Wie het maar horen wil bezweer ik dat ik geen moestuin heb. Niet meer. Dat ik dat wel geprobeerd heb, toen ik aan een volkstuin begon, maar dat het voor mij niet is weggelegd. Dat ik niet was opgewassen tegen de slakken, de vogels en de hazen. Dat alles onder mijn handen werd opgevreten en weggeroofd. Of achter mijn rug werd overwoekerd door assertieve inheemse gewassen die ik hier niet bij naam zal noemen. En dat ik dus twee jaar geleden besloot dat ik het woord moestuin niet meer wilde horen. Dat ik voortaan een biodiverse natuurtuin zou hebben. Met bomen en struiken, planten en bloemen, vogels en insecten. En assertieve inheemse gewassen.
En nu blijkt rode kropsla dus ook een assertief inheems gewas te zijn. Dat zich bovendien niets aantrekt van mijn moestuinverbod, want nota bene op de composthoop trof ik enige tijd geleden een handvol zaailingen aan van de rode kropsla. Nakomelingen van een doorgeschoten voorouder van weleer. Dus ja.. dan kun je geen moestuin willen, als de oogst zich zó nadrukkelijk opdringt zou je wel gek zijn de boel weg te schoffelen, met je dwarse kop. Ik zette de boel dus in potjes tussen de kaardebollen en het ijzerhard, gaf het regelmatig water en zo eten we de komende tijd alsnog sla uit eigen tuin.
Tegen wil en dank








