Het allerkleinste sprankje

Het allerkleinste sprankje

Van alle sprankjes hoop die ik aantrof op de tuin, waar een snijdende poolwind ieder voornemen wat langer dan vijf minuten te blijven in de kiem smoorde, moet dit het allerkleinste sprankje zijn. Het bloemetje van de hazelaar. Het vrouwelijk bloemetje van de hazelaar, om preciezer te zijn. De mannelijke bloemen hangen in lange, onbescheiden katjes aan de takken in de wind te bungelen. Die zijn niet te missen. Deze piepkleine rozerode puntjes zie je makkelijk over het hoofd. En dan lees ik ook nog dat de vrouwelijke bloemen in groepjes van drie of vier in een knopje huizen. Dit piepkleine rozerode puntje is dus eigenlijk nog een boeketje ook.

De eersten zullen de laatsten zijn

De eersten zullen de laatsten zijn

Gut, daar heb je de eerste mug al, zou je kunnen denken, dat is snel. Maar zo zit het niet. Het zit anders. Het is eerder de laatste mug. Het is namelijk een wintermug. Ik wist ook niet dat die bestonden, maar dit is er een. Z'n nakomelingen groeien op in en onder de strooisellaag, en voeden zich met dood hout, plantenresten en wat zich daar verder nog aan rottend spul bevindt. Rommelopruimers dus. Nuttig, zou je kunnen zeggen. Goed voor de bodem. En in tegenstelling tot zijn alom gehate zomerfamilie, steekt de wintermug niet. Nooit. Niemand. Van de volwassen wintermug wordt wel gedacht dat die helemaal niet eet, maar in elk geval dus geen bloed. Wat op een in de winter zo goed als verlaten volkstuincomplex misschien ook maar het beste is.

Mospissebed (onscherp)

Mospissebed (onscherp)

Als eerste beestje dit jaar kwam ik deze mospissebed tegen. De foto is onscherp, jammer genoeg want het ziet eruit als een mooi getekend beestje, maar dat komt omdat ik bij het fotograferen onderbroken werd door drie vrolijk groetende medetuiniers op een rijtje, die net zo enthousiast waren over het onverwachte mooie weer als ik. Dat kon ik niet ongemerkt voorbij laten gaan. Toen ik opnieuw door de knarsende knieën ging om de sessie te hervatten voor een betere foto was het model alweer in de strooisellaag verdwenen. Nergens meer te vinden. Het zijn snelle lopers, las ik in de boeken. En beschikt over meerdere puntoogjes dus had mij natuurlijk ook in de smiezen. Zodoende alleen deze onscherpe foto. Maar, lees ik ook, het is een algemeen voorkomende soort, dus een herkansing ligt voor de hand.

Voorboden

Voorboden

Okay, ik geef het toe, ik heb ze met een lampje moeten zoeken, maar ze waren er dan toch. De eerste voorboden van de lente. Naast de zon, die vanmiddag genadiglijk scheen. Speenkruid, groot ereprijs, paarse dovenetel en het madeliefje. In bloei. Bescheiden, maar toch. Het begin is er. Verder zag ik zwellende knoppen aan de braam, de zwarte els, de kastanje. Ik zag her en der de groene vingers van narcissen en hyacinten boven de grond uit komen. De Gunnera begint onder zijn winterdekentje al uit te lopen. De smeerwortel, de cichorei, het longkruid, de overblijvende ossentong, kaardebol, st Jacobskruiskruid.. het heeft er allemaal weer zin in. Net als ik.

ZT (Mixed media, 2026)

ZT (Mixed media, 2026)

Het blijft maar januari. Er komt geen einde aan, lijkt het wel. Heel soms trek ik de stoute laarzen aan en neem een kijkje op de tuin, maar erg lang blijf ik er dan meestal niet hangen. Het is er koud en ja, troosteloos, toch wel een beetje. Terwijl ik er juist kom voor troost. Maar goed, je moet er wat van maken. En, je bent kunstenaar of niet, vandaag was dat deze tijdelijke mixed media installatie van een terracotta bloempot, een aardewerken schaal en ijs.

Afgezant

Afgezant

Eigenlijk was ik iets anders aan het doen. Eigenlijk moesten er andere dingen gebeuren. Best wel veel andere dingen, ook nog. Maar opeens tikte de zon tegen het zolderraam waarachter ik mijn best zat te doen. Wenkte de blauwe lucht. Zag het er buiten zowaar buitengewoon aangenaam uit. En dat na wat zo hardnekkig voorafging. Sneeuw, ijs, regen. Grijs januarichagrijn. Dus ik dacht: ik zou ook wel gek zijn om hier binnen een beetje mijn best te zitten doen, terwijl buiten de lente begint. De dingen wachten wel, dacht ik, dat doen ze immers altijd. Ik besloot naar de tuin te fietsen, en vandaar een rondje te lopen. Frisse neus. Wind in het haar, zon op de bol. En verdomd, ja hoor, de lente hing in de lucht. Duidelijk. Je voelde het aan alles. Je rook het in de lucht, je hoorde het aan de vogels. Je merkte het aan het opgetogen gevoel in je borst. En ter bevestiging van dit alles stak op de tuin de eerste hyacint haar groene vingers boven de grond. Een afgezant van wat komen gaat.

