Uitgebloeid is ook mooi

Uitgebloeid is ook mooi

Het is nog zomer. Zeker. Maar zo keurig afgebakend als op onze kalenders zijn de seizoenen natuurlijk niet. Kijk maar naar buiten. De bomen staan nog vol in het blad, maar ze staan wel krom van de wind. Onder een grijze lucht. De regen slaat tegen de ruiten. Het is duidelijk, het is nog zomer, maar de herfst is ook maar alvast een beetje begonnen. Het gaat langzaam in elkaar over. Geleidelijk. Het mengt zich met elkaar. Net zoals het eind van de winter ons straks weer wordt aangekondigd door de eerste bemoedigende voortekenen van het voorjaar krijgen we nu de gelegenheid ons open te stellen voor de charmes van de herfst. Zo moet het zijn.
Het is dus weer tijd voor de rubriek 'Uitgebloeid is ook mooi', in het kader waarvan ik allerlei afgestorven, uitgebloeide en verdorde stengels en staketsels die zich op de tuin beginnen te melden, gewoon laat staan. Niet alleen voor de vogels, die er zaden van komen eten, en voor de insecten, die er hun eitjes in hebben gelegd, of er in overwinteren, maar ook omdat ik het mooi vind. Al die verschillende soorten van verdrogen, verdorren, verleppen, afsterven en verval. Monumentjes voor wat was. En voor wat straks weer komt. Voor wat altijd door blijft gaan.

Tropische verrassing

Tropische verrassing

Terug van een warme vakantie in eigen oververhit land ben ik voor het eerst weer op de tuin, benieuwd naar hoe die erbij staat. Mijn oudste zoon heeft de honneurs waargenomen en dat heeft ie goed gedaan want de schade lijkt nogal mee te vallen, het meeste heeft het zo te zien overleefd, de hitte. Een enkel eikje heeft het opgegeven, de zaailing-beukjes die ik van het voorjaar uit Duitsland meenam lijken het niet te hebben gehaald, maar die stonden er voor vertrek dan ook al minder florissant bij, de gunnera heeft wat bruine randen hier en daar, maar voor de rest is het een groene oase vergeleken met de uitgedroogde, verdorde heide waarover we vorige week nog onze zweterige wandelingen maakten.
Wanneer ik mijn compostbak open, om er ook voor het eerst in drie weken weer mijn keukenafval in te gooien, wacht mij een tropische verrassing, al is het niet in Hollandsche melkchocolade (die natuurlijk ook helemaal niet bestaat, maar deze mosterd lang na de maaltijd geheel terzijde). In de inmiddels misschien wel dertig centimeter dikke laag composterende prut, in de broeikas die deze bak deze zomer moet zijn geweest, zijn verschillende planten opgeschoten. Over vruchtbare bodem gesproken. In drie ervan meen ik een beginnende avocado te herkennen - wie heeft er nooit een avocadopit bij een kamerplant in de grond gestoken om al snel een fris glanzende plant te zien opkomen en weer wegkwijnen - een tiental groene sprieten kan ik niet meteen thuisbrengen.
Uiteraard besluit ik deze verstekelingen te redden en ze een kans in mijn tuin te geven, al is die over het algemeen een stuk minder tropisch dan ze tot nog toe gewend zijn. Ze laten zich makkelijk loswoelen uit de rulle bodem en blijken best aardig geworteld.
Eén van de avocado's blijkt dan een mango te zijn. Tot mijn verbazing, want ik heb dat ook wel eens in de vensterbank geprobeerd, met een mangopit, zonder enig resultaat. Nou moet ik er wel bij zeggen dat ik in de loop der tijd waarschijnlijk wel tien of meer mangopitten in de compostbak heb gekieperd, dus deze ene blijft vooralsnog een hoge uitzondering.
De groene sprieten die ik omhoog haal blijven aanvankelijk een raadsel. Ze blijken ontsproten aan een soort nootje, de spriet voelt stevig aan en ziet eruit als de uitgelopen paarse morgenster in mijn orangerie, maar goed, dat groeit niet uit een nootje en die kiemplantjes hebben al gauw de neiging allemaal op elkaar te lijken. Het nootje komt me wel bekend voor. Een walnoot is het niet. Die zijn ook veel te duur om in de compostemmer te belanden. En dan weet ik het. Het zijn dadelpitten. Zo goed als elke dag sta ik dadels in stukjes te snijden in de kwark voor de lunch en heb ik de grootste moeite die kleverige pitten van mijn kleverige vingers in het compostemmertje op het aanrecht te krijgen, het moeten er inmiddels honderden zijn. Een stuk of tien hebben nu dus kans gezien te ontkiemen. Een score die, zo blijkt, vergelijkbaar is met die van mangopitten.
Ik gaf er een paar aan de buurvrouw, die toevallig getuige was van mijn opgetogen vondst en die mij ook wel eens een en ander toesteekt over de heg, de rest zette ik in een pot. Niet met de illusie er ooit dadels van te oogsten, zo naïef ben ik allang niet meer. Ik neem dankbaar genoegen met het idee dat ik het wonder der natuur met eigen ogen, in eigen tuin heb mogen aanschouwen.

