In pauzestand

In pauzestand

Heel vaak ben ik niet op de tuin, de laatste tijd, zal ik bekennen. Het is er meestal het weer niet voor en de dagen hebben de neiging zich met andere zaken te vullen nu er niks valt te oogsten, te verspenen of te verpotten, te maaien of te redden van de droogte. Je hoort wel eens iets over winterklaar maken maar daar doe ik niet zo erg aan. Dat kan de tuin zelf wel, denk ik dan. En dat heeft ook zeker zijn charme. Alles gaat op zijn eigen manier dood. Verlept, verslijmt of verdroogt, wordt kaal, stort ter aarde en verrot. En zo hoort het te gaan. Het levert een mooie humuslaag op en er leeft van alles in en onder. Gewoon de boel de boel laten is winterklaar genoeg voor mij. En dan zien we van het voorjaar wel weer verder. Dat de tuin er precies zo over denkt meen ik ook te kunnen zien, wanneer ik toch mijn sporadisch rondje maak. Aan allerlei bomen en struiken zie ik al de knoppen die over een paar maanden nieuw blad zullen geven. Onder al het bruin en zwart op de grond wacht zichtbaar het nieuwe leven geduldig af. De tuin in pauzestand. Alleen de dotter, die stuurt alvast wat verkenners vooruit om te kijken hoe de zaken er voor staan. Die is niet winterklaar, die is klaar met de winter.

Levensweg (vrnl)

Levensweg (vrnl)

Erg veel insecten zie je niet meer op de tuin, deze dagen. Niet als je er niet echt naar op zoek bent in elk geval. Bij Renze Borkent lees ik dat hij nu volop springstaartjes tegenkomt in zijn bemotregende tuin, op en onder de halfvergane herfstbladeren. Maar goed, dat zijn beestjes van soms nog geen millimeter. Daar moet je wel echt op uit zijn. Als je al wist dat ze bestonden. Als je al onthouden had dat die bestonden, want in zijn boek, dat ik las, had hij het er ook al over. Dat is voor gevorderden. Al zal ik niet ontkennen dat, nu ik dit weet, ik deze week hoogstwaarschijnlijk ook mijn geluk eens zal beproeven, onder mijn halfvergane herfstbladeren. Maar goed, afgezien van de pissebedden en de wurmen in de compostbak en de slapende larven in het bijenhotel, in diverse gallen her en der en in de bodem natuurlijk, geen insecten. Wel sporen van insecten. Bij het snoeien van de braam kwam ik dit blad tegen waarin een bladmineerder zijn levensweg had afgelegd. Een beestje zo klein dat het in het blad leeft, tussen boven- en onderkant. Om zich in een paar dagen tijd door het bladgroen de weg naar volwassenheid te vreten en het blad als vliegje of wespje te verlaten. Wonderlijk. En grappig dat je inderdaad kunt zien dat hij al vretend gaandeweg steeds groter werd, van rechts naar links.

Tijdelijk graf

Tijdelijk graf

Het is de trots van je tuin, deze machtige plant. De Gunnera. Met z'n weerbarstige bladeren, groot als parasols, z'n stekelige stengels en z'n bloemaren als knuppels. Maar één lullig Hollands nachtvorstje en hij heeft het gehad. Slap als een vaatdoek. Dus net iets te laat heb ik gedaan wat ik elk jaar net iets te laat doe, wat elk jaar net iets eerder gedaan moet worden: alle bladeren afknippen en de kluiten er liefdevol mee afdekken ter bescherming tegen eventueel nog komende lullige nachtvorstjes en erger winters ongemak. Zodat ie volgend jaar weer de ongenaakbare gigant kan uithangen. Ik hou van m. En dit graf, al is het een tijdelijk graf, stemt mij een tikje verdrietig. Weer een jaar voorbij. Gelukkig vliegt er dan een wulp over, zo goed als rakelings over me heen. Het karakteristiek silhouet met de naar beneden gekromde snavel (de wulp wijst naar zijn gulp) duidelijk herkenbaar afgetekend tegen de oprukkende winterschemer. Dit beeld, en de heldere, wat melancholieke roep maakt alles weer goed. Of, nou ja.. alles.. veel toch in elk geval.

