Rijk

Rijk

Het kan natuurlijk zijn dat ik me rijk reken, want dat komt voor. Tegelijk zou ik ook niet zo gauw een andere mogelijkheid kunnen bedenken. Een paar jaar geleden verhuisde ik een appelboompje vanuit onze achtertuin naar de volkstuin. Het was een kwijnend appelboompje, dat moet gezegd. Dat was ook de reden dat mijn vrouw hem niet langer duldde in de achtertuin. Ik was bereid hem de tweede kans te geven die iedereen verdient, ondanks de ook zeer kwijnende wortelkluit, en gaf hem een plekje in mijn biotoop. Hoewel het appelboompje de tweede kans bepaald niet met beide handen aangreep, liet ik, ook weer niet echt teleurgesteld, de afgestorven stam gewoon staan. Als ornament. Een memento mori, zo u wilt, waarom niet. Als hij mij dan geen appels te eten gaf, had ik bedacht, diende hij in elk geval allerlei insecten nog tot voedsel en leefgebied. Ik boorde er zelfs wat gaatjes in om de boel op gang te helpen, als uitnodiging aan bijtjes en wespjes. Of dat ooit succesvolle broedgevallen heeft opgeleverd weet ik niet, betwijfel ik zelfs, ik heb nog nooit zo'n gaatje dichtgemetseld gezien, maar vandaag zag ik dus deze verse haksporen. Waarvan ik me niet anders kan voorstellen dan dat die gemaakt zijn door een specht. Maar het kan natuurlijk zijn dat ik me rijk reken. Dat komt voor.

Hij is terug

Hij is terug

In september, aan het eind van de zomer, nam ik afscheid van de tjiftjaf die mij de hele zomer vrolijk tjiftjaffend gezelschap had gehouden. Als ik aankwam op de tuin zat hij me vaak al op te wachten, hoog in de perenboom van de buurvrouw, en door de dag heen hipte hij van de ene naar de andere boom in mijn paradijs. Het verbaasde me eigenlijk dat de tjiftjaf een trekvogel bleek te zijn. Zo'n klein vogeltje, helemaal naar Noord Afrika, maar zo was het. Vanmiddag, ik was eigenlijk al bijna onderweg naar huis na een fraaie en arbeidzame winterlentemiddag, hoorde ik hem weer. Tjiftjaftjiftjaftjiftjaf. Nog niet vanuit de perenboom van de buurvrouw, of vanuit mijn eigen wilg, een andere favoriete plek, maar hij is dus terug. Ik verwachtte hem pas half april, had ik uitgezocht, maar blijkbaar miste hij mij ook. Of het inderdaad dezelfde is zullen we nooit weten, maar daar ga ik, puur voor mijn eigen plezier, gewoon van uit.

Min of meer opgebeurd

Min of meer opgebeurd

Tja, het is winter, het is januari, dus wat heb je te zoeken op de tuin. Zou je zeggen. Is ook zo. Maar ik ging toch. Eerder deze week was ik er al om te zien welk winters tafereel de sneeuw er had opgeleverd. Dat was leuk. Mooi. Feeëriek. De sneeuw zo ongerept glooiend dat ik mijn eigen tuin nauwelijks durfde te betreden. Knerpende voetstappen. Sporen van hazen en vogels als enige tekenen van leven. Wat vorige week nog groen was en de sombere kou leek te trotseren lag nu slap en futloos ter aarde, voor zover het niet onder de sneeuw was verdwenen. De kale boompjes hielden zich dood, de overgebleven pittoreske skeletten van kaardenbol, boerenwormkruid en aanverwanten waren het ook echt. Maar ach, de wonderdeken van sneeuw maakte veel goed. Vandaag was ik er weer, als tussenstop op een van mijn opbeurend bedoelde ochtendwandelingen. De wonderdeken was grotendeels gesmolten en had plaatsgemaakt, zoals te verwachten viel, voor enorme hoeveelheden water. De greppeltjes stonden vol tot de randen, veel paadjes waren in stilstaande wateren veranderd, zo goed als enkeldiep. Wat van onder de sneeuw tevoorschijn was gekomen viel zeker niet opbeurend te noemen. Zwarte, zompige smurrie waarvan het moeilijk te geloven is dat dat straks allemaal weer frisgroen en bloeiend tot leven zal komen. Januari, het is niet mijn favoriet seizoen. Maar toch.. Daar vloog een groene specht voor me uit. Een roofvogel maakte een indrukwekkende glijvlucht over het complex, hele wolken kleinere vogels opschrikkend. Het was een valkje, dacht ik. Maar misschien was het zelfs wel een havik, dacht ik ook. En verderop, ver buiten het aanvaardbaar bereik van de telefooncamera, zat een kramsvogel de tijd te verbeiden. En zo ging ik dan toch min of meer opgebeurd naar huis. Tijdelijk in elk geval. Want het blijft januari.