Dol op de kaardebol

Dol op de kaardebol

Het is hoogzomer op de tuin. Anders gezegd: het is er bloedheet. Zeker overdag is het er eigenlijk niet uit te houden. Wat jammer is, want behalve dat er nogal wat te doen is, staat er ook best wat in bloei waar nu maar matig van genoten kan worden. Zoals de kaardebol. Waarvan ik de prikkelige zaadbollen vorig voorjaar meenam uit een tropisch Bretagne en die zich bij deze temperaturen duidelijk senang voelt, om er ook maar meteen een tropische term tegenaan te gooien.
Het is wonderlijk om te zien wat een lieve, kleine bloemetjes zo'n robuuste, stekelige en weerbarstige plant erop nahoudt. Grappig ook hoe er vanuit het midden in ringen naar boven en naar beneden gebloeid wordt, als een sterretje dat je in het midden aansteekt. Wordt druk bezocht door vliegend volk bovendien. Van de week zag ik hoe een hommel de bloempjes één voor één bezocht en ze na gebruik uit de zaadbol leek te trekken om ze achteloos naar beneden te laten dwarrelen.
Ik ben dol op de kaardebol, mijn tuin staat er vol mee dit jaar en hopelijk zaait ie zich flink uit. Al hoop ik natuurlijk ook dat de puttertjes zich straks aan de pitjes tegoed komen doen. Conflicterende belangen, ik weet het, maar wat doe je eraan.

Voor wie er oog voor heeft

Voor wie er oog voor heeft

Al vanaf het prilste begin van mijn avonturen op de volkstuin hanteer ik het motto uitgebloeid is ook mooi. Destijds op instagram werd dat al een indrukwekkende serie foto's. En het is een standpunt waar ik nog steeds ten volle achtersta. Veel bloemen en planten die de bloei achter de rug hebben, laten skeletten en staketsels, zaaddozen en pluizebollen achter die in schoonheid niet onderdoen voor wat eraan voorafging. Een ander soort schoonheid, maar niettemin: schoonheid. Voor wie er oog voor heeft. Ik laat het altijd met liefde staan. Voor de insecten en de vogels die er hun voordeel mee doen, maar zeker ook voor mezelf. Al moet ik erbij zeggen dat het, nu de eerste uitgebloeide koeienogen zich aandienen, toch even slikken is. Nu al weer voorbij, denk ik onwillekeurig. Gevolgd door de onverbiddelijke vraag: heb ik er wel genoeg van genoten?

