Dat scheelt

Dat scheelt

Gistermiddag was ik even op de tuin. Het zonnetje kwam er door en het werd zelfs nog warm ook, nadat het de afgelopen dagen alleen maar vervelend en lawaaierig gewaaid had. Ik mag wel weer eens sproeien, dacht ik, want de grond was alweer aardig droog en hard. Een werkje waar ik altijd een beetje tegenop zie, sproeien. Gesleep met een pompje en slangen, vies gedoe met benzine, een motortje dat ik niet aan de praat krijg en een beschamende hoeveelheid herrie als ik het wel aan de praat krijg. Maar vandaag regent het, dus dat is fijn.

Het gouden bruidspaar

Het gouden bruidspaar

Tussen de struiken en de boompjes en al het andere groen heb ik ook wat zelfverzonnen beelden staan. Ik vind dat leuk, een beetje voor me uit knutselen op niks af, voornamelijk met oude zooi en gevonden voorwerpen. Naast pleziertuinier ben ik beeldend knutselaar. Dit beeld is gemaakt van twee eikenhouten spijlen van het een of ander, twee metalen stangetjes uit een afgedankt tafelvoetbalspel, twee doppen van een fietsbel, twee grote, verroeste spijkers en wat ijzerdraad. Het heet Het Gouden Bruidspaar.

Kwartje

Kwartje

Ik kon het niet meteen thuisbrengen, dit beestje. Was het wel een beestje, vroeg ik me zelfs even af. Leeft het? Is het dood? Is het een schelpje, een rare slak? En wat zijn die witte sterretjes aan de achterkant? Of is dat de voorkant? Aziatisch lieveheersbeestje, hielp Obsidentify mij weer eens uit de brand. De larve van, begreep ik toen, maar het bleef raar. Tot ik later op de middag een filmpje van mijn dochter kreeg toegestuurd dat zij in haar 1000soortentuin had gemaakt van een lieveheersbeestje dat uit zijn of haar pop kruipt. Toen pas viel het kwartje. En begreep ik dat ik er wat langer bij had moeten blijven staan. Dan had ik iets bijzonders meegemaakt..

Om naar te kijken

Om naar te kijken

In het hoofdstuk onkruid bestaat niet. Weegbree. Smalle weegbree, om precies te zijn. Ook weer zo'n plantje dat in veel tuinen als ongewenste vreemdeling uit de grond wordt getrokken. Ik snap werkelijk niet waarom. Hij doet helemaal niemand kwaad, integendeel, hij schijnt er allerlei geneeskrachtige en heilzame werkingen op na te houden, is daaronder zeer bescheiden en die bloemetjes die als sterretjesvuurwerk van onder naar boven spetteren.. dat is toch gewoon alleen maar leuk. Ja toch? Ik vind van wel. Het blad schijn je verder als spinazie te kunnen eten, en bij het televisieprogramma Binnenstebuiten was de chefkok van dienst nogal enthousiast over de notige, paddenstoel-achtige smaak van de jonge bloemknoppen. Nou zijn die altijd overal nogal enthousiast over, dat maakt het programma zo aardig, in deze barre tijden, maar goed, dat wilde ik dan ook wel eens proberen. Vol verwachting plukte ik een knop en kauwde er een tijdje welwillend op. Tja. Nou ja. Ik vind ze leuker om naar te kijken. Laat ik het daar op houden.

Blauwtje

Blauwtje

Dat zie je toch niet vaak, blauwe dieren, zeker niet boven water, meende ik, zeker niet in Nederland. Maar deze rups is het, blauw. Dus ik dacht, simpel als ik ben, misschien wordt het wel een Icarusblauwtje. Of een gewoon Blauwtje, desnoods. Dat zou wat wezen, want hij was bepaald niet in zijn eentje, deze rups. Maar zo simpel als ik zit de natuur niet in elkaar en dat is misschien maar goed ook. Wat we hier hebben is de larve van de Monostegia Abdominalis. Hoewel algemeen voorkomend in ons land ontbreekt een Nederlandse naam. Het wordt geen vlinder, het is zelfs geen rups, het is een bastaardrups. Dat kun je zien, lees ik niet voor het eerst, aan de pootjes. Alleen de eerste drie setjes van twee zijn echte pootjes, de rest zit er voor de sier. Ik moet dat proberen te onthouden. Wordt zo'n 18 mm, lees ik ook, en als ie groot is wordt het een bladwesp, van 8 mm. Maximaal. Oranje. Bladwespen worden ook wel zaagvliegen genoemd, vanwege het puntje aan het achterlijf van de vrouwtjes, dat wat lijkt op een zaag. Hiermee legt ze haar eitjes in de waardplant. In dit geval de wederik. Wederikwesp zou dus een heel aardige naam zijn. Mannetjes zijn er niet veel van, lees ik verder, en die zijn ook niet zo nodig want de Monostegia Abdominalis plant zich voornamelijk ongeslachtelijk voort. Dat is nog eens een blauwtje lopen.

