Sporen

Sporen

Ik vind het altijd leuk om sporen van dieren aan te treffen in mijn tuin. Dat geeft me het vrolijk makende, het gelukkig stemmende gevoel dat mijn tuin bewoond wordt. Dat dieren zich verwaardigen mijn tuin uit te kiezen als plek om te zijn. Mijn tuin te vereren met een bezoek. Dat mijn tuin deel uitmaakt van de natuur, hoe bescheiden en ontoereikend dan ook. Ik weet natuurlijk ook wel dat het ze vooral om het vreetwerk te doen is, maar goed, daarin onderscheiden ze zich nou ook weer niet zo heel erg van mensen, zeker niet in deze tijd van het jaar. Dus ik voel me vereerd wanneer ik een drol vind die ik op basis van nader onderzoek aan een egel toeschrijf. Ik vind het leuk om te zien dat mijn bramen geplukt en gegeten worden door vogels. Dat merels een zooitje maken van mijn gekoesterde mosbedjes, op zoek naar de worm. Van de week maakte mijn hart een sprongetje toen ik een gat tegenkwam in de stam van een dood appelboompje, waarvan ik dan dus vermoedde dat dat werd gehakt door de spechten die ik regelmatig zie vliegen. In één van mijn nestkastjes trof ik tot mijn grote vreugde een achtergebleven nestje van een koolmees. Als ik een soort wandelpad door het hoge gras aantref, een soort tunneltje, weet ik: dat is een wissel. Daar loopt een dier over heen en weer te banjeren, van hier naar daar en weer terug. En dat dat dan hoogstwaarschijnlijk wel een rat zal zijn, dat maakt me niet uit. Van een ronde, platgeslagen plek in het gras had ik van de zomer het idee dat dat wel eens de slaapplek van een haas kon zijn. En het sierappelboompje waar ik al eerder over schreef is nu toch ook zo goed als leeggevreten. Overal vind ik de knalrode schilletjes en de gele klokhuisjes die over blijven. En dan vind ik het leuk om te denken dat dat ook het werk is van de kramsvogel die ik gister nog zelfstandig determineerde.

Mos

Mos

Mijn schoonmoeder, toen ze nog leefde, kon enorm tekeergaan over dat verschrikkelijke mos dat als ze niet oplette haar hele gazon overnam. Regelmatig lag ze halve dagen op haar oude knieën om het tuig met een aardappelschilmesje te lijf te gaan. Weg te steken. Uit te roeien. Met wortel en tak. Wat haar overigens nooit lukte, mos heeft wortel noch tak, en als ze zou zien hoe haar gazon, al ruim twee jaar zonder haar zorg, er nu bij lag zou ze zich, als ze niet gecremeerd was, beslist omdraaien in haar graf. Bij mij werkt het anders. Ik ben dol op mos. Ik kan bijna niet wachten tot het niet uit te roeien kweekgazon dat mijn tuin telkens opnieuw bedekt erdoor wordt overgenomen. Mos is zoveel mooier dan gras. Zoveel vriendelijker, beschaafder. Dat zachte, verleidelijke groen alleen al. Mijn favoriet uitzicht om doorheen te wandelen is een bos waarvan de bodem geheel is bedekt met een zacht golvend uitnodigend mosbed van bijna lichtgevend groen, liefst in stemmig gefilterd zonlicht. Mocht het in mijn tuin ooit zover komen zou ik dat zeker niet erg vinden. Voorlopig moet ik het doen met kleine enclaves zo hier en daar en ben ik bijna beledigd als ik zie dat de merels er weer een zooitje van hebben gemaakt.

Rattenkeutels

Rattenkeutels

Overigens is niet alles schijnbaar dood of stervende hoor, op de wintertuin. Je moet er even voor door de knieën, maar dit koddig miniatuurplantje trekt zich vooralsnog nergens wat van aan. Wit vetkruid. Sedum Album, voor de Latinisten. Staat trouwens al het hele jaar geheel onopvallend en bescheiden z'n gangetje te gaan, een beetje verstopt achter een steen. Op een steen ook, want daar, lees ik, groeit het graag. Het gedijt op kalkrijke plaatsen als kale wegbermen, langs de rails, op muren en daken. Je ziet het ook wel op de groene daken van woke, extreemlinks elitaire milieudrammers. De blaadjes zien er een beetje uit als besjes, vind ik zelf. Je kunt je voorstellen welk petsend geluidje ze zouden maken als je ze tussen je vingers stuk kneep. Net als vroeger die wit met roze klapbessen, als je ze op de stoep kapot gooide, of met je blaaspijp tegen de muur schoot. Maar dat ga ik hier allemaal niet mee proberen uiteraard, zonde. In Utrecht en op Zuid-Beveland wordt het Tripmadam genoemd, lees ik verder. Wat niet alleen de vraag oproept wat Utrecht en Zuid-Beveland verder nog met elkaar te maken hebben, het ligt niet bepaald naast elkaar tenslotte, maar ook wat er gebeurt als je zo'n blaadje tussen je kiezen zou laten petsen. Op Schouwen wordt het Krabbekwaad genoemd, wat ook nogal omineus klinkt in vergelijking met het schattige uiterlijk, maar misschien dat krabben er heel slechte trips op hebben, je weet het niet. Het kan ook te maken hebben met de verzachtende werking die het kruid wordt toegeschreven. Dat je niet meer hoeft te krabben waar het jeukt. In Groningen dan weer, hebben ze het over Schotkruid - toch het petsend geluidje wellicht - of Rattenkeutels. Het is dus maar te hopen dat de rattenpolitie, die deze week door de tuincommissie over ons complex op pad wordt gestuurd om al te rattenvriendelijke tuinders op de bon te slingeren, niet uit Groningen komt.