De kiem van een bescheiden succes

De kiem van een bescheiden succes

Het is inmiddels niet echt een geheim meer dat ik mij wel eens bezondig aan strooiselroof. Een vrij onschuldig vergrijp, in mijn ogen. Zie ik bij het wandelen in berm of beemd iets staan dat mij aanspreekt dan deins ik er niet voor terug een stekkie te nemen, een zaailing uit te graven of een handvol zaad mee te nemen. Speciaal met dat doel heb ik altijd een klein schepje, een mes en een rol plastic zakjes in de rugzak met krentenbollen. Wel let ik er op dat ik niet de enige zaailing of het laatste beetje zaadpluis meeneem, maar waar de boom volgeladen genoeg is, vind ik, mist de natuur één twee pruimpjes niet.
Op de tuin probeer ik de buit dan op te kweken tot plant, struik of boom, al naar gelang. Met wisselend succes. Zo heb ik al een bescheiden arboretumpje bij elkaar gesprokkeld. Twee rode beukjes, twee tamme kastanjes, een lijsterbes, Spaanse aak, grauwe wilg, drie berken. Om eens wat voorbeelden van geslaagde pogingen te noemen. Maar ik stop ook genoeg geroofd zaad in de grond of in potjes waar ik nooit meer iets van terugzie.
Zo leek het ook af te lopen met de Zwartmoeskervel waarvan ik vorige zomer zaad had meegenomen van Texel, tijdens een genoeglijke en zonovergoten wandeling. De berm stond er helemaal vol mee en de diepzwarte zaadtrossen aan de verder kale staketsels appelleerden meteen aan mijn voorliefde voor wat stugge, tegendraadse en nurkse planten. Bovendien verklaarde Obsidentify de plant zeldzaam in Nederland, waar het voornamelijk op Texel voorkomt. Ook daar was ik mee in mijn nopjes. Stel je voor, dacht ik, een zeldzame plant op mijn tuin.. Ik stopte wat van de zaden in potjes met een zelfverzonnen, wat zanderig grondmengsel waarmee ik meende de Texelse bodem te benaderen en hoopte er het beste van.
Van de week was ik voor de belachelijke hitte uit een paar keer op de tuin om water te geven aan wie dat nodig had. Zo ook de kleine potjes in mijn orangerie met onder andere dus de zaden van de zwartmoeskervel. Ik had de hoop eerlijk gezegd al opgegeven zo lang als er niks gebeurde, maar verdomd, het kan de belachelijke hitte geweest zijn - zwartmoeskervel is afkomstig uit streken rond de Middellandse Zee - in één potje werd gehoor gegeven aan de roep van de natuur.

Divers boeket

Divers boeket

Ik ga niet teveel woorden vuil maken aan de hitte, daar is het even te warm voor. En het is moeilijk er iets nog niet gezegds over te berde te brengen. Dat vooral. Dus. In plaats daarvan een boeketje uit eigen tuin want jongens, wat staat er veel te bloeien in mijn wildernis onder de zon. Een divers boeketje, met spontaan aangewaaide verstekelingen, gestrooiselroofd spul, verwilderde doorzetters, andermans afdankertjes en liefdevol aangeplante of gezaaide schoonheid. Met de roos in het midden uiteraard, waar die hoort.

Om op te vreten

Om op te vreten

Er zijn nogal wat planten waarvan de betere natuurliefhebber annex vergeten groenten kweker of biologisch dynamisch voedselbos beheerder op plechtige toon weet te melden dat je die kunt eten. Als aandachtig toehoorder word je dan geacht met gepaste verbazing en eerbiedige bewondering te reageren, wat aarzelend het een of ander in de mond te steken en dan uit te roepen hoe lekker pittig, kruidig, of notig het smaakt, met een zoetje of een zuurtje of een bittertje. In dat kader stond ik in mijn tuin al eens te kauwen op een bloemknop van de weegbree. Ik maakte honing met paardebloemen, pesto van radijsloof, salade met oostindische kers.
Tijdens een boswandeling in de voorjaarsvakantie probeerden we daslook, look zonder look, madeliefje en pinksterbloem. Met wisselend succes. Grote verrassing was de oxalis, ook wel geluksklaver genoemd. Waarvan mijn vrouw, als amateur betere natuurliefhebber, op gelukkig onplechtige toon wist te vertellen dat die eetbaar was. En inderdaad, verrassend lekker. Fris zuur. Bijna alsof je zo'n ouderwetse Napoleon zuurbal doorbijt. Mijn vrouw kocht een zak bolletjes voor me, ik zette ze in potten en binnen de kortste keren kwam het op, de bloemetjes eerst. Maar zeg nou zelf, die zijn toch veel te leuk om op te eten?