Min of meer opgebeurd

Min of meer opgebeurd

Tja, het is winter, het is januari, dus wat heb je te zoeken op de tuin. Zou je zeggen. Is ook zo. Maar ik ging toch. Eerder deze week was ik er al om te zien welk winters tafereel de sneeuw er had opgeleverd. Dat was leuk. Mooi. Feeëriek. De sneeuw zo ongerept glooiend dat ik mijn eigen tuin nauwelijks durfde te betreden. Knerpende voetstappen. Sporen van hazen en vogels als enige tekenen van leven. Wat vorige week nog groen was en de sombere kou leek te trotseren lag nu slap en futloos ter aarde, voor zover het niet onder de sneeuw was verdwenen. De kale boompjes hielden zich dood, de overgebleven pittoreske skeletten van kaardenbol, boerenwormkruid en aanverwanten waren het ook echt. Maar ach, de wonderdeken van sneeuw maakte veel goed. Vandaag was ik er weer, als tussenstop op een van mijn opbeurend bedoelde ochtendwandelingen. De wonderdeken was grotendeels gesmolten en had plaatsgemaakt, zoals te verwachten viel, voor enorme hoeveelheden water. De greppeltjes stonden vol tot de randen, veel paadjes waren in stilstaande wateren veranderd, zo goed als enkeldiep. Wat van onder de sneeuw tevoorschijn was gekomen viel zeker niet opbeurend te noemen. Zwarte, zompige smurrie waarvan het moeilijk te geloven is dat dat straks allemaal weer frisgroen en bloeiend tot leven zal komen. Januari, het is niet mijn favoriet seizoen. Maar toch.. Daar vloog een groene specht voor me uit. Een roofvogel maakte een indrukwekkende glijvlucht over het complex, hele wolken kleinere vogels opschrikkend. Het was een valkje, dacht ik. Maar misschien was het zelfs wel een havik, dacht ik ook. En verderop, ver buiten het aanvaardbaar bereik van de telefooncamera, zat een kramsvogel de tijd te verbeiden. En zo ging ik dan toch min of meer opgebeurd naar huis. Tijdelijk in elk geval. Want het blijft januari.

Een piepklein beetje woest

Een piepklein beetje woest

Tja, wat moet je ervan zeggen. Sneeuw. Het is schitterend natuurlijk. Wat moet je anders zeggen? Wat kún je anders zeggen. Ik ging vanochtend, voor het eerst dit nieuwe jaar, dan toch maar eens even poolshoogte nemen. Kijken hoe de tuin erbij lag, onder de winterse deken. Schitterend dus. Zo goed als ongerept, op wat kriskras lieve hazensporen na. De haastige voetstapjes van wat wel ratten zullen zijn. Kraakheldere lucht erboven, de dode en schijndode silhouetten van wat hier en daar nog staat of stond scherp afstekend tegen het verblauwend wit. Alle potten een bolle muts, het meanderend greppeltje een miniatuur ravijn. Lieflijk, en een piepklein beetje woest. Schitterend inderdaad. Zonder meer. En een beetje vorst helpt allicht de slakkenstand voor komend seizoen wat in toom te houden, dat is ook mooi meegenomen. Toch hoop ik dat het ook weer niet al te lang hoeft te duren. Sorry.

Ze houden je in de gaten

Ze houden je in de gaten

Helemaal zeker weet ik het niet, er is geen officiële telling aan voorafgegaan, maar ik vermoed dat de ekster wel eens de meest voorkomende vogel op het complex zou kunnen zijn. Je ziet ze overal, je hoort ze overal en altijd. En wat het mooie is, ze zien jou ook altijd. Ze houden je in de gaten. Van de week had ik een krentenbol mee naar de tuin, je krijgt wel eens honger, van al dat werken, van al die frisse buitenlucht. De krentenbol lag in een zakje op mijn tafeltje te wachten tot ik er trek in kreeg. Maar dat was dus te laat. Want toen ik bedacht dat ik wel een krentenbolletje zou lusten, lag het zakje al op de grond, de krentenbol er half uit getrokken en behoorlijk aangevreten, achter mijn rug. Een eindje verderop zat een ekster zeer nadrukkelijk net te doen alsof ie van niks wist. Zijn naam was haas. Maar ondertussen wel met een leep half oog op mij, en m'n krentenbol, die ik beteuterd had opgeraapt maar die ik nu natuurlijk niet meer op ging eten, je weet maar niet, met de rondwarende vogelgriep. De minister zegt er is geen gevaar voor de volksgezondheid, dus dan is het oppassen geblazen, wat mij betreft, zeker met deze minister. Ik stak de krentenbol, of wat er van over was, op een hoge stok en ging op enige afstand staan afwachten hoe de zaak zich zou ontwikkelen. Dat de zaak zich zou ontwikkelen was wel zeker, eksters zijn slimme en brutale vogels, schreef ik al eerder. De ekster zat op zijn post en nam de situatie in ogenschouw. De krentenbol op de stok, de man in een leren jas, en even geen andere eksters in de buurt. Geen kapers op de kust. Dit was zíjn krentenbol. Hij berekende zijn kansen. Hij hipte eens wat naar voren. De man bleef staan. Hij vloog eens een stukje dichterbij. De man deed niks. Fladderend van de ene tak naar het andere boompje kwam hij omzichtig en aftastend steeds wat meer in de buurt van de krentenbol. De halve krentenbol. De leren man bewoog niet. Dan een razendsnelle uitval. In de vlucht zette hij zijn snavel in de krentenbol, scheurde er een stuk af, streek op veilige afstand neer en vrat het op. En weer terug, voor een tweede portie, met iets minder omwegen nu, maar nog altijd gehaast in de vlucht. Van de man met zijn leren jas had hij niks te vrezen, dat had hij nu wel door, dus voor zijn derde hap landde hij gewoon maar op de krentenbol, om op zijn gemak een wat groter stuk mee te nemen. De vierde keer werd meteen de laatste. Naar de leren man keek hij al niet eens meer. Hij werkte het laatste stuk krentenbol behendig naar de grond, pakte het op en vloog er parmantig mee de bosjes in. Vanaf mijn post wenste ik hem smakelijk eten.