Dagactieve nachtbloeier

Dagactieve nachtbloeier

Een zonnige aanwezigheid op de tuin, deze Teunisbloem. En dat terwijl hij bekend staat als nachtbloeier. Ik nam 'm mee van vakantie, een paar jaar geleden, waar ie in de braakliggende achtertuin van het vakantiehuis ondergewaardeerd stond te wezen. Wachtend op de onvermijdelijke schoffel van de reeds bestelde hovenier. Bij mij op de tuin kreeg ie asiel en als dank breidt hij zich uit in alle windrichtingen. Zelfs bij mijn dochter in de voortuin staan de nakomelingen. Bloeit ook gewoon overdag trouwens. Bijzonder is wel dat de bloemen zich tegen de avondschemer openen, vandaar misschien dat nachtbloeier. Het loont de moeite er dan een tijdje bij te blijven staan, want je ziet het gebeuren, recht onder je neus. Alsof het een vlinder is vouwen de bloemblaadjes zich uit. Met een paar tellen is het gebeurd en heb je iets bijzonders meegemaakt.

Wie wat bewaart

Wie wat bewaart

Wat ligt daar nou, op m'n terras, dacht ik, maar ik wist het al. Het was een kersenpit. Zeer hoogstwaarschijnlijk de pit uit één van mijn jaarlijkse drie kersen. En ik had 'm niet gegeten, want rijp waren ze nog lang niet. Gelaten controleerde ik mijn boom, en inderdaad, daar hing een tweede afgekloven pit, nog aan het steeltje. De derde en laatste kers hadden ze blijkbaar tot morgen bewaard.

Mislukt

Mislukt

Pas begonnen met mijn tuin - ik weet het, ik heb het al vaker verteld - begon ik vol goede moed en blijde verwachting met het verbouwen van knolrapen, lof, schorseneren en prei. Behalve dat veel niet opkwam, snel verpieterde of anders wel meteen werd opgevreten door slakkentuig of overwoekerd en verstikt door niet in de hand te houden wilde inheemse gewassen, waren er meer tegenslagen te verwerken. De groenlof bijvoorbeeld. Kwam prima op en de slakken lieten het staan. Later ben ik gaan denken dat ze het waarschijnlijk net zo vies vonden als wij. Want wat ik er ook mee probeerde, aan mijn aanrecht, aan mijn fornuis, het was niet te hachelen. Wat restte van de oogst liet ik staan. En daar heb ik geen spijt van gekregen want ieder jaar trakteert mijn mislukking mij op dromerig ijlblauwe bloemen in vrolijk makende hoeveelheden. En elk jaar meer, want het breidt zich uit als een wild inheems gewas.

Maria

Maria

Vandaag is de tweede sterfdag van mijn oude schoonmoeder. De laatste jaren van haar leven kwam ze aan tuinieren niet meer toe, maar daarvoor was haar tuin haar koninkrijk. Die stond er dan ook altijd bij om door een ringetje te halen. Over mijn tuin was ze niet te spreken. Dat wil zeggen, één keer heb ik haar meegenomen, om haar mijn tuin te laten zien. Toch een beetje trots misschien. Maar aan sociale plichtplegingen deed ze in die tijd al niet zo erg meer. Wát een tróep!, was haar oprecht geschokt, hartgrondig commentaar. Ze kon zich niet inhouden en begon meteen van alles uit de grond te trekken, tot ze al snel besloot dat het onbegonnen werk was. Zelfs voor haar. Wát een rotzooi, zei ze nog maar eens. Het zal zo'n vier jaar geleden zijn, mijn tuin is vier jaar verder, maar ik vermoed dat het nog steeds haar goedkeuring niet zou kunnen wegdragen. Wel kreeg ik eens een plantje van haar, voor mijn tuin. Een anjertje. Een roze anjertje. Vorig jaar bloeide het voor het eerst op haar sterfdag, dit jaar bloeit het opnieuw. Dus misschien valt het mee.