De ene drol is de andere niet

De ene drol is de andere niet

Over het algemeen ben ik geen fan van stront in de berm. Maar de ene drol is de andere niet. Want toen ik dit zag liggen, werd ik daar toch een soort van blij van. Het blijft stront natuurlijk, maar dit, meende ik te zien, was niet van de hond van verderop, het was waarschijnlijk helemaal niet van een hond, maar, ik houd meerdere slagen om de arm, dit zou wel eens van een vos kunnen zijn. Dacht ik. Vanwege de puntige vorm, dacht ik dat. En voor een egel waren ze veel te groot. Ik word er altijd erg gelukkig van als ik merk dat mijn tuin onderdeel uitmaakt van de natuur. Dat dieren het gebruiken als hun leefgebied. Dat ze dan van de bessen en de blaadjes vreten, nou ja, dat neem ik voor lief. Dat een vos wel eens één van mijn geliefde hazen zou kunnen grijpen, ook daar zou ik mee kunnen leven. Dat is de natuur. In tegenstelling tot wanneer de hond van de buurman dat doet. Een vos op mijn tuin, dat zou ik wel cool vinden. Op internet zocht ik voorbeelden van vossendrollen en met een beetje goede wil leek dit, wat hier in mijn berm lag, er best heel aardig op. Voor de zekerheid zocht ik ook nog even op of vossen hier überhaupt wel voorkomen, en dat bleek inderdaad het geval. Ik ben tot nader order dus blij met vossendrollen. Maar als het toch van de hond van verderop blijkt te zijn, vind ik dat die aso z'n smerige rotzooi op moet rapen.

Geen poepjes

Geen poepjes

Net als ik, hebben ook de vogeltjes de lente in het hoofd natuurlijk. Als je goed oplet zie je er zo af en toe al eentje vastberaden vliegen met een twijgje of een veertje of een rommeltje in de snavel. Eigenlijk ben ik er dus te laat mee, als ik deze week de nestkasten op mijn tuin leeghaal, om ruimte te maken voor nieuwe kandidaten. Maar allicht is het huizenaanbod voor vogels al net zo krap als voor onze jongvolwassen zonen en zijn ook de vogels blij met alles dat beschikbaar komt, wanneer het beschikbaar komt. Ik heb meerdere nestkasten verspreid over mijn tuin en twee daarvan zijn de afgelopen zomer in gebruik geweest. Twee prachtige nestjes haalde ik tevoorschijn, gemaakt van grasjes, mos, veertjes en haar. Ik dacht terug aan de warme dagen dat ik vanaf mijn terras het ijverig heen en weer vliegen van de koolmezen in de gaten hield. Hoe ik op zekere dag de nieuwe meesjes op verkenningstocht door de tuin meende te zien scharrelen. Hoe leuk ik dat gevonden had. Wat mij opviel bij het leeghalen van de kastjes was dat er behoorlijk wat poepjes waren achtergebleven, waar ik toch meende te weten dat de oudervogels die telkens na het voederen mee naar buiten namen, om het nest een beetje schoon te houden. Blijkbaar verschillen ook bij mezen de opvattingen over properheid en hygiëne. Maar goed. Bij nadere inspectie viel me nog iets op: niet alle poepjes bleken poepjes te zijn. Langs de rand van het nest ontdekte ik een rijtje bruinige, ovale dingetjes die in eerste instantie wel op poepjes leken, maar die ik daarna als coconnetjes determineerde, omdat ik er kleine gaatjes in zag. Kleine, holle boontjes, waren het. Van binnen leken ze rood te zijn. De nestjes waren niet alleen door mezen gebruikt, ook een insect had hier de eieren uitgebroed. Uit laten broeden, feitelijk. Na een speurtocht op internet langs alle mogelijke cocons gok ik op de een of andere sluipwesp, maar wie een beter idee heeft mag het zeggen.

Sporen

Sporen

Ik vind het altijd leuk om sporen van dieren aan te treffen in mijn tuin. Dat geeft me het vrolijk makende, het gelukkig stemmende gevoel dat mijn tuin bewoond wordt. Dat dieren zich verwaardigen mijn tuin uit te kiezen als plek om te zijn. Mijn tuin te vereren met een bezoek. Dat mijn tuin deel uitmaakt van de natuur, hoe bescheiden en ontoereikend dan ook. Ik weet natuurlijk ook wel dat het ze vooral om het vreetwerk te doen is, maar goed, daarin onderscheiden ze zich nou ook weer niet zo heel erg van mensen, zeker niet in deze tijd van het jaar. Dus ik voel me vereerd wanneer ik een drol vind die ik op basis van nader onderzoek aan een egel toeschrijf. Ik vind het leuk om te zien dat mijn bramen geplukt en gegeten worden door vogels. Dat merels een zooitje maken van mijn gekoesterde mosbedjes, op zoek naar de worm. Van de week maakte mijn hart een sprongetje toen ik een gat tegenkwam in de stam van een dood appelboompje, waarvan ik dan dus vermoedde dat dat werd gehakt door de spechten die ik regelmatig zie vliegen. In één van mijn nestkastjes trof ik tot mijn grote vreugde een achtergebleven nestje van een koolmees. Als ik een soort wandelpad door het hoge gras aantref, een soort tunneltje, weet ik: dat is een wissel. Daar loopt een dier over heen en weer te banjeren, van hier naar daar en weer terug. En dat dat dan hoogstwaarschijnlijk wel een rat zal zijn, dat maakt me niet uit. Van een ronde, platgeslagen plek in het gras had ik van de zomer het idee dat dat wel eens de slaapplek van een haas kon zijn. En het sierappelboompje waar ik al eerder over schreef is nu toch ook zo goed als leeggevreten. Overal vind ik de knalrode schilletjes en de gele klokhuisjes die over blijven. En dan vind ik het leuk om te denken dat dat ook het werk is van de kramsvogel die ik gister nog zelfstandig determineerde.

