Drenkeling

Drenkeling

Deze arme drommel vond ik als drenkeling in een emmer water. In de grote droogte die achter ons ligt had ik alle kuipen en emmers die ik vinden kon buiten neergezet, om zoveel mogelijk elke druppel regen die wél viel op te vangen, voor later gebruik. Nu heeft het de laatste tijd alweer best geregend maar de kuipen en de emmers staan er nog altijd, met dus inmiddels ook flink wat water erin. En ja, ik wéét dat je als attente en bewuste tuinier zorgt dat er stokken in je kuipen en emmers water staan, zodat onfortuinlijke dieren en diertjes zich erlangs kunnen redden van de verdrinkingsdood, maar dat was er om niet meer te achterhalen andere redenen dan nalatigheid nog niet van gekomen.
Ik voelde mij dus geheel terecht buitengewoon schuldig toen ik dit beestje zijn radeloze rondjes zag spartelen, in mijn emmer zonder stok. Het was volkomen aan het eind van zijn latijn (Lagria Hirta) toen ik het eruit viste. Het was geen dankbaarheid dat het geruime tijd op mijn gehandschoende vinger bleef zitten - zodat ik er als ware ramptoerist nog een foto van kon maken ook - het was pure uitputting.
Het bleek te gaan om een niet nader gespecificeerde Wolkever. Ook wel Ruigkever genaamd, lees ik, maar wolkever vind ik de betere naam want kijk maar eens naar die pluizige dekschilden, die lijken wel gebreid. Angorawol, gok ik. De soort staat bekend, volgens wikipedia, als traag. Snel rennen, staat er bij, kan hij niet. Gelukkig, zo blijkt, is het wel een volhouder, en kan hij ook een beetje zwemmen.

Bijtertje

Bijtertje

Ja, ze ziet er mooi uit natuurlijk, met haar psychedelische neon-ogen in groen, geel en paars, haar kunstzinnig gedessineerde bontjasje en haar smaakvol sober gebrandschilderde vleugeltjes, maar laat je niet in de luren leggen door haar looks, het is gewoon een etterbak, om geen ergere woorden te gebruiken.
Deze Gewone Goudoogdaas is een bijtvlieg. Een vlieg dus die, net als alle andere vliegen, buitengewoon irritant niet weg te jagen om je hoofd kan blijven zeuren en ongevraagd op de vervelendste plekken op je komt zitten, maar die je dan ook nog bijt, als je even niet oplet. Zelfs door dunne kleding heen. Met vlijmscherpe monddelen waarmee een wondje in de huid wordt gemaakt dat zelfs dagen later nog een pijnlijk jeukende zwelling kan veroorzaken.
Volgens wikipedia valt het allemaal reuze mee, want, zeggen ze daar, “de beet van de daas is voelbaar, maar niet zo pijnlijk dat iedere beet wordt opgemerkt en wordt dan ook vaak overdreven”. Het is duidelijk dat wikipedia nog nooit door een daas is gebeten. Ikzelf, door schade en schande, ben zeer geneigd de daas onmiddellijk na landing dood te meppen, wat ook makkelijk kan omdat ze eerst op het gemakkie een goed plekje uitzoeken, voordat ze toehappen, en je dus ruim de tijd krijgt zorgvuldig en trefzeker te mikken, maar omdat ik ook altijd beweer dat ik er een insectenvriendelijke tuin op na houd, weet ik me meestal nog net te beheersen. Meestal.
Het is trouwens wel zo, ik zal daar verder geen grappen over maken, dat alleen de vrouwtjes bijten. Net zoals bij muggen alleen de vrouwtjes steken. Ook daar zal ik verder geen grappen over maken. Maar het is dus wel waar.

Compliment

Compliment

Ik troonde mijn dochter mee naar mijn tuin. Mijn dochter die ook een weblog bijhoudt over haar tuin, haar stadstuin, waarin zij op zoek is naar duizend soorten.
Vannacht, had ik bedacht, zouden we nachtvlinders spotten. Al eerder deden we dat in haar Zuidhollandse stadstuin en bij de vakantiebungalow op de Veluwe, deze keer dus op mijn Noordhollandse volkstuin. Nu waren we er om alvast de opstelling te installeren. Een opgespannen witte doek met een lamp erachter en twee stoelen om in af te wachten wat er komen zou. Een werkje van niks, met een kwartiertje zouden we weer thuis zijn om pas in de schemer weer terug te keren.
Mijn dochter stond aan de rand van mijn biotoop en liet haar keurend oog erover gaan. Ik voelde de bui al hangen. Mijn tuin is minder georganiseerd dan die van haar, waarmee ik niets ten nadele van geen van de twee tuinen gezegd wil hebben.
Je mag je paadjes wel eens maaien, was de eerste observatie. Nou had ik die speciaal voor de gelegenheid eerder in de week nog gemaaid, en zoiets sputterde ik ook, maar ze hoorde me al niet meer want haar aandacht werd afgeleid door een schorpioenweidevlieg die ze nog niet had. Met getrokken telefoon dook ze mijn tuin in, vervolgens het ene beestje na het andere fotograferend, zachtjes de bijbehorende namen prevelend. De juiste namen, ook nog. Ik hobbelde er achteraan om niks te missen en vond zo, via haar, ook nog het een en ander voor het eerst. Zoals deze groene schildwants, kek als een hoedje op prinsjesdag.
Enfin, met dat kwartiertje werd het niks meer. Voordat we aan het opbouwen van onze onderzoeksopstelling toekwamen hadden we al ruim een half uur door de tuin gestruind, fotograferend en determinerend. Wat mijn dochter tot slot nog wel de uitspraak ontlokte dat zij zich kon voorstellen dat ik niet aan tuinwerk toekwam, met al die beestjes. Wat ik uiteraard als een compliment voor mijn tuin opvatte.

