, misschien zelfs trotse boodschap: kijk, je boompje wordt weer groen. Ik kreeg een foto terug van een citroenboom van zeker een halve meter hoog - een broertje van het mijne - vol in het glanzend blad, op een Poolse vensterbank. Met de boodschap: wat is die van jou nog klein. Tja. De tweede winter, ik durf het bijna niet te zeggen, vertrouwde ik opnieuw op de bescherming van mijn tuinhuisje. En andermaal werd ik na verloop van tijd verwijtend aangestaard door een volslagen levenloos en ontbladerd stukje hout. Vertrouwen puttend uit hoe het vorig jaar was verlopen knipte ik het stammetje kort af en bleef dapper hopen dat in het verleden behaalde resultaten deze keer wel garanties bleken te bieden voor de toekomst. En geloof het of niet, vlak voor ik 'm dan toch maar op de composthoop zou gooien, net als het jaar ervoor, zag ik onderaan de stam twee groene puntjes. Onmiskenbaar enzovoorts. Ik heb een derde kans gekregen. Deze winter mag Albert op de vensterbank.

Ten prooi

Ten prooi

Er lag een meerkoet voor mijn huisje, op de tuin, voor de deur. Dood. De grote grijze poten stijf uitgestrekt. Het lijf was opengescheurd, er hing het een en ander uit. De kop lag verderop, een tikje verbaasd. Later vond ik nog een bloederig uitziend klompje vlees waarvan ik dacht dat het wel eens een hart kon zijn, of een orgaan. Ik ben niet per se dol op meerkoeten, dominante agressievelingen zijn het vaak, dictators van de sloot, maar dit vond ik overdreven. Niet leuk ook. Een rotgezicht.

Het beestje was duidelijk niet voor mijn huisje gaan liggen om rustig een natuurlijke dood te sterven, dat was op gewelddadige wijze, met enige wellust om het leven gebracht. De vraag was door wie. Ik meende pootafdrukken van een kat te zien, op mijn zwarte plastic tuinkist, dus dat zou het geweest kunnen zijn. Meerkoet scharrelt rond op de tuin, let even niet op en wordt gegrepen door de kat van het huis verderop. Katten zijn ook moordlustige kutbeesten, uiteindelijk. Ik raapte de meerkoet bij elkaar in een emmer en legde hem verderop in de bosjes, waar de natuur er dan verder wel raad mee zou weten, het sterft hier van de eksters en de kauwtjes.

Een paar dagen later lag er een meerkoet voor de kas van de achterbuurman, zag ik. Ook dood. Twee meerkoeten dood in een paar dagen tijd. Dat vroeg om een ander scenario, dat ik meteen paraat had. Lagen er een tijdje geleden niet ook twee dode ratten in korte tijd? En heerste er niet een wat hysterische stemming over ratten op het complex? Zou het niet kunnen, speculeerde ik, dat er met rattengif gestrooid werd en dat deze meerkoeten daar ook van gegeten hadden? Ik hield het voor mogelijk. Leer mij de mensen kennen. En het heet wel rattengif, maar het is natuurlijk gewoon gif. Gif is onverschillig. Het maakt het gif geen reet uit wie of wat er dood gaat, net zo min als degene die het rondstrooit.

Inmiddels was de achterbuurman ook op zijn tuin, zag ik. Zijn hond stond de dode meerkoet in zijn bek heen en weer te schudden. De achterbuurman besteedde daar geen aandacht aan, vreemd genoeg, dus, bezorgd om de gezondheid van zijn hond, deelde ik mijn theorie met hem. Maar nee, lachte de achterbuurman mijn zorgen weg, die meerkoeten had zijn hond gesloopt. Want die ving nog wel eens wat. Want een hond, vond hij, moest toch wel een beetje hond kunnen zijn.

Ik stond met mijn bek vol tanden. Ik viel ten prooi aan een redeloze maar ingehouden woede. Want de mensenhater in mij wilde onmiddellijk een beetje mensenhater kunnen zijn, maar de bescheten lafbek had natuurlijk weer de overhand. Dat de meerkoet misschien ook wel liever meerkoet was gebleven, stamelde ik, machteloos. Waar de achterbuurman dan weer hartelijk om kon lachen. En dat ik hoopte dat zijn hond dan toch in elk geval niet de hazen zou grijpen, die op het complex leefden. Mijn hazen, dacht ik erbij. Daar ging de achterbuurman verder niet op in. Hij hulde zich in omineuze stilte.

Vandaag zag ik ‘m inderdaad liggen, in de berm, bij de tuin van de achterbuurman. De haas. Er was niet veel meer van over. Ik kon wel janken.

Eén van de zeven

Eén van de zeven

Het mag lente zijn, en de tuin mag op barsten staan van levenslust, met zwellende knoppen en opduikende groene punten, soms wordt er ook te vroeg gejuicht. De gunnera bijvoorbeeld, stak de eerste uitloper al vrolijk boven zijn warme winterdekentje van hooi uit en werd prompt door een nachtvorstje op de inmiddels bruine vingers getikt. Het eerste kikkertje, waar ik twee weken geleden nog zo opgetogen over jubelde, trof ik een week later bewegingloos drijvend aan in zijn vijvertje. Ook te optimistisch geweest blijkbaar. Hoewel, toen ik 'm uit het water viste, strekte hij nog wel de achterpoten, waardoor ik de hoop vatte dat ik te vroeg had getreurd. Er schoot mij prompt een oud en toepasselijk liedje te binnen, over een half bevroren boerensloot en zeven kikkertjes die bijna dood waren. Bijna. Maar toen het beestje twee dagen later nog altijd in dezelfde houding in het water lag als waarin ik 'm had teruggelegd wist ik beter. Niks bijna. Van die andere zes weet ik het niet, maar deze was toch echt hartstikke dood.