Ze houden je in de gaten

Ze houden je in de gaten

Helemaal zeker weet ik het niet, er is geen officiële telling aan voorafgegaan, maar ik vermoed dat de ekster wel eens de meest voorkomende vogel op het complex zou kunnen zijn. Je ziet ze overal, je hoort ze overal en altijd. En wat het mooie is, ze zien jou ook altijd. Ze houden je in de gaten. Van de week had ik een krentenbol mee naar de tuin, je krijgt wel eens honger, van al dat werken, van al die frisse buitenlucht. De krentenbol lag in een zakje op mijn tafeltje te wachten tot ik er trek in kreeg. Maar dat was dus te laat. Want toen ik bedacht dat ik wel een krentenbolletje zou lusten, lag het zakje al op de grond, de krentenbol er half uit getrokken en behoorlijk aangevreten, achter mijn rug. Een eindje verderop zat een ekster zeer nadrukkelijk net te doen alsof ie van niks wist. Zijn naam was haas. Maar ondertussen wel met een leep half oog op mij, en m'n krentenbol, die ik beteuterd had opgeraapt maar die ik nu natuurlijk niet meer op ging eten, je weet maar niet, met de rondwarende vogelgriep. De minister zegt er is geen gevaar voor de volksgezondheid, dus dan is het oppassen geblazen, wat mij betreft, zeker met deze minister. Ik stak de krentenbol, of wat er van over was, op een hoge stok en ging op enige afstand staan afwachten hoe de zaak zich zou ontwikkelen. Dat de zaak zich zou ontwikkelen was wel zeker, eksters zijn slimme en brutale vogels, schreef ik al eerder. De ekster zat op zijn post en nam de situatie in ogenschouw. De krentenbol op de stok, de man in een leren jas, en even geen andere eksters in de buurt. Geen kapers op de kust. Dit was zíjn krentenbol. Hij berekende zijn kansen. Hij hipte eens wat naar voren. De man bleef staan. Hij vloog eens een stukje dichterbij. De man deed niks. Fladderend van de ene tak naar het andere boompje kwam hij omzichtig en aftastend steeds wat meer in de buurt van de krentenbol. De halve krentenbol. De leren man bewoog niet. Dan een razendsnelle uitval. In de vlucht zette hij zijn snavel in de krentenbol, scheurde er een stuk af, streek op veilige afstand neer en vrat het op. En weer terug, voor een tweede portie, met iets minder omwegen nu, maar nog altijd gehaast in de vlucht. Van de man met zijn leren jas had hij niks te vrezen, dat had hij nu wel door, dus voor zijn derde hap landde hij gewoon maar op de krentenbol, om op zijn gemak een wat groter stuk mee te nemen. De vierde keer werd meteen de laatste. Naar de leren man keek hij al niet eens meer. Hij werkte het laatste stuk krentenbol behendig naar de grond, pakte het op en vloog er parmantig mee de bosjes in. Vanaf mijn post wenste ik hem smakelijk eten.

