Geen vlieg kwaad

Geen vlieg kwaad

Ja, een vlieg, zul je zeggen. Gadver, misschien nog erachteraan. Want vliegen hebben geen aangenaam imago. En inderdaad hebben ze onsmakelijke manieren en eetgewoontes die ik hier maar even niet nader omschrijf. Kunnen ze bijzonder irritant om je hoofd heen blijven zoemen, overal op komen zitten, laten ze zich daarbij maar nauwelijks wegjagen en als je ze dood probeert te slaan, zijn ze je meestal te snel af. Allemaal waar. En okay, ik geef het toe, ik sla er ook wel eens eentje dood. Maar nooit op de tuin, die is insectenvriendelijk tenslotte. En de vlieg in kwestie moet het dan ook wel heel bont maken. In principe ben ik van het soort hij doet geen vlieg kwaad. Probeer ik te zijn in elk geval. Dit is trouwens een dambordvlieg. En als je je even over je eventuele en misschien terechte afschuw heen zet, is het toch ook gewoon een prachtig dier.

Als een kenner

Als een kenner

Oefening baart kunst, luidt het gezegde. Als je maar vaak genoeg steeds dezelfde vlinders door de app haalt, ga je uiteindelijk een keer onthouden wie wie is. Zoals dit bont zandoogje. Bij mijn wandelingen op het vakantieadres kom ik ze ook zeer regelmatig tegen. Vliegen ze soms een eindje met me op. Bont zandoogje, mompel ik dan voor me uit , als een kenner.

De oplossing

De oplossing

Gisteren bezochten wij vanaf ons vakantieadres het Museum Insel Hombroich in Neuss, nabij Düsseldorf, in Duitsland dus. Een uitstapje dat ik iedereen van harte zou aanbevelen, maar daar gaat het hier niet over. Het museum bestaat uit een aantal paviljoens die verspreid liggen over en deel uitmaken van een uitgestrekt landgoed vol reusachtige oude bomen, afgeladen fruitbomen, ondoordringbaar struikgewas, waterpartijen, een rivier en een theetuin. Bij onze genoeglijke rondwandeling door dit paradijselijk oord troffen wij, naast het geëxposeerde uiteraard, allerlei insecten en vogels op ons pad, waaronder een geduldig poserende ijsvogel. Maar ook daarover gaat het hier niet. Een ander dier dat wij zagen, we zagen ze aan het eind van de dag zelfs in groepen rondscharrelen over het terras van de theetuin, was de beverrat. Die heeft zijn imago niet mee natuurlijk, vanwege die staart, en dat woordje rat in zijn naam, maar het lijkt eigenlijk meer op een bever dan op een rat. Inclusief de intens oranjerode tanden. Goed, waarom dit allemaal vermelden op een volkstuinblog, zou je zeggen. Dat komt nu. Wij stonden dat steeds schattiger wordende beestje zo een tijdje te bekijken, hoe het zat te grazen en te knabbelen aan het gras, met die lieve pootjes met ontzagwekkende nagels, en toen zagen we het gebeuren: hij at heermoes. Heermoes! De gehate, onoverwinnelijk veronderstelde oervijand van de volkstuinier. Net onder de slak vanzelfsprekend. Hij had de keuze tussen allerlei soorten sappig gras, maar hij koos de heermoes. En nóg een pluim. En nog een. Met genotvol halfgeloken oogjes liet hij het zich smaken. Nu overweeg ik dus er een paar te ontvoeren. Al vermoed ik dat ik daar op de volkstuin toch geen vrienden mee zal maken.

Op eigen kracht

Op eigen kracht

Schreef ik een paar dagen geleden niet over de Tronkenbij, die ik had aangetroffen op het bloeiend Groot Koeienoog? Dat het helpt, bij de herkenning, wanneer je er wat over leest? Honderd procent garantie krijg je niet, maar dat er toch ook een kans is dat er iets blijft hangen? Nou.. Van de Tronkenbij kon ik mij dus, toen ik dit beestje over mijn Groot Koeienoog zag paraderen, nog goed herinneren dat hij zo'n mooi tonvormig gestreept achterlijfje had, plus een voorkeur voor gele bloemen, en dat ze stuifmeel verzamelt op haar buik door met haar achterlijf op de bloem te kloppen. Dat kon dus niet missen dacht ik, alles klopte, dit was een Tronkenbij die stuifmeel bij elkaar liep te trommelen. Ik was buitengewoon ingenomen met mijn geheel op eigen kracht en vernuft uitgevoerde determinatie. Ter controle, of beter gezegd ter meerdere eer en glorie van mezelf, legde ik de foto ook voor aan Obsidentify. En die kwam met het twijfelhartige behangersbij onbekend. Maar ja, daar nam ik toen allang geen genoegen meer mee.

Schoonheid

Schoonheid

Ik mag wel eens mopperen over die lastige insecten, die altijd net wegvliegen als je een foto van ze wilt maken. Dat zo'n foto dan ook meestal gedoemd is te mislukken. Dat je eindigt met iets onscherps, iets bewogens, iets dat lelijk te veel is ingezoomd of iets vaag groens waar net nog een insect zat. En dat terwijl ik nog wel het beste voor heb, met de insecten. Van mij niks te vrezen. Maar kijk, deze Dagpauwoog heeft medelijden en toont geduldig zijn schoonheid. Haar schoonheid. Dat weet ik niet.

