Oh, oh, oh, wat ziet ze er mooi uit, met die felle kleurtjes. Dat ranke postuur. Met dat strakke, metallic blauw-groen oplichtende jakje. En dat verleidelijk rode jurkje aan. Met die grote, onschuldige kijkers, ook nog. Jaja.. Maar ondertussen is het een geniepig, achterbaks krengetje dat het behoorlijk achter alle zes de ellebogen heeft. Ik zie ze regelmatig zenuwachtig, schichtig gejaagd als junkies heen en weer scharrelen bij mijn insectenhotels, de Chrysis Ignita. De gewone goudwesp. Gaatje in, gaatje uit. Met duidelijk niets goeds in de zin.
En dat klopt dan ook want deze goudwesp is een parasiet. Die hangt een beetje rond bij zo'n insectenhotel, zo van: niks aan de hand, ik ben gewoon een goudwesp, gewoon een gewone goudwesp, ik ben ook maar een insect - maar houdt intussen de metselbijtjes, die ijverig aan hun nestjes werken, scherp in de gaten. En zodra er eentje haar hielen heeft gelicht om een nieuw voorraadje bouwmateriaal te halen, duikt deze opgedirkte bedriegster naar binnen om haar eigen eitje bij dat van de metselbij te leggen en weer zo snel mogelijk te verdwijnen. Het eitje van de goudwesp komt dan net iets later uit dan dat van de nietsvermoedende metselbij, zodat de larf van de bij kan dienen als levend voedsel voor die van de wesp. De natuur..
In het Duits, lees ik toevallig, heet de gewone goudwesp de Gemeine Goldwespe, en dat neigt, voor onze Hollandse oren, misschien naar een meer toepasselijke naam
Schone schijn bedriegt ook