In pauzestand

In pauzestand

Heel vaak ben ik niet op de tuin, de laatste tijd, zal ik bekennen. Het is er meestal het weer niet voor en de dagen hebben de neiging zich met andere zaken te vullen nu er niks valt te oogsten, te verspenen of te verpotten, te maaien of te redden van de droogte. Je hoort wel eens iets over winterklaar maken maar daar doe ik niet zo erg aan. Dat kan de tuin zelf wel, denk ik dan. En dat heeft ook zeker zijn charme. Alles gaat op zijn eigen manier dood. Verlept, verslijmt of verdroogt, wordt kaal, stort ter aarde en verrot. En zo hoort het te gaan. Het levert een mooie humuslaag op en er leeft van alles in en onder. Gewoon de boel de boel laten is winterklaar genoeg voor mij. En dan zien we van het voorjaar wel weer verder. Dat de tuin er precies zo over denkt meen ik ook te kunnen zien, wanneer ik toch mijn sporadisch rondje maak. Aan allerlei bomen en struiken zie ik al de knoppen die over een paar maanden nieuw blad zullen geven. Onder al het bruin en zwart op de grond wacht zichtbaar het nieuwe leven geduldig af. De tuin in pauzestand. Alleen de dotter, die stuurt alvast wat verkenners vooruit om te kijken hoe de zaken er voor staan. Die is niet winterklaar, die is klaar met de winter.

Levensweg (vrnl)

Levensweg (vrnl)

Erg veel insecten zie je niet meer op de tuin, deze dagen. Niet als je er niet echt naar op zoek bent in elk geval. Bij Renze Borkent lees ik dat hij nu volop springstaartjes tegenkomt in zijn bemotregende tuin, op en onder de halfvergane herfstbladeren. Maar goed, dat zijn beestjes van soms nog geen millimeter. Daar moet je wel echt op uit zijn. Als je al wist dat ze bestonden. Als je al onthouden had dat die bestonden, want in zijn boek, dat ik las, had hij het er ook al over. Dat is voor gevorderden. Al zal ik niet ontkennen dat, nu ik dit weet, ik deze week hoogstwaarschijnlijk ook mijn geluk eens zal beproeven, onder mijn halfvergane herfstbladeren. Maar goed, afgezien van de pissebedden en de wurmen in de compostbak en de slapende larven in het bijenhotel, in diverse gallen her en der en in de bodem natuurlijk, geen insecten. Wel sporen van insecten. Bij het snoeien van de braam kwam ik dit blad tegen waarin een bladmineerder zijn levensweg had afgelegd. Een beestje zo klein dat het in het blad leeft, tussen boven- en onderkant. Om zich in een paar dagen tijd door het bladgroen de weg naar volwassenheid te vreten en het blad als vliegje of wespje te verlaten. Wonderlijk. En grappig dat je inderdaad kunt zien dat hij al vretend gaandeweg steeds groter werd, van rechts naar links.

Tijdelijk graf

Tijdelijk graf

Het is de trots van je tuin, deze machtige plant. De Gunnera. Met z'n weerbarstige bladeren, groot als parasols, z'n stekelige stengels en z'n bloemaren als knuppels. Maar één lullig Hollands nachtvorstje en hij heeft het gehad. Slap als een vaatdoek. Dus net iets te laat heb ik gedaan wat ik elk jaar net iets te laat doe, wat elk jaar net iets eerder gedaan moet worden: alle bladeren afknippen en de kluiten er liefdevol mee afdekken ter bescherming tegen eventueel nog komende lullige nachtvorstjes en erger winters ongemak. Zodat ie volgend jaar weer de ongenaakbare gigant kan uithangen. Ik hou van m. En dit graf, al is het een tijdelijk graf, stemt mij een tikje verdrietig. Weer een jaar voorbij. Gelukkig vliegt er dan een wulp over, zo goed als rakelings over me heen. Het karakteristiek silhouet met de naar beneden gekromde snavel (de wulp wijst naar zijn gulp) duidelijk herkenbaar afgetekend tegen de oprukkende winterschemer. Dit beeld, en de heldere, wat melancholieke roep maakt alles weer goed. Of, nou ja.. alles.. veel toch in elk geval.