De bedoeling

De bedoeling

Op het ogenblik, deze dagen, deze weken, ik zal het eerlijk toegeven, is het een beetje een verwilderde toestand op de tuin. Ik zou daar allerlei excuses voor kunnen aanvoeren - een drukke agenda, belachelijke temperaturen, de ongebreidelde groeikracht der natuur - maar dat vind ik niet nodig. Al heb ik het nu natuurlijk wel net gedaan. Paden zijn overwoekerd, het heermoes is kniehoog alomtegenwoordig, net als vele soorten gras, het terras dreigt aan vergroening ten onder te gaan en de braam grijpt als de wildeman die hij is om zich heen. En al ben ik een liefhebber van de wat wildere tuin, dit gaat zelfs mij iets te ver. Mezelf kwellend met de vraag waarom ik de boel niet wat beter in de hand houd, waarom ik niet wat meer tijd steek in het enigszins beheersen van de wildgroei aan inheemse gewassen, in plaats van maar met de telefoon in de hand verliefd achter allerlei beestjes aan te hobbelen, ga ik de jungle met maaier en snoeischaar te lijf. Korven vol trek ik de grond uit in een poging de boel weer een beetje toonbaar te krijgen, op zijn minst in mijn eigen ogen. Maar ook zie ik bij elke stap die ik doe, in mijn verwilderd paradijs, tientallen diertjes en beestjes voor mijn handen en voeten wegspringen of vliegen of fladderen. Zoals dit bruine zandoogje. Dus zó erg is het nou ook weer niet, denk ik dan maar. Dit was immers de bedoeling.

Klopt

Klopt

Het is ook wel eens fijn wanneer ergens een zekere logica in lijkt te zitten. Iets van een kloppend oorzaak gevolg. Een systeem. Dat zou hier wel eens het geval kunnen zijn. Vorig jaar introduceerde ik Moerasandoorn op de tuin, gestrooiselroofd van de oevers van de Regge in Overijssel. Heeft een erg leuk bloemetje en blijkt het ook op de noordhollandse klei buitengewoon goed te doen.
Dit jaar dient zich dan de Andoornbij aan. Die, de naam verklapt het al, voornamelijk stuifmeel verzamelt van verschillende andoornsoorten. Dus dat klopt. Het maakt uit wat je doet. Het een lokt het ander uit. Alles heeft met elkaar te maken. En kijk, dat vind ik dan leuk om te ontdekken. Dat Obsidentify dan ook nog rept van een lage trefkans maakt het alleen maar beter.
De andoornbij, lees ik, is een sachembij, maar in tegenstelling tot andere sachembijen graaft de andoornbij zelf haar nestgangen uit in vermolmd hout. Daar heb ik ook wel wat van staan en liggen. In die gangen worden dan verschillende nestkamertjes gemaakt, van elkaar gescheiden met tussenschotjes van gekauwde houtpulp. Verder lees ik dat ze een extreem lange tong hebben waarmee ze nectar uit lipbloemigen verzamelen en dat ze daarbij, gelijk de kolibrievlinder, vóór de bloem in de lucht blijven zweven. Maar ja, de trefkans voor dat spektakel zal waarschijnlijk nog wel lager zijn.

Avond

Avond

Van de week was ik een paar keer een avond op de tuin, die zijn er immers weer lang genoeg voor en het weer en mijn bui waren er ook naar, vandaar. En zo zag ik dan de avondschemer langzaam nederdalen over mijn paradijs. Het zwerk kleurde langzaam roze-oranje en gaf de tuin, de bomen, de struiken een romantische, verzachtende sepiagloed. Alles verstilde, behalve de merel. Een vredig stemmend en rustgevend schouwspel. Wat ik grappig vond om te ontdekken was dat allerlei insecten een plekje voor de nacht opzochten. Tegen een stam aangedrukt, verstopt onder een blad of weggedoken tussen het gebladerte, zoals deze Dwarsstreepmaanmug. Het is een weinig wereldschokkende ontdekking, dat weet ik ook wel, maar het gaf me toch een groot gevoel van tevredenheid.