Dom geluk

Dom geluk

Koperwieken, las ik, broeden niet in Nederland. En geef ze eens ongelijk. Dat doen ze in Scandinavië, of nog noordelijker. Overwinteren doen ze dan weer in zuidelijker streken, Frankrijk, Spanje, Italië.. tot aan Syrië aan toe. Alleen deze herfstige maanden zijn ze even hier. Op doorreis. Als tussenstop, om zich even vol te vreten aan appels, peren en bessen. Voor de rest van de tocht. Alle reden dus om zodra ik op de tuin ben de kijker te pakken en naar de appelboom in het bosje verderop te sluipen, waar ik ze kortgeleden aantrof. Nu zijn ze er nog tenslotte. Lang hoef ik niet te wachten, daar daalt een wolk vogels fladderend de boom in. Na enig gestuntel heb ik ze in de kijker. Duidelijk zie ik de oranje vegen onder de vleugels waar ze hun naam aan te danken hebben. Maar hé.. ik zie er ook die dat niet hebben. Ik zie er ook die wat groter lijken, die wat anders getekend zijn. Verstand heb ik er niet van, maar dit lijken me dan dus geen koperwieken. Waar ik het vandaan haal weet ik niet, niet uit de boom der kennis in elk geval, maar ergens uit de doos klok en klepel en aanverwanten meldt zich de naam Kramsvogel. Zouden dit kramsvogels zijn? Een uur geleden had ik geen adequate beschrijving van de kramsvogel kunnen geven, zelfs niet bij benadering, nu weet ik op niks af bijna zeker dat het zo is. En dan is het fijn dat je het wereldwijde web op zak hebt. Binnen een minuut weet ik dat ik gelijk heb. Dom geluk natuurlijk, en niks om trots op te zijn, maar ik ben het toch.

Koperwiek

Koperwiek

Eerst dacht ik dat het spreeuwen waren, die daar zo fanatiek aan het hakken waren. Af en aan vlogen naar de appelbomen die een eindje verderop in het bosje staan. Appelbomen vol appels die blijkbaar van niemand zijn. Die niet geplukt worden. Die niemand wil hebben. Niemand behalve de spreeuwen dus. Tenminste, ik dacht dat het spreeuwen waren. Ik besteedde er verder geen aandacht aan. Onterecht natuurlijk want spreeuwen zijn geweldige vogels. Alleen dat magische zwermen al. Maar ook dat brutale, tikkeltje ordinaire dat om ze heen hangt. En dat schitterende verenkleed, waarvan je pas bij nadere beschouwing ziet hoe subtiel het gekleurd is. Maar goed, ik had nu even geen tijd voor nadere beschouwing, ik was ergens mee bezig, al weet ik nu niet meer wat. Tot ik een geluidje hoorde dat mij niet bekend voor kwam. Een geluidje dat ik niet met de spreeuw associeerde, al zijn spreeuwen, weet ik, geweldige imitators. Ik haalde de Merlin bird app erbij want op zijn minst wilde ik dan wel eens weten wie hier dan geïmiteerd zou worden. Koperwiek, was het antwoord. En kijk, daar haal ik mijn kijkertje wel voor tevoorschijn. Koperwieken, herinnerde ik me, had ik enkele jaren geleden nog eens geheel op eigen kracht weten te herkennen, een wapenfeit waar ik toen nogal content mee was. Met mijn kijkertje sloop ik naar het bosje met de appelbomen en na een tijdje had ik er inderdaad één in beeld. Schitterend. Hij leek nieuwsgierig terug te kijken voordat hij zich weer op de appels stortte. Het leverde me een opgetogen gevoel op dat de gehele fietstocht door de striemende regen tegen de opkomende storm terug naar huis stand hield.

