De lange adem

De lange adem

Dat je een strijd niet kunt winnen, betekent nog niet dat je hem niet hoeft te voeren. Ook dit voorjaar kruip en buk ik weer door de tuin om overal het onoverwinnelijk heermoes weg te plukken. Zeker niet met de illusie het dit jaar wel te winnen, zeker niet, want ik weet inmiddels wel beter. Het is een klus die je nooit of te nimmer krijgt afgerond. Omdat het spul weer aangroeit zodra je je blik hebt afgewend. Een klus die dus enerzijds buitengewoon frustrerend is, maar waar je op een of andere manier ook best zen van kunt worden. Het is daarom de kunst te gaan plukken wanneer je een grote behoefte voelt zen te worden. Zo'n dag was het vandaag. Dat heb je wel eens, zulke dagen. Zo'n humeur. Emmers en emmers vol pluimen plukte ik weg en hoewel er nog ruim voldoende staat voor nog veel meer emmers en emmers, en het dus volkomen nutteloze arbeid was, verspilde tijd en energie, was het toch een bevredigend werkje.
Al eerder schreef ik dat ik van al die geplukte pluimen gier maak. Een bijna alchemistisch proces waarbij de heermoes, door toevoeging van water en dagelijks omroeren, langzaam wordt omgezet in een stinkende, schuimende brij waar, zodra je het deksel licht, de strontvliegen meteen op afkomen. Het verhaal gaat dat je met die gier de bodem zodanig verrijkt dat de heermoes op den duur verdwijnt.
Hoe lang die duur precies is, wordt er niet bij gezegd, maar gezien het feit dat dit jaar opnieuw een recordjaar lijkt te zijn, voor de heermoes, vrees ik dat het een kwestie van de lange adem is. Mijn lange adem. En erin blijven geloven.

De oplossing

De oplossing

Gisteren bezochten wij vanaf ons vakantieadres het Museum Insel Hombroich in Neuss, nabij Düsseldorf, in Duitsland dus. Een uitstapje dat ik iedereen van harte zou aanbevelen, maar daar gaat het hier niet over. Het museum bestaat uit een aantal paviljoens die verspreid liggen over en deel uitmaken van een uitgestrekt landgoed vol reusachtige oude bomen, afgeladen fruitbomen, ondoordringbaar struikgewas, waterpartijen, een rivier en een theetuin. Bij onze genoeglijke rondwandeling door dit paradijselijk oord troffen wij, naast het geëxposeerde uiteraard, allerlei insecten en vogels op ons pad, waaronder een geduldig poserende ijsvogel. Maar ook daarover gaat het hier niet. Een ander dier dat wij zagen, we zagen ze aan het eind van de dag zelfs in groepen rondscharrelen over het terras van de theetuin, was de beverrat. Die heeft zijn imago niet mee natuurlijk, vanwege die staart, en dat woordje rat in zijn naam, maar het lijkt eigenlijk meer op een bever dan op een rat. Inclusief de intens oranjerode tanden. Goed, waarom dit allemaal vermelden op een volkstuinblog, zou je zeggen. Dat komt nu. Wij stonden dat steeds schattiger wordende beestje zo een tijdje te bekijken, hoe het zat te grazen en te knabbelen aan het gras, met die lieve pootjes met ontzagwekkende nagels, en toen zagen we het gebeuren: hij at heermoes. Heermoes! De gehate, onoverwinnelijk veronderstelde oervijand van de volkstuinier. Net onder de slak vanzelfsprekend. Hij had de keuze tussen allerlei soorten sappig gras, maar hij koos de heermoes. En nóg een pluim. En nog een. Met genotvol halfgeloken oogjes liet hij het zich smaken. Nu overweeg ik dus er een paar te ontvoeren. Al vermoed ik dat ik daar op de volkstuin toch geen vrienden mee zal maken.

Gier

Gier

Zo'n tuin gaat gewoon door als je er even niet bent. Die heeft geen vakantie. Zeker geen voorjaarsvakantie. Dus behalve dat allerlei boompjes en struiken bij terugkomst plotseling vers in het blad staan, en kleine sla-plantjes groot zijn geworden, is er ook opeens een enorme lijst aan achterstallig onderhoud. Om te beginnen de niet te winnen eeuwigdurende moedeloos makende strijd tegen het Heermoes. Ik schreef daar al eerder over. Het lijkt een recordjaar te zijn, dit jaar, want het staat werkelijk overal. In een niet te stuiten opmars neemt het de hele tuin over. Ik las ooit ergens, op een goedbedoelende groene site, dat je gier kunt maken, van de geplukte pluimen, en dat die gier dan allerlei mineralen en andere goede stoffen zou bevatten die de plant uit de diepe bodem naar boven had gehaald, die je dan dus, met die gier, weer over je tuin zou verspreiden, en daarmee, let op, zelfs het Heermoes zou bestrijden. Sterk verhaal natuurlijk, zeker in combinatie met de alom te vinden informatie dat Heermoes vooral groeit op arme grond, maar goed, ik vond het ook wel een mooi verhaal, dus tot nog toe heb ik ieder jaar vele liters heermoesgier gebrouwen en verspreid. Ook omdat ik het eigenlijk wel leuk werk vond, ergens. Je moet het toch wegplukken en het idee dat je er daarna iets nuttigs mee doet, geeft je meer het gevoel dat je aan het oogsten bent. Klinkt positiever. En dat roeren in grote emmers stinkende prut, en dat afgieten door een zeef, en dat verdunnen met water heeft allemaal de prettige schijn van doortastende deskundigheid. Wel jammer dus dat al die alchemistische moeite nu blijkbaar tot een recordjaar heeft geleid, voor de Heermoes. Al zou je, doorredenerend op het positieve spoor, ook van een recordoogst kunnen spreken.

Don Quichotte

Don Quichotte

Met het voorjaar en het mooie weer is ook de eeuwigdurende en niet te winnen strijd tegen het Heermoes begonnen. Een op zich niet eens echt lelijke plant, eerder een beetje onopvallend, die het goed zou doen als groene opvuller in boeketten, maar die ook de megalomane neiging heeft de hele tuin over te nemen. Met wortels als een glasvezelnetwerk door het hele perceel. Een zevenkoppige draak die voor elke afgeplukte pluim zeven nieuwe pluimen omhoog stuurt, binnen een dag als het moet. Tegen beter weten in loop ik weer mijn gebukte rondjes om de overal opschietende bloeiaren weg te plukken. Dat moet ook nog een beetje voorzichtig, heb ik vorig jaar geleerd, omdat die bij het minste geringste hun sporen met de wind mee laten waaien. Maar goed, denk ik dan naïef, als ik ze nou maar allemaal wegpluk, valt er voor die sporen ook niks te bevruchten.