Tegen wil en dank

Tegen wil en dank

Wie het maar horen wil bezweer ik dat ik geen moestuin heb. Niet meer. Dat ik dat wel geprobeerd heb, toen ik aan een volkstuin begon, maar dat het voor mij niet is weggelegd. Dat ik niet was opgewassen tegen de slakken, de vogels en de hazen. Dat alles onder mijn handen werd opgevreten en weggeroofd. Of achter mijn rug werd overwoekerd door assertieve inheemse gewassen die ik hier niet bij naam zal noemen. En dat ik dus twee jaar geleden besloot dat ik het woord moestuin niet meer wilde horen. Dat ik voortaan een biodiverse natuurtuin zou hebben. Met bomen en struiken, planten en bloemen, vogels en insecten. En assertieve inheemse gewassen.
En nu blijkt rode kropsla dus ook een assertief inheems gewas te zijn. Dat zich bovendien niets aantrekt van mijn moestuinverbod, want nota bene op de composthoop trof ik enige tijd geleden een handvol zaailingen aan van de rode kropsla. Nakomelingen van een doorgeschoten voorouder van weleer. Dus ja.. dan kun je geen moestuin willen, als de oogst zich zó nadrukkelijk opdringt zou je wel gek zijn de boel weg te schoffelen, met je dwarse kop. Ik zette de boel dus in potjes tussen de kaardebollen en het ijzerhard, gaf het regelmatig water en zo eten we de komende tijd alsnog sla uit eigen tuin.

Mooie ogen

Mooie ogen

Eén van mijn favorieten op de tuin, dit Groot Koeienoog. Wat een zonnige verschijning is dat, met die knalgele, lekker flodderige bloemen. Staat zeer uitbundig te bloeien, deze laatste lentedag. Een waardig afscheid van het voorjaar, een warm welkom voor de zomer. Mijn vrouw beweert dat ik 'm gestrooiselroofd heb in de museumtuinen van Insel Hombroich, wat ik ook niet per se zou willen uitsluiten, maar in mijn eigen herinnering heb ik 'm zeer ordentelijk gekocht bij een biologische kwekerij op de Veluwe. In het bijzijn van mijn dochter, en mijn vrouw, nota bene. Belangrijk argumenten voor aanschaf waren de natuurlijk grappige naam en de rommelige bloem, maar zeker ook het grote, zachte, lichtgroene blad dat al zeer vroeg in het voorjaar hoopgevend de kop opsteekt, als het al niet aan het eind van de winter is. Inmiddels uitgegroeid tot een manshoog, zo goed als ondoordringbaar oerwoud, druk bezocht door bijen, zweefvliegen en ander insectenspul.

Eerlijk delen

Eerlijk delen

Mijn dochter gaf mij aardbeienplantjes. Dat kwam goed uit want die ik op de tuin had staan waren wat armetierig geworden. Eerlijk gezegd ook doordat ik ze misschien een beetje had laten overwoekeren. Zou kunnen. In elk geval, de nieuwe aanwinsten plantte ik in bakken en potten, om overwoekering zo goed mogelijk in de hand te houden. Het groeide allemaal voorspoedig onder mijn vertroetelende handen, de eerste bloemetjes verschenen, met de spreekwoordelijke bijtjes erachteraan en van de week zag ik dan ook de eerste aardbeien voorzichtig kleuren. Dat moet ik in de gaten houden, dacht ik nog. Toch was ik te laat. Het eerste slachtoffer was al gevallen. Niet door een slak, zoals te doen gebruikelijk, en zeker ook niet door het schaakbordlieveheersbeestje dat zich op de linker foto uit de voeten maakt, maar waarschijnlijk door een merel of een ekster, gezien de vindplaats een paar meter van de plant verwijderd. De aardbeien die verder ook maar een beetje kleur hadden heb ik uit voorzorg geplukt om thuis verder te laten rijpen. Ik vind het niet erg dat de diertjes en de piertjes mee eten van de tuin, maar er moet liefst ook nog wel iets voor mij over blijven.