Eert en weert

Eert en weert

Als aspirant bejaarden kijken wij op een verloren avond wel eens naar het televisieprogramma Binnenstebuiten, mijn vrouw en ik. Ach ja. In één van die uitzendingen was chefkok Ramon weer eens razend enthousiast over iets dat hij nog nóóit geproefd had, de honingbes dit keer. Dat chefkok Ramon daar nog nooit van gehoord had valt wellicht enigszins te betwijfelen, die leeft tenslotte in een schijnwereld, maar dat het voor ons nieuw was, dat wisten we wel zeker.
Aangestoken door het enthousiasme van chefkok Ramon bestelden wij nog dezelfde avond, zonder van de bank af te komen, drie struiken van de honingbes. Die kort daarna in een doos aan de deur werden afgeleverd en linea recta een plekje op de tuin kregen. Het waren nogal kleine struikjes en ze zagen er eerlijk gezegd niet heel bemoedigend uit maar tegen het voorjaar verschenen er weldegelijk blaadjes en zelfs een enkel bloemetje.
Vandaag plukte ik de volledige oogst. Het waren twee bessen. Lang niet zo groot als we ze op televisie hadden gezien maar wat geeft het. Wat niet is zal nog komen. We aten er ieder één, mijn vrouw en ik. En nu hopen we samen op een grotere oogst in het volgend jaar want chefkok Ramon had wel een beetje gelijk, ze waren zeker erg lekker. Om het beetje chefkokkerig uit te drukken: Wow, het begint heel sappig, met een overtuigend zoetje en heeft een onverwacht stevige afdronk met een kleine hint van sleedoorn.

Bewegend filigraan

Bewegend filigraan

Het heeft acht lange, slanke poten, maar een spin is het niet, al lijkt het er verdomd veel op. Nou goed, het is een spin-achtige, dus de verwarring is begrijpelijk. We zien hier de Gewone Hooiwagen. Persoonlijk vind ik dat we de gewone hooiwagen tekort doen met de term gewoon, want zo gewoon is ie niet, de gewone hooiwagen. Kijk alleen maar eens goed hoe mooi dat eruitziet. Die prachtige tekening op de rug, dat decoratieve stippenpatroon, als Marokkaans koperwerk. Dat lijf dat eruitziet als een soort middeleeuwse ridderhelm. En die poten.. die lijken toch wel van het fijnste goud? Bewegend filigraan, zoals alleen gemaakt kan worden door de beste goudsmid van het land? Niks gewoons aan.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het feit dat de hooiwagen, bij gebrek aan al teveel ogen, met het tweede stel poten kan ruiken, horen en voelen. Hij kan er trillingen mee opvangen, denkt men, en er op die manier zelfs mee communiceren.
Ook bepaald niet gewoon vind ik dat de hooiwagen, wanneer hij zich bedreigd voelt, één van zijn poten kan afwerpen, of twee, om zijn aanvaller in verwarring te brengen. De losse poot blijft nog een tijdje liggen bewegen, terwijl de hooiwagen de overgebleven benen neemt. En zo'n poot groeit dan ook nog gewoon weer terug. Wat misschien maar goed is ook, want ik lees dat de hooiwagen zijn poten echt bij het minste geringste laat vallen.
Een mannetje kun je, zoals wel vaker bij spinnen en spin-achtigen, maar beter niet zijn: direct na de paring word je zonder pardon opgevreten door je vrouw. Met poten en al. Want die truc, ja, die kent ze natuurlijk wel.

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Hoe meer beestjes ik fotografeer en door de app haal, hoe vaker het voorkomt dat ik bij een langskomend beestje denk: die heb ik al. Geloof ik, denk ik daar dan meestal achteraan. Heel soms zelfs komt het voor dat ik me de bijbehorende naam meen te herinneren, waarna ik het beestje alsnog door de app haal om dat te controleren. In uitzonderlijke gevallen heb ik dan gelijk. Zo is de stand van zaken en veel beter zal het waarschijnlijk niet worden. Geeft niks.
Bij dit beestje, dat opvallend rustig op een blad van de aalbes van het zonnetje zat te genieten, wist ik twee dingen zeker: die heb ik nog niet, en: geen idee wat het is.
Het had iets wesp-achtigs, met die smalle vleugels en die gele strepen, maar het was geen wesp. Iets boktor-achtigs, met die lange, nadrukkelijke voelsprieten, maar het was geen boktor. Door dat rare ding aan het achterlijf zou je aan iets schorpioenvlieg-achtigs kunnen denken, maar dat was het ook niet. Dat het een vlinder zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Maar dat was het dus wel. De Bessenwespvlinder, om precies te zijn. Een glasvleugelvlinder. Een afgezant van de vrij breed uitwaaierende familie der wespvlinders, ontdek ik op het alwetend web. Zoals daar zijn de eikenwespvlinder, de elzenwespvlinder, de populierenwespvlinder, de wilgenwespvlinder, de appelwespvlinder en de klaverwespvlinder. En wat te denken van de tongbrekende cipreswolfsmelkwespvlinder of de licht omineuze heksenmelkwespvlinder.
En ik vind het dan leuk om zo'n vreemde snuiter in mijn tuin aan te treffen, vooral omdat de Vlinderstichting het als een vrij zeldzame verschijning betitelt - Obsidentify houdt het op een wat zuiniger 'weinig waargenomen maar vermoedelijk vrij algemeen' - de professionele aalbessenteler doe je geen plezier met de bessenwespvlinder. De rups verpopt in een tak van de struik, net onder de schors, en voedt zich een winter lang met het hout en de bast, wat de struik natuurlijk niet ten goede zal komen. Al lees ik ook dat de vlinder de eieren bij voorkeur legt in de takken die er sowieso al niet florissant bijhangen. Dat laatste klopt ook wel voor mijn eigen aalbessenstruik die de recente transplantatie van achtertuin naar volkstuin maar met moeite lijkt te verwerken.
Verder lees ik dat ik hier te maken heb met een vrouwtje, vanwege de drie gele banden op het achterlijf - een mannetje heeft er vier. De gele strepen op het borststuk duiden er op dat het wel eens een verse vlinder zou kunnen zijn, zo uit de kwijnende takken van mijn aalbes gekropen. Wat mij dan weer op de gedachte brengt dat die smalle vleugeltjes nog niet helemaal zijn opgedroogd en dat ik hier getuige ben van de geboorte van deze bessenwespvlinder. Dat zou ook verklaren waarom ze zo kalm blijft zitten, waar de meeste insecten zich rap uit de voeten maken als ik er aan kom. Ach, wat is het toch fijn als de dingen allemaal lijken te kloppen.

