Schone schijn bedriegt ook

Schone schijn bedriegt ook

Oh, oh, oh, wat ziet ze er mooi uit, met die felle kleurtjes. Dat ranke postuur. Met dat strakke, metallic blauw-groen oplichtende jakje. En dat verleidelijk rode jurkje aan. Met die grote, onschuldige kijkers, ook nog. Jaja.. Maar ondertussen is het een geniepig, achterbaks krengetje dat het behoorlijk achter alle zes de ellebogen heeft. Ik zie ze regelmatig zenuwachtig, schichtig gejaagd als junkies heen en weer scharrelen bij mijn insectenhotels, de Chrysis Ignita. De gewone goudwesp. Gaatje in, gaatje uit. Met duidelijk niets goeds in de zin.
En dat klopt dan ook want deze goudwesp is een parasiet. Die hangt een beetje rond bij zo'n insectenhotel, zo van: niks aan de hand, ik ben gewoon een goudwesp, gewoon een gewone goudwesp, ik ben ook maar een insect - maar houdt intussen de metselbijtjes, die ijverig aan hun nestjes werken, scherp in de gaten. En zodra er eentje haar hielen heeft gelicht om een nieuw voorraadje bouwmateriaal te halen, duikt deze opgedirkte bedriegster naar binnen om haar eigen eitje bij dat van de metselbij te leggen en weer zo snel mogelijk te verdwijnen. Het eitje van de goudwesp komt dan net iets later uit dan dat van de nietsvermoedende metselbij, zodat de larf van de bij kan dienen als levend voedsel voor die van de wesp. De natuur..
In het Duits, lees ik toevallig, heet de gewone goudwesp de Gemeine Goldwespe, en dat neigt, voor onze Hollandse oren, misschien naar een meer toepasselijke naam

Zo klein, zo groots

Zo klein, zo groots

Waar blijf je nou, appte mijn vrouw ongeduldig. Die zat thuis met het eten te wachten en ik had zeker een kwartier terug al een berichtje gestuurd dat ik eraan kwam. Dus, waar bleef ik nou.
Nu ben ik meestal moeilijk van de tuin af te krijgen, als ik er eenmaal ben. Er dient zich altijd nog wel snel even iets aan - een vergeten klusje, een bijzonder beestje of een buurman met een praatje - waardoor het allemaal wat uitloopt. Maakt ook niks uit uiteindelijk, wat zou je je haasten. Daar heb je geen tuin voor.
Deze keer was het een rosse metselbij die mijn aandacht trok terwijl ik mijn jas stond aan te trekken. Eerder schreef ik al dat mijn artistieke tuinhuisje op de warme belangstelling van deze bijtjes mocht rekenen, vanwege de Lundiagaatjes in de raamkozijnen. Dit bijtje had blijkbaar toch besloten, in tegenstelling tot haar immer aarzelende soortgenoten, dat dat prima gaatjes waren om in te nestelen want ze vloog af en aan, naar steeds hetzelfde gaatje. Kroop naar binnen, bleef daar een tijdje ijverig bezig, kwam naar buiten, draaide zich om en kroop achterwaarts weer terug naar binnen. Daar werd een ei gelegd, wist ik inmiddels wel. Dat duurde een tijdje. Dan vloog ze weer weg, om binnen de kortste keren weer terug te zijn met een voorraadje zand, waarmee ze omstandig draaiend en met haar poten zwaaiend het nestkamertje dichtmetselde.
Ik stond het ademloos te bekijken. En te filmen. En te fotograferen. Wat een fantastisch schouwspel. Zo klein, maar zo groots. Gelukkig kon ik mijn vrouw met de filmpjes en de foto's weer vrij makkelijk gunstig stemmen en konden we in goede harmonie aan tafel. We aten asperges.