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Hoe meer beestjes ik fotografeer en door de app haal, hoe vaker het voorkomt dat ik bij een langskomend beestje denk: die heb ik al. Geloof ik, denk ik daar dan meestal achteraan. Heel soms zelfs komt het voor dat ik me de bijbehorende naam meen te herinneren, waarna ik het beestje alsnog door de app haal om dat te controleren. In uitzonderlijke gevallen heb ik dan gelijk. Zo is de stand van zaken en veel beter zal het waarschijnlijk niet worden. Geeft niks.
Bij dit beestje, dat opvallend rustig op een blad van de aalbes van het zonnetje zat te genieten, wist ik twee dingen zeker: die heb ik nog niet, en: geen idee wat het is.
Het had iets wesp-achtigs, met die smalle vleugels en die gele strepen, maar het was geen wesp. Iets boktor-achtigs, met die lange, nadrukkelijke voelsprieten, maar het was geen boktor. Door dat rare ding aan het achterlijf zou je aan iets schorpioenvlieg-achtigs kunnen denken, maar dat was het ook niet. Dat het een vlinder zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Maar dat was het dus wel. De Bessenwespvlinder, om precies te zijn. Een glasvleugelvlinder. Een afgezant van de vrij breed uitwaaierende familie der wespvlinders, ontdek ik op het alwetend web. Zoals daar zijn de eikenwespvlinder, de elzenwespvlinder, de populierenwespvlinder, de wilgenwespvlinder, de appelwespvlinder en de klaverwespvlinder. En wat te denken van de tongbrekende cipreswolfsmelkwespvlinder of de licht omineuze heksenmelkwespvlinder.
En ik vind het dan leuk om zo'n vreemde snuiter in mijn tuin aan te treffen, vooral omdat de Vlinderstichting het als een vrij zeldzame verschijning betitelt - Obsidentify houdt het op een wat zuiniger 'weinig waargenomen maar vermoedelijk vrij algemeen' - de professionele aalbessenteler doe je geen plezier met de bessenwespvlinder. De rups verpopt in een tak van de struik, net onder de schors, en voedt zich een winter lang met het hout en de bast, wat de struik natuurlijk niet ten goede zal komen. Al lees ik ook dat de vlinder de eieren bij voorkeur legt in de takken die er sowieso al niet florissant bijhangen. Dat laatste klopt ook wel voor mijn eigen aalbessenstruik die de recente transplantatie van achtertuin naar volkstuin maar met moeite lijkt te verwerken.
Verder lees ik dat ik hier te maken heb met een vrouwtje, vanwege de drie gele banden op het achterlijf - een mannetje heeft er vier. De gele strepen op het borststuk duiden er op dat het wel eens een verse vlinder zou kunnen zijn, zo uit de kwijnende takken van mijn aalbes gekropen. Wat mij dan weer op de gedachte brengt dat die smalle vleugeltjes nog niet helemaal zijn opgedroogd en dat ik hier getuige ben van de geboorte van deze bessenwespvlinder. Dat zou ook verklaren waarom ze zo kalm blijft zitten, waar de meeste insecten zich rap uit de voeten maken als ik er aan kom. Ach, wat is het toch fijn als de dingen allemaal lijken te kloppen.

Een hommel op een boterbloem?

Een hommel op een boterbloem?

Je denkt soms wel eens iets te weten, om er dan, als je niet oppast, al snel weer achter te komen dat je eigenlijk maar weinig weet. Zo zag ik deze hommel landen, op een boterbloem, en ik dacht: ja, een hommel.. wit kontje.. het zal de Tuinhommel zijn. Dat dacht ik. Niet de moeite waard om door de app te halen, want ik weet het al. En voor de Bioblitz hoef ik het ook niet te doen, want tuinhommels, die zie je genoeg. Dus.
Wat ik ook meende te weten, dat ik dat ergens gelezen had, was dat boterbloemen zulke egoïstische bloemen zijn. Kniertige krepsers, die alleen maar nemen en niks geven. Geen nectar voor de bijtjes. Nou, dat wist ik zo te zien dus al duidelijk verkeerd want deze hommel maakte er werk van. Die bleef daar geen rondjes draaien omdat ie er zo leuk duizelig van werd.
En toen ik hem dan toch maar door de app haalde, bijvoorbeeld om welwillend te ontdekken dat het hier om de Kleine Witbehaarde Dikpootboterbloemhommel ging - ik verzin maar even een naam - of misschien ook wel om bevestigd te worden in mijn ontluikend entomologisch gelijk, bleek het dus ook nog eens helemaal geen hommel te zijn. Geen tuinhommel, laat staan een kleine witbehaarde dikpootboterbloemhommel, maar de Grote Narcisvlieg. Die zich dus blijkbaar vermomt als hommel.
De larven, lees ik, leven in bloembollen. Dat zullen dan wel de bollen van de narcis zijn, zou je denken. Maar weten doe je het niet.