Kolven, aren, bloemen

Kolven, aren, bloemen

Wie ik natuurlijk niet mag vergeten te vermelden, als het gaat om stugge herfst of geen herfst doorbloeiers, is de Gunnera. Eén van mijn lievelings, invasieve exoot of niet. Dat ie invasief is heeft ie trouwens dit seizoen bewezen, want op twee plekken in de tuin zijn spontaan gezonde nakomelingen opgedoken. Maar goed, de bloemen. Je zou kunnen zeggen dat de Gunnera bescheiden bloeit, als het niet ook van die enorme kolven waren, in enorme hoeveelheden bovendien. Die zich dan weer wel angstvallig verschuilen onder het indrukwekkend bladerdak. Dat deze dagen naar de winter toe langzaamaan ineenstort en zijn verborgen schatten blootgeeft. Prehistorische schoonheid, als je het mij vraagt. Robuuste, weerbarstige kolven, aren, bloemen, hoe moet je het noemen. Net aan met twee handen te omvatten, een halve meter hoog als het moet. Zo hard dat je er iemand mee knock out zou kunnen slaan, als je daarvoor in de stemming zou zijn. En dan toch weer van die piepkleine rode balletjes in de stekelige spelonken. Wat zouden het zijn? Zaden? De eigenlijke bloemen? Ik weet het niet. Van horen zeggen schijn je er kleurstof van te kunnen maken, vandaar de volledige naam Gunnera Tinctoria wellicht. Hoe dat in zijn werk zou moeten gaan, heb ik tot nog toe nergens kunnen vinden. Maar dat wil niet zeggen dat het niet waar is.

Boodschap

Boodschap

Herfst of niet, er zijn altijd volhouders die daar net als ik niet aan willen. Die hun kop in de wind gooien en onverdroten door blijven bloeien. Eerder noemde ik al de cichorei, die tot op de dag van vandaag iedere dag nieuwe bloemen tevoorschijn tovert van het teerste lila, alsof het nog volop lente is, alsof de zomer net is begonnen. Maar er zijn er meer die er zo over denken. De paardenbloem, bijvoorbeeld. De teunisbloem, onvermoeibaar. Het oranje havikskruid duikt overal op. Zelfs de braam kan er geen genoeg van krijgen. En zo zijn er verschillende plekjes op de tuin waar tussen het grote sterven en het donkerbruin verval de boodschap valt te lezen dat het straks allemaal weer goed komt.

De boompjes doen hun best

De boompjes doen hun best

Het is herfst op de tuin. Dat zal niemand verbazen, het is herfst in heel het land en ver daarbuiten. Ik was er niet veel, de afgelopen weken, op de tuin. Omdat ook het weer zich nogal herfstachtig gedroeg. Met wind en regen en donker chagrijn. Reden waarom ik niet per se een liefhebber van de herfst ben. Toch heeft de herfst natuurlijk ook wel zijn charme. Ja hoor. Als de zon er maar een beetje op staat. En dan mag het van mij best een herfstzonnetje zijn. Dan is het verval best aan te zien. Dan kan ik daar de schoonheid zeker wel van inzien. Uitgebloeide staketsels van kaardenbol, groot koeienoog, boerenwormkruid, zuring.. ze leveren een schilderachtig beeld op. En de boompjes doen ook hun best, met de herfstkleuren. Ik zie het allemaal, en ik waardeer het, accepteer het als onvermijdelijk onderdeel van de cyclus des levens.. toch bezie ik het ook met het oog der verwachting. Hoe alles straks weer tot leven komt. Het duurt nog even. Maar tot die tijd maken we er het beste van.

Dom geluk

Dom geluk

Koperwieken, las ik, broeden niet in Nederland. En geef ze eens ongelijk. Dat doen ze in Scandinavië, of nog noordelijker. Overwinteren doen ze dan weer in zuidelijker streken, Frankrijk, Spanje, Italië.. tot aan Syrië aan toe. Alleen deze herfstige maanden zijn ze even hier. Op doorreis. Als tussenstop, om zich even vol te vreten aan appels, peren en bessen. Voor de rest van de tocht. Alle reden dus om zodra ik op de tuin ben de kijker te pakken en naar de appelboom in het bosje verderop te sluipen, waar ik ze kortgeleden aantrof. Nu zijn ze er nog tenslotte. Lang hoef ik niet te wachten, daar daalt een wolk vogels fladderend de boom in. Na enig gestuntel heb ik ze in de kijker. Duidelijk zie ik de oranje vegen onder de vleugels waar ze hun naam aan te danken hebben. Maar hé.. ik zie er ook die dat niet hebben. Ik zie er ook die wat groter lijken, die wat anders getekend zijn. Verstand heb ik er niet van, maar dit lijken me dan dus geen koperwieken. Waar ik het vandaan haal weet ik niet, niet uit de boom der kennis in elk geval, maar ergens uit de doos klok en klepel en aanverwanten meldt zich de naam Kramsvogel. Zouden dit kramsvogels zijn? Een uur geleden had ik geen adequate beschrijving van de kramsvogel kunnen geven, zelfs niet bij benadering, nu weet ik op niks af bijna zeker dat het zo is. En dan is het fijn dat je het wereldwijde web op zak hebt. Binnen een minuut weet ik dat ik gelijk heb. Dom geluk natuurlijk, en niks om trots op te zijn, maar ik ben het toch.