Even geduld aub

Even geduld aub

Toen ik mijn kunstzinnige tuinhuisje bouwde, het eerste jaar dat ik op de tuin zat, gebruikte ik daarvoor voornamelijk oud en gebruikt hout, overgebleven en op straat gevonden ramen en deuren en in de kringloop gekocht glas waar ik dan zelf weer kozijnen omheen knutselde. Zo gebruikte ik voor de openslaande raampjes aan de voorzijde van dat geperforeerde hout van een Lundia stellingkast. Zag er wel decoratief uit, vond ik.
Na een tijdje merkte ik op dat die gaatjes de belangstelling hadden van bijen. Rosse metselbijen, leerde ik later. Die leggen hun eitjes in dit soort gaatjes. Per eitje metselen ze een kamertje, met zand, en sluiten een klein voedselvoorraadje in voor wanneer de larf uit het ei kruipt. Zo maken ze meerdere kamertjes op een rijtje, in zo'n gaatje.
Het schijnt ook zo te zijn, ik meen dat ergens gelezen te hebben, dat ze het ook nog zo uitkienen dat in de kamertjes vooraan de mannetjes zitten, die als eerste uitkomen en aldus vrij baan maken voor de vrouwtjes, die wat later zijn en dus meteen na het uitkomen opgewacht worden door een wolk bronstige mannetjes.
Tja.
Maar goed.
Wat ik ook zag, na zo een tijdje observeren, was dat die Lundiagaatjes weliswaar veel belangstelling trokken, soms hingen er wel tien metselbijtjes rond bij die raampjes, maar dat er eigenlijk nooit één in gebruik werd genomen. Ze kropen erin, voor een korte inspectie, maar kwamen er ook altijd vrijwel meteen weer uit. Teleurgesteld, dat kon ik zien. De Lundiagaatjes waren niet diep genoeg, begreep ik, en ik bouwde een heel nieuw insectenhotel, met de juiste gaatjes en afmetingen, dat onmiddellijk na plaatsing enthousiast in gebruik werd genomen.
Toch bleven ieder voorjaar de metselbijtjes op die Lundiagaatjes afkomen, om ieder voorjaar weer teleurgesteld af te druipen. Ook nu weer. Ik kon dat opeens niet meer aanzien en besloot met een snelle actie een nieuw bijenhotel te knutselen, met gaatjes volgens de regelen der kunst, en dat aan de voorzijde van mijn huisje te hangen, als alternatief.
Dat deed ik gisteren. Het was lekker zonnig weer. Lente. Verwachtingsvol zat ik in mijn tuinstoel met een kopje thee. Maar ze lieten zich niet zien, de metselbijtjes. Nou ja, was ook te mooi geweest natuurlijk.

Heterdaad

Heterdaad

Dat ik er een insectenvriendelijke tuin op na probeer te houden betekent nog niet dat de insecten daar zelf ook aan meedoen. Insecten kunnen er soms bepaald insectenonvriendelijk gedrag op na houden. Neem nou deze Dolichomitus-complex. Een Nederlandse naam ontbreekt, maar het is een sluipwesp en dat doet al iets stiekemigs vermoeden. Ziet er ook al een beetje onbetrouwbaar en gluiperig uit, met dat lange glimmende achterlijf dat zich in allerlei kruiperige bochten wringt, met die bloedrode poten en dat vervaarlijke zwaard. En inderdaad, die heeft het behoorlijk achter de ellebogen. Ik betrapte haar op heterdaad op mijn insectenhotel, waarvan de meeste kamers inmiddels bezet zijn door metselbijtjes, die daar hun eitjes in hebben gelegd, met een zorgzaam voedselvoorraadje erbij voor de larf die daar na verloop van tijd uitkomt om weer een nieuw metselbijtje te worden. Ieder eitje een eigen kamertje dat op kunstige wijze met zandkorrels wordt afgesloten. Dichtgemetseld. Maar dan komt de Dolichomitus-complex. Die heeft op een afstandje geniepig toe zitten kijken en af zitten wachten tot de kust veilig was. Ik zag het onder mijn neus gebeuren, volkomen schaamteloos. Met haar voorpoten maakte ze een kleine opening in de deur van zandkorrels, draaide zich om, krulde het lenig achterlijf, uit de zwaardschede kwam een lange, ragdunne legboor tevoorschijn die behendig naar binnen werd geschoven. Steeds iets verder. Met een pulserende beweging werden daarbinnen haar eitjes gelegd. In ieder kamertje één. Háár larven, lees ik ergens, zullen al even geniepig wachten met uitkomen tot die van de metselbij al een eindje op streek zijn, om die vervolgens langzaam maar zeker op te eten. Levend op te eten ook nog, want er wordt aanvankelijk zorgvuldig om de vitale onderdelen heen gegeten, zodat het slachtoffer zo lang mogelijk vers blijft. Dus ja, je kunt wel beweren dat de natuur zo mooi is, maar dit lijkt me een uitzondering.

Hotelgast

Hotelgast

Vorig jaar plaatste ik een insectenhotel in de tuin. Ook wel bijenhotel genoemd. Er was veel belangstelling voor. Vandaag zag ik de eerste metselbijtjes er ook weer voor hangen, op zoek naar het beste plekje. Maar ergens verstopt in een donker vergeten spelonkje zag ik ook een andere hotelgast zijn of waarschijnlijk haar kansen afwachten. Strikt genomen geen insect, laat staan een bij, maar wel ook gewoon natuur natuurlijk.

Verkenner

Verkenner

We zitten midden in de bijentelling 2025, las ik toevallig ergens. En het is alsof ze dat zelf ook toevallig ergens gelezen hebben, want daar waren ze. Het waren er in elk geval vier en ze zoemden op en neer langs mijn huisje, op zoek naar de gaatjes die ik daar speciaal voor hun in heb geboord. Rosse metselbijtjes. Het zijn verkenners denk ik, hoop ik, want vorig jaar was mijn toen net geplaatste insectenhotel binnen de kortste keren volgeboekt. Dat het slecht gaat met de bijen, met de insecten in het algemeen, hoef ik er niet bij te zeggen. Dat weet iedereen al. Dus nu hoeven we er alleen nog maar iets aan te doen.