Dilemma

Dilemma

Daar ben ik mooi klaar mee. Een invasieve exoot in mijn watertank. De rode Amerikaanse rivierkreeft. De vraag hoe hij daar terecht is gekomen had ik snel beantwoord: meegekomen met een gieter water die ik uit de sloot haalde, hoogstwaarschijnlijk. De vraag is ook niet zozeer hoe ik hem er weer uit krijg: handschoen aan en oppakken bij een lage waterstand. Al moet ik er eerlijkheidshalve wel bij vertellen dat ik dat dus al een keer geprobeerd heb, maar dat het beest zo energiek en onverwacht krachtig tegenspartelde dat ik van schrik weer losliet en hij onder mijn ogen uit zicht verdween in de opwolkende modder op de bodem van de tank en ik besloot de kwestie voor me uit te schuiven. Maar goed, bij een iets doortastender optreden zou het moeten lukken. De kwestie is dan ook meer: wat doe ik er daarna mee? Sta je daar met een spartelende rivierkreeft in je hand. Een agressieve exoot die het uitmoorden van het inheemse slootleven op z'n verdorven geweten heeft. Terugzetten in de sloot waar hij vandaan komt is dus feitelijk geen optie, dat zou mij tot een medeplichtige maken. Op internet lees ik zelfs dat het verboden is ze uit te zetten in de natuur, dus daar ga ik al, als gezagsgetrouw burger.
En doodmaken is weer ook zoiets. Ik zou niet weten hoe. Al kan ik me voorstellen dat je met een hamer een heel eind komt, ik zou het niet kunnen. Het beest kan er zelf verder ook niet zoveel aan doen tenslotte. Bovendien, ik ben vegetariër.
Opeten valt dus ook af, al schijnen ze, ook weer volgens internet, 'geschikt te zijn voor consumptie'. Wat als je erbij nadenkt trouwens een hoogst merkwaardige uitdrukking is, want wie bepaalt dat? Niet de kreeft zelf in elk geval. En weggeven aan iemand die 'm wel zonder scrupules in een pan kokend water zou gooien voor op z'n broodje kreeftsalade stuit daardoor ook op gewetensbezwaren en kan buitendien ook niet, want ook het verhandelen is niet toegestaan.
Maar ja, om dat beest dan maar in die tank te laten creperen, dat kan ik dan eigenlijk ook weer niet over mijn hart verkrijgen.
Nee, wat ik zeg, daar ben ik mooi klaar mee.

Eerlijk delen

Eerlijk delen

Mijn dochter gaf mij aardbeienplantjes. Dat kwam goed uit want die ik op de tuin had staan waren wat armetierig geworden. Eerlijk gezegd ook doordat ik ze misschien een beetje had laten overwoekeren. Zou kunnen. In elk geval, de nieuwe aanwinsten plantte ik in bakken en potten, om overwoekering zo goed mogelijk in de hand te houden. Het groeide allemaal voorspoedig onder mijn vertroetelende handen, de eerste bloemetjes verschenen, met de spreekwoordelijke bijtjes erachteraan en van de week zag ik dan ook de eerste aardbeien voorzichtig kleuren. Dat moet ik in de gaten houden, dacht ik nog. Toch was ik te laat. Het eerste slachtoffer was al gevallen. Niet door een slak, zoals te doen gebruikelijk, en zeker ook niet door het schaakbordlieveheersbeestje dat zich op de linker foto uit de voeten maakt, maar waarschijnlijk door een merel of een ekster, gezien de vindplaats een paar meter van de plant verwijderd. De aardbeien die verder ook maar een beetje kleur hadden heb ik uit voorzorg geplukt om thuis verder te laten rijpen. Ik vind het niet erg dat de diertjes en de piertjes mee eten van de tuin, maar er moet liefst ook nog wel iets voor mij over blijven.

Albert

Albert

Ik heb wel dooiere stukjes hout weer uit zien lopen, schreef ik een paar dagen geleden, in een stukje over één van mijn geënte appelboompjes, dat het leven niet erg lijkt te omarmen. Daarmee bedoelde ik Albert, mijn Poolse citroenboompje. Ik kreeg het als zaailing in een potje, dat moet drie jaar geleden geweest zijn, van de Poolse verzorger van mijn oude schoonmoeder. Albert, heette hij, de verzorger. Een lieve man. Hij had het plantje opgekweekt uit een pitje van een supermarktcitroen. De eerste winter op de volkstuin, hoewel doorgebracht in de bescherming van mijn tuinhuisje, leek hij niet te hebben overleefd. Een treurig stemmend, bladerloos stokje zonder tekenen van enig nieuw leven stond verwijtend in zijn pot. Ik stond op