Handenvol kleine Kaardebolletjes

Handenvol kleine Kaardebolletjes

Man, wat houd ik van de Kaardebol. In zijn weerbarstige eenvoud en stekelige oerheid heeft ie wel wat weg van de Gunnera, ook al één van mijn favorieten op de tuin. Ik ben dus blij dat ik er nu drie van heb staan, in vol ornaat, en hoop dat daar straks de spreekwoordelijke Puttertjes in groten getale op af komen. Voor het volgend jaar - de Kaardebol is tweejarig (zie mij eens met vaktermen strooien) - had ik tijdens onze vorige zomervakantie een flinke zak vol van die prikkelige zaadbollen meegenomen uit Frankrijk. Barstensvol zaad, bleken die te zitten. Met kwistige hand zaaide ik het voor in leeggegeten kwarkbakjes. Heel even dreigde het niks te gaan worden maar dan opeens leek het of ieder zaadje een plant werd. Liefdevol verspeende ik handenvol kleine Kaardebolletjes. Die allemaal steeds groter werden en uit hun potje groeiden. Eindelijk succes! Kun je teveel Kaardebollen hebben? Nee natuurlijk. Toch heb ik er afgelopen weekend een stuk of wat weggegeven aan vrienden en zonen en dochters her en der. En nog heb ik er over.

Beginnerswerk

Beginnerswerk

Zo heel af en toe gebeurt het dat ik een beestje langs zie komen waarvan ik de naam weet, inmiddels. Of denk te weten. Bijna goed heb. Of waarvan ik na het opzoeken denk: oh ja! Veel vaker heb ik geen flauw idee. Wat wel helpt, heb ik gemerkt, is dat het makkelijker te onthouden valt wanneer je er wat informatie over leest. Zoals over deze Tronkenbij, bijvoorbeeld. Dat die stuifmeel verzamelt door met het achterlijf op de bloem te kloppen, en het vervolgens op de buik vervoert, zoals op deze foto ook wel te zien is. En kijk, dat is dan iets waarvan ik denk: dat zou wel eens kunnen blijven hangen. Net als het weetje dat ze voornamelijk stuifmeel van gele bloemen verzamelt. Maar goed, dan lees ik ook meteen weer dat de Tronkenbij sterk gelijkt op de Klokjesbij. Of andersom. Dus het blijft beginnerswerk.

Krekels zijn nooit groen

Krekels zijn nooit groen

Is het groen, dan is het géén krekel. Van wie ik die vuistregel heb opgestoken weet ik niet meer, en dat is natuurlijk jammer, maar de vuistregel zelf heb ik dan toch in elk geval onthouden. Krekels zijn nooit groen. Alleen Japie Krekel dus, van Pinokkio, maar dat is een jokkebrok zoals we weten. En Walt Disney vond het verder ook wel best blijkbaar, al denkt de halve wereld nu dat als ie iets groens weg ziet springen, het een krekel is. Dit is dus een sprinkhaan. Een 'spitskopje onbekend' volgens Obsidentify. Na enig eigen netonderzoek meen ik te denken dat het een zuidelijk spitskopje is, dat, zoals de naam al aangeeft, vooral in het zuiden voorkomt maar door de klimaatverandering ook naar noordelijkere streken trekt. Zoals mijn volkstuin dus. Waar ie in de ruigte van grassen en andere dichte begroeiing zijn ideale biotoop heeft gevonden. Want uit het feit dat deze hier nog geen vleugels lijkt te hebben maak ik dan ook nog op dat het wel eens een jong exemplaar zou kunnen zijn.

Fladderen en hobbelen

Fladderen en hobbelen

Het wemelt van de vlinders op de tuin, op het moment. Overal zie ik ze fladderen, van verbena naar groot koeienoog naar braam en verder. Grote vos, kleine vos, dagpauwoog, zandoogje, koolwitje.. de usual suspects, zeg maar. Een vrolijkmakend gezicht. Ik hobbel er vaak achteraan, telefoon in de aanslag, voor een liefst spectaculaire natuurfoto, maar dat valt dus nog niet mee. En dan niet eens vanwege het feit dat het maar een telefoon is, die ik in de aanslag heb. Het is vooral dat ze je al van verre aan zien komen en maken dat ze weg zijn, fladderend en al. Dus ben ik al blij als ik er zo af en toe eentje überhaupt op de foto krijg, zoals dit groot koolwitje, al is het wat onscherp, en net een beetje lullig aangesneden. Dan maar niet spectaculair, denk ik dan maar.

Pluis

Pluis

Of je het nog strooiselroof moet noemen weet ik niet. Ik vind dan maar van niet. Langs het pad op het complex, in de gemeenschappelijke berm, aan de slootkant, stonden hier en daar wat bossen grote, paarse bloemen. Geen idee wat het was, maar ik vond ze mooi. Na de bloei werden dat vrij grote pluizenbollen, gelijk paardenbloemen, maar dan dus veel groter. Ik liep er een paar keer langs en zag het gebeuren. Niemand ontfermde zich erover. Die zaden zouden zich straks met de wind over het complex verspreiden. Het waren best veel bloemen. Met in iedere pluizenbol best veel zaden. Ik kon de verleiding niet langer weerstaan en besloot mijn bescheiden deel vast mee te nemen.