Koperwiek

Koperwiek

Eerst dacht ik dat het spreeuwen waren, die daar zo fanatiek aan het hakken waren. Af en aan vlogen naar de appelbomen die een eindje verderop in het bosje staan. Appelbomen vol appels die blijkbaar van niemand zijn. Die niet geplukt worden. Die niemand wil hebben. Niemand behalve de spreeuwen dus. Tenminste, ik dacht dat het spreeuwen waren. Ik besteedde er verder geen aandacht aan. Onterecht natuurlijk want spreeuwen zijn geweldige vogels. Alleen dat magische zwermen al. Maar ook dat brutale, tikkeltje ordinaire dat om ze heen hangt. En dat schitterende verenkleed, waarvan je pas bij nadere beschouwing ziet hoe subtiel het gekleurd is. Maar goed, ik had nu even geen tijd voor nadere beschouwing, ik was ergens mee bezig, al weet ik nu niet meer wat. Tot ik een geluidje hoorde dat mij niet bekend voor kwam. Een geluidje dat ik niet met de spreeuw associeerde, al zijn spreeuwen, weet ik, geweldige imitators. Ik haalde de Merlin bird app erbij want op zijn minst wilde ik dan wel eens weten wie hier dan geïmiteerd zou worden. Koperwiek, was het antwoord. En kijk, daar haal ik mijn kijkertje wel voor tevoorschijn. Koperwieken, herinnerde ik me, had ik enkele jaren geleden nog eens geheel op eigen kracht weten te herkennen, een wapenfeit waar ik toen nogal content mee was. Met mijn kijkertje sloop ik naar het bosje met de appelbomen en na een tijdje had ik er inderdaad één in beeld. Schitterend. Hij leek nieuwsgierig terug te kijken voordat hij zich weer op de appels stortte. Het leverde me een opgetogen gevoel op dat de gehele fietstocht door de striemende regen tegen de opkomende storm terug naar huis stand hield.

Gemengde gevoelens

Gemengde gevoelens

Moet je hier nou wel of niet blij mee zijn, met je insectenvriendelijke tuin? Met je laat de natuur z'n gang maar gaan instelling? Met je heilig vertrouwen in Moeder Natuur, wiens wegen weliswaar ondoorgrondelijk zijn maar die schijnt te weten wat ze doet? Laten we het op gemengde gevoelens houden. Het ziet er prachtig uit, zonder enige twijfel, maar het zijn dus wel slakkeneitjes. De slakken van morgen. De aangevreten oogst van volgend seizoen. En het seizoen daarna. En de seizoenen daarna, want een slak wordt zo vijftien jaar, is eeuwig trouw aan zijn geboortegrond en legt soms wel zes keer per jaar tot tweehonderd eieren, is het gewogen gemiddelde van wat ik zo hier en daar lees. Dus ja, nee, ik sta niet te juichen bij deze vondst. Aan de andere kant, de slakken van morgen zijn ook weer het voedsel voor de egels, de vogels, de muizen en de padden van morgen. Sommige paddestoelen eten slakken, lees ik, net als schimmels, vraag me niet hoe dat in zijn werk gaat. Loopkevers en duizendpoten jagen op slakken. Hagedissen, kikkers, hazelwormen en ringslangen eten ze. En de eitjes zelf zijn vast ook een traktatie, voor deze of gene. Ik heb eenden er wel eens op los zien gaan tenminste. Dus ja, nee, ik raak er ook weer niet meteen van in de moordlustige stress, van deze vondst. Al is het moeilijk principieel te blijven, in dit geval, en vraag ik me wel een beetje opstandig af waarom er nog zó veel rondglijden, met al die veronderstelde liefhebbers op de kust. Laten we het inderdaad maar op gemengde gevoelens houden.

Zo van het penseel gevallen

Zo van het penseel gevallen

Gut, wat zou dit nou toch weer zijn, dacht ik bij het zien van deze fraai gekleurde stippen op het blad van de paardenbloem. Als druppels aquarelverf, karmijnrood, zo van het penseel gevallen. Naar de rand toe vervagend, uitgelopen op het helder groen papier van het paardenbloemblad. Vanwege de herfst en het vochtige weer dacht ik in eerste instantie aan de een of andere schimmel. Of een soort roest, wat dan trouwens ook weer een schimmel is, lees ik net. Maar nee, blijkt uit nader onderzoek, dit is het werk van de paardenbloemvlekgalmug. Die heeft hier haar eitjes gelegd, en veroorzaakt daarmee die artistieke vlekken. Klinkt vervelend, een galmug. Je begint al te krabben als je het woord hoort. Het valt echter mee. Sterker nog, het is eigenlijk wel goed nieuws. De larven van de galmug eten namelijk bladluizen. En veel ook. De galmug, lees ik, wordt wel ingezet als biologische bestrijder van bladluis in de tuinbouw. Je kunt ze kopen, op internet. Ik krijg ze gratis, van de natuur. En zo blijkt opnieuw hoe nuttig de vaak verguisde paardenbloem is. Ik zocht dan nog een plaatje van de volwassen paardenbloemvlekgalmug, maar dat was vreemd genoeg op gans het wereldwijde web niet te vinden. Wel bleek dat er vele, vele soorten galmuggen zijn. Perenbladgalmug, brandnetelbladgalmug, melkdistelpokgalmug, rozenbladgalmug, wilgentopgalmug, geoorde wilgbladgalmug.. kortom, een beetje plant kan niet zonder zijn eigen galmug.