Een laatste omhelzing

Een laatste omhelzing

Schreef ik gister nog uitgebreid over de Kaardebol en haar gewoonte water op te vangen en vast te houden in speciaal daarvoor gegroeide kelken onderin de plant. En de ergens vandaan geplukte kennis dat wellicht dorstige insecten die per ongeluk in zo'n watervoorraad vallen en verzuipen de plant ook tot voedsel dienen, in verteerde vorm mag je aannemen. Vandaag kreeg ik boter bij de vis, zogezegd. Bij een regenachtig rondje over de tuin zag ik deze twee onfortuinlijke beestjes drijven, in een goedgevuld bassin. Onvoorzichtig geweest. Overmoedig. Dat ze daar met z'n tweeën drijven, alsof ze elkaar in wanhoop hebben vastgegrepen, in een laatste omhelzing, geeft het beeld iets dramatisch. Het zijn, volgens Obsidentify, twee niet nader gedefinieerde bladwespen, aangeduid met de wetenschappelijke naam Tenthredopsis spec. Maar als alle informatie klopt, veranderen ze nu dus langzaam maar zeker in Kaardebol.

Geen vegetariër

Geen vegetariër

Met zijn wat nurkse, stekelige voorkomen, zijn primitieve, robuuste en nog stekeliger bloemen, is de Kaardebol één van mijn lievelings in de tuin. Samen met de Gunnera, ook al zo'n prehistorische verschijning, met die enorme bladeren als parasols en bloemkolven als honkbalknuppels.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Vorige zomer had ik handenvol zaad uit Frankrijk vakantieland meegenomen, met het plan in eigen tuin een plantage te beginnen. Ik ben dol op grote plannen. Nou doe ik dat wel vaker, handenvol zaad meenemen van uitstapjes en wandelingen in de natuur, met het vaste voornemen dat in eigen tuin tot groei en bloei te laten komen, maar dat wordt niet altijd een groot succes. Omdat het zaad niet op wil komen, in mijn potjes of mijn volle grond, maar ook wel omdat het er niet altijd van komt het zaad in een potje of de volle grond te stoppen. Regelmatig kom ik vage boterhamzakjes met pluis of pitjes of korrels tegen en heb ik geen idee meer waar het van was en bij welke gelegenheid ik dat had meegenomen. Stel ik het plan alsnog uit, omdat het nu het seizoen niet is of ik er nu even geen zin in heb, waarna van uitstel afstel komt. Of ik flikker de hele zooi zo de tuin in, om er vanaf te zijn, met hetzelfde resultaat. Zo eindigen meer van mijn grote plannen, wat dat betreft zegt de tuin ook wel iets over de tuinier.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Niet voor niets is het mijn lievelings, dus deze keer zaaide ik het meegenomen zaad kwistig voor, vertroetelde het spul met liefde en aandacht en binnen de kortste keren had ik genoeg Kaardebolletjes voor wel drie plantages. Over grote plannen gesproken. Ik gaf er hier en daar weg aan wie ze maar hebben wilde en zette ze verder op allerlei plekken in de tuin zodat ik van de zomer overal die weerbarstige prikbloemen bovenuit zie steken. Waarvan de bruin geworden skeletten het ook de hele winter nog uithouden, als schilderachtige herinnering aan de zomer die voorbijging en de zomer die weer komen gaat.
Onlangs deed ik nog een aardige ontdekking trouwens, over de Kaardebol, want daar heb ik het over. Na een flinke regenbui zag ik, bij het vaste rondje door de tuin, dat die water opvangt en vasthoudt. Tegen de stengel aan vormen de bladeren een soort kelk waar het water in blijft staan. Voor later gebruik, zo lees ik ergens, al ligt dat ook wel voor de hand natuurlijk. Het opmerkelijke zat 'm meer in wat ik daar verder over las, namelijk dat insecten en beestjes die per ongeluk in dat water terechtkomen en verzuipen ook als voeding door de plant worden opgenomen. Het voert misschien te ver de Kaardebol nu een vleesetende plant te noemen, een vegetariër is het ook niet. Toch blijft hij één van mijn lievelings.
De langpootmug die hier waarschijnlijk nietsvermoedend wat zit uit te blazen, in de beschutting van het blad, mag wel op zijn tellen passen. Al zal het in zijn geval wel goed komen, het is tenslotte niet voor niets een hoefijzertijger. Die heeft het geluk aan zijn zijde.