Kolven, aren, bloemen

Kolven, aren, bloemen

Wie ik natuurlijk niet mag vergeten te vermelden, als het gaat om stugge herfst of geen herfst doorbloeiers, is de Gunnera. Eén van mijn lievelings, invasieve exoot of niet. Dat ie invasief is heeft ie trouwens dit seizoen bewezen, want op twee plekken in de tuin zijn spontaan gezonde nakomelingen opgedoken. Maar goed, de bloemen. Je zou kunnen zeggen dat de Gunnera bescheiden bloeit, als het niet ook van die enorme kolven waren, in enorme hoeveelheden bovendien. Die zich dan weer wel angstvallig verschuilen onder het indrukwekkend bladerdak. Dat deze dagen naar de winter toe langzaamaan ineenstort en zijn verborgen schatten blootgeeft. Prehistorische schoonheid, als je het mij vraagt. Robuuste, weerbarstige kolven, aren, bloemen, hoe moet je het noemen. Net aan met twee handen te omvatten, een halve meter hoog als het moet. Zo hard dat je er iemand mee knock out zou kunnen slaan, als je daarvoor in de stemming zou zijn. En dan toch weer van die piepkleine rode balletjes in de stekelige spelonken. Wat zouden het zijn? Zaden? De eigenlijke bloemen? Ik weet het niet. Van horen zeggen schijn je er kleurstof van te kunnen maken, vandaar de volledige naam Gunnera Tinctoria wellicht. Hoe dat in zijn werk zou moeten gaan, heb ik tot nog toe nergens kunnen vinden. Maar dat wil niet zeggen dat het niet waar is.

Boodschap

Boodschap

Herfst of niet, er zijn altijd volhouders die daar net als ik niet aan willen. Die hun kop in de wind gooien en onverdroten door blijven bloeien. Eerder noemde ik al de cichorei, die tot op de dag van vandaag iedere dag nieuwe bloemen tevoorschijn tovert van het teerste lila, alsof het nog volop lente is, alsof de zomer net is begonnen. Maar er zijn er meer die er zo over denken. De paardenbloem, bijvoorbeeld. De teunisbloem, onvermoeibaar. Het oranje havikskruid duikt overal op. Zelfs de braam kan er geen genoeg van krijgen. En zo zijn er verschillende plekjes op de tuin waar tussen het grote sterven en het donkerbruin verval de boodschap valt te lezen dat het straks allemaal weer goed komt.

De boompjes doen hun best

De boompjes doen hun best

Het is herfst op de tuin. Dat zal niemand verbazen, het is herfst in heel het land en ver daarbuiten. Ik was er niet veel, de afgelopen weken, op de tuin. Omdat ook het weer zich nogal herfstachtig gedroeg. Met wind en regen en donker chagrijn. Reden waarom ik niet per se een liefhebber van de herfst ben. Toch heeft de herfst natuurlijk ook wel zijn charme. Ja hoor. Als de zon er maar een beetje op staat. En dan mag het van mij best een herfstzonnetje zijn. Dan is het verval best aan te zien. Dan kan ik daar de schoonheid zeker wel van inzien. Uitgebloeide staketsels van kaardenbol, groot koeienoog, boerenwormkruid, zuring.. ze leveren een schilderachtig beeld op. En de boompjes doen ook hun best, met de herfstkleuren. Ik zie het allemaal, en ik waardeer het, accepteer het als onvermijdelijk onderdeel van de cyclus des levens.. toch bezie ik het ook met het oog der verwachting. Hoe alles straks weer tot leven komt. Het duurt nog even. Maar tot die tijd maken we er het beste van.

Dom geluk

Dom geluk

Koperwieken, las ik, broeden niet in Nederland. En geef ze eens ongelijk. Dat doen ze in Scandinavië, of nog noordelijker. Overwinteren doen ze dan weer in zuidelijker streken, Frankrijk, Spanje, Italië.. tot aan Syrië aan toe. Alleen deze herfstige maanden zijn ze even hier. Op doorreis. Als tussenstop, om zich even vol te vreten aan appels, peren en bessen. Voor de rest van de tocht. Alle reden dus om zodra ik op de tuin ben de kijker te pakken en naar de appelboom in het bosje verderop te sluipen, waar ik ze kortgeleden aantrof. Nu zijn ze er nog tenslotte. Lang hoef ik niet te wachten, daar daalt een wolk vogels fladderend de boom in. Na enig gestuntel heb ik ze in de kijker. Duidelijk zie ik de oranje vegen onder de vleugels waar ze hun naam aan te danken hebben. Maar hé.. ik zie er ook die dat niet hebben. Ik zie er ook die wat groter lijken, die wat anders getekend zijn. Verstand heb ik er niet van, maar dit lijken me dan dus geen koperwieken. Waar ik het vandaan haal weet ik niet, niet uit de boom der kennis in elk geval, maar ergens uit de doos klok en klepel en aanverwanten meldt zich de naam Kramsvogel. Zouden dit kramsvogels zijn? Een uur geleden had ik geen adequate beschrijving van de kramsvogel kunnen geven, zelfs niet bij benadering, nu weet ik op niks af bijna zeker dat het zo is. En dan is het fijn dat je het wereldwijde web op zak hebt. Binnen een minuut weet ik dat ik gelijk heb. Dom geluk natuurlijk, en niks om trots op te zijn, maar ik ben het toch.