Deo volente

Deo volente

Aan allerlei dingen valt te merken dat de zomer op haar einde loopt. Het herfstachtige weer van de afgelopen dagen, om maar eens iets te noemen. Wind en regen, grijzigheid. De al korter wordende avonden, de dalende temperatuur. Allerlei uitgebloeids op de tuin, de algehele teruggang die is ingezet. Maar ook kilo's bramen, een zak peren en een handvol appels. Daar komt dit jaar bij dat de tjiftjaf is vertrokken. Mijn tjiftjaf. De tjiftjaf die mij leerde de tjiftjaf te herkennen. Die mij een groot deel van voorjaar en zomer begroette wanneer ik mij meldde op de tuin. Mij dan de rest van de tijd gezelschap hield, hoog in de perenboom of de wilg gezeten, met zijn eenvoudig maar onophoudelijk lied, van tjiftjaf tjiftjaf tjiftjaf. Eén keer zag ik hem kwaad en onbevreesd uitvallen naar een kat die door de tuin sloop. De kat was er niet van onder de indruk. Ik des te meer. Wat een dapper klein vogeltje. Nu is hij onderweg naar Noord Afrika. Want, ik wist het niet en het verbaasde me eerlijk gezegd, de tjiftjaf is een trekvogel. Halverwege april, deo volente, meldt hij zich weer terug. Ik zal hem missen. Gelukkig zag en hoorde ik van de week al een paar keer een wolk puttertjes, die op de zaden van distel en kaardebol afkomen.

Hoog bezoek

Hoog bezoek

Al ben ik groot liefhebber van vogels, een groot vogelaar ben ik niet. Zeker op het gebied van hun geluid - en vogels kijken is voor 90% vogels horen, heb ik mij laten vertellen - ben ik zo goed als onwetend. Ik doe mijn best hoor, met de merlin bird app, maar het beklijft niet. Ene oor in, andere oor uit. De tjiftjaf is daar sinds kort een uitzondering op. Roept ook gewoon tjiftjaf natuurlijk, hoewel minder gearticuleerd dan ik het hier opschrijf, maar dat zal helpen. En nu ik het eenmaal hoor, snap ik niet dat ik het ooit niet gehoord heb, want ik hoor 'm de hele tijd en overal, overal bovenuit. Blijkt nu ook frequent bezoeker van de tuin te zijn, zag ik, want nu ik 'm hoor, zie ik 'm ook. Zit hoog boven in de wuivende wilg te tjiffen en te tjaffen en trekt zich van mij niet eens zo gek veel aan. Ik voel me vereerd.

Bewijsstuk A

Bewijsstuk A

Met een eerlijk gezegd wat bedrukt humeur was ik vanmiddag op de tuin terechtgekomen. Dat heb ik soms, bedrukte humeuren, ik weet ook niet waarom. Door al het uitbottend groen, het zonnetje in top en fladderende vlinders en zoemende hommels en bijtjes ging het al snel weer wat beter. Maar de kers op de taart was toch de koolmees die, terwijl ik doodstil bleef staan kijken, met een snavel vol dons, na enige aarzeling toch maar mijn vogelhuisje in dook. Ik bleef nog even staan om een foto te maken als ie er weer uitkwam. Maar de koolmees was een stuk sneller dan mijn telefoon. U zult mij op mijn woord moeten geloven.

Falco tinnunculus

Falco tinnunculus

Hé, wat zit daar? Dacht ik vandaag op de tuin. Twee heggen verderop zag ik op de hoek van het tuinhuis een vogel zitten. Tenminste.. het was toch wel een vogel? Ja, het was een vogel, want het bewoog. Maar wat voor één, dat was nu de vraag. Ik had een donkerbruin vermoeden, maar dat durfde ik niet hardop te denken want het zou wel weer een houtduif zijn, zo rustig als ie bleef zitten. Zonder hoge verwachtingen pakte ik mijn kijkertje erbij, zette dat als gewoonlijk eerst verkeerd om voor de ogen, maar toen ik 'm dan eindelijk in beeld had, was het inderdaad het valkje uit mijn donkerbruine vermoeden. Door de verrekijker, met mijn telefoon, schutterde ik deze foto, die de app als torenvalk preciseerde.