Glad of spits, spits of glad

Glad of spits, spits of glad

Een jaar of twee, tweeëneenhalf geleden waaide in de achtertuin van ons huis de esdoorn om. De storm Poly heeft dat op haar geweten en we hebben het haar nog altijd niet vergeven. Het was namelijk onze Érable d'Amour. Onze Esdoorn der Liefde. Als zaailing hadden we haar meegenomen uit Frankrijk, van onze allereerste vakantie samen, drieëndertig jaar geleden inmiddels. Ze overleefde de reis in een plastic zakje op de hoedenplank van een oververhitte Renault 5 en werd vervolgens ieder jaar een beetje groter in steeds grotere potten op verschillende Haagse balkons. Na de verhuizing naar een huis met een tuin in het noorden des lands werd de allang veel te klein geworden laatste pot verruild voor een plek in de volle grond. Minstens twee jaar heeft ze daar enigszins verbaasd om zich heen staan kijken, niet wetend wat te doen met al die ruimte, maar toen de vrijheid eenmaal was doorgedrongen groeide ze in korte tijd uit tot een flinke boom die plaats bood aan vele vogels, zorgde voor schaduw op zomerse dagen en op den duur ook ieder voorjaar miljoenen helikoptertjes afleverde die stuk voor stuk wortel schoten op de gekste plekken. Dertig jaar lang was zij het trotse symbool van onze liefde. Tot de storm Poly daar dus een genadeloos einde aan maakte. Er zat niets anders op dan haar machtige stammen en takken in stukken te zagen. Een groot gedeelte eindigde roemloos op de stapel brandhout, een paar stukken nam ik mee naar de volkstuin, waar ik ze bij wijze van monument rechtop in de grond zette om ze op die manier terug te geven aan de natuur. En dat is wat er nu gebeurt. De schors is er voor een groot deel al afgevallen en het hout kleurt langzaam zwart. Gister pakte ik een stuk schors van zo'n stammetje en zag er talloze pissebedden en duizendpoten onder wegkrioelen, op zoek naar een goed heenkomen. De schors zelf was aan de buitenkant bedekt met een ruime verzameling kleine zwarte bolletjes met een piepklein puntje erop. Je zou er een soort vruchtjes in kunnen zien. Of gebakjes. Of tietjes, dat kan ook. Hoewel dat laatste niet in mij zou zijn opgekomen wanneer ik niet al had uitgezocht dat het hier gaat om het tepelkogeltje, een schimmelsoort die leeft op dood hout. Er bestaat, lees ik, een spits tepelkogeltje en een glad tepelkogeltje, waarvan de verschillen louter worden besproken in termen die ik niet begrijp. Het spits tepelkogeltje is vrij zeldzaam in ons land, lees ik verder, dus dat was leuk en eervol geweest, maar het glad tepelkogeltje komt vooral voor op esdoorn. En is vrij algemeen. Maar goed, wat maakt het uit. Het verschil is toch niet te zien.


Auteur: Jos van Venrooij

Volkstuinier voor het plezier