Levensweg (vrnl)

Levensweg (vrnl)

Erg veel insecten zie je niet meer op de tuin, deze dagen. Niet als je er niet echt naar op zoek bent in elk geval. Bij Renze Borkent lees ik dat hij nu volop springstaartjes tegenkomt in zijn bemotregende tuin, op en onder de halfvergane herfstbladeren. Maar goed, dat zijn beestjes van soms nog geen millimeter. Daar moet je wel echt op uit zijn. Als je al wist dat ze bestonden. Als je al onthouden had dat die bestonden, want in zijn boek, dat ik las, had hij het er ook al over. Dat is voor gevorderden. Al zal ik niet ontkennen dat, nu ik dit weet, ik deze week hoogstwaarschijnlijk ook mijn geluk eens zal beproeven, onder mijn halfvergane herfstbladeren. Maar goed, afgezien van de pissebedden en de wurmen in de compostbak en de slapende larven in het bijenhotel, in diverse gallen her en der en in de bodem natuurlijk, geen insecten. Wel sporen van insecten. Bij het snoeien van de braam kwam ik dit blad tegen waarin een bladmineerder zijn levensweg had afgelegd. Een beestje zo klein dat het in het blad leeft, tussen boven- en onderkant. Om zich in een paar dagen tijd door het bladgroen de weg naar volwassenheid te vreten en het blad als vliegje of wespje te verlaten. Wonderlijk. En grappig dat je inderdaad kunt zien dat hij al vretend gaandeweg steeds groter werd, van rechts naar links.

Gemengde gevoelens

Gemengde gevoelens

Moet je hier nou wel of niet blij mee zijn, met je insectenvriendelijke tuin? Met je laat de natuur z'n gang maar gaan instelling? Met je heilig vertrouwen in Moeder Natuur, wiens wegen weliswaar ondoorgrondelijk zijn maar die schijnt te weten wat ze doet? Laten we het op gemengde gevoelens houden. Het ziet er prachtig uit, zonder enige twijfel, maar het zijn dus wel slakkeneitjes. De slakken van morgen. De aangevreten oogst van volgend seizoen. En het seizoen daarna. En de seizoenen daarna, want een slak wordt zo vijftien jaar, is eeuwig trouw aan zijn geboortegrond en legt soms wel zes keer per jaar tot tweehonderd eieren, is het gewogen gemiddelde van wat ik zo hier en daar lees. Dus ja, nee, ik sta niet te juichen bij deze vondst. Aan de andere kant, de slakken van morgen zijn ook weer het voedsel voor de egels, de vogels, de muizen en de padden van morgen. Sommige paddestoelen eten slakken, lees ik, net als schimmels, vraag me niet hoe dat in zijn werk gaat. Loopkevers en duizendpoten jagen op slakken. Hagedissen, kikkers, hazelwormen en ringslangen eten ze. En de eitjes zelf zijn vast ook een traktatie, voor deze of gene. Ik heb eenden er wel eens op los zien gaan tenminste. Dus ja, nee, ik raak er ook weer niet meteen van in de moordlustige stress, van deze vondst. Al is het moeilijk principieel te blijven, in dit geval, en vraag ik me wel een beetje opstandig af waarom er nog zó veel rondglijden, met al die veronderstelde liefhebbers op de kust. Laten we het inderdaad maar op gemengde gevoelens houden.

Zo van het penseel gevallen

Zo van het penseel gevallen

Gut, wat zou dit nou toch weer zijn, dacht ik bij het zien van deze fraai gekleurde stippen op het blad van de paardenbloem. Als druppels aquarelverf, karmijnrood, zo van het penseel gevallen. Naar de rand toe vervagend, uitgelopen op het helder groen papier van het paardenbloemblad. Vanwege de herfst en het vochtige weer dacht ik in eerste instantie aan de een of andere schimmel. Of een soort roest, wat dan trouwens ook weer een schimmel is, lees ik net. Maar nee, blijkt uit nader onderzoek, dit is het werk van de paardenbloemvlekgalmug. Die heeft hier haar eitjes gelegd, en veroorzaakt daarmee die artistieke vlekken. Klinkt vervelend, een galmug. Je begint al te krabben als je het woord hoort. Het valt echter mee. Sterker nog, het is eigenlijk wel goed nieuws. De larven van de galmug eten namelijk bladluizen. En veel ook. De galmug, lees ik, wordt wel ingezet als biologische bestrijder van bladluis in de tuinbouw. Je kunt ze kopen, op internet. Ik krijg ze gratis, van de natuur. En zo blijkt opnieuw hoe nuttig de vaak verguisde paardenbloem is. Ik zocht dan nog een plaatje van de volwassen paardenbloemvlekgalmug, maar dat was vreemd genoeg op gans het wereldwijde web niet te vinden. Wel bleek dat er vele, vele soorten galmuggen zijn. Perenbladgalmug, brandnetelbladgalmug, melkdistelpokgalmug, rozenbladgalmug, wilgentopgalmug, geoorde wilgbladgalmug.. kortom, een beetje plant kan niet zonder zijn eigen galmug.

Eiken en eikels

Eiken en eikels

Sporen van dierlijke aanwezigheid. Op verschillende plekken in de tuin vind ik ze, leeggegeten eikels. De eikjes die ik hier en daar in potten heb staan zijn de komende honderd jaar waarschijnlijk nog niet zo groot dat ze eikels gaan dragen. Wel verklaart het de eikjes die ik op verschillende plekken spontaan op zie komen, in de tuin. Vergeten voedselvoorraden. Of verloren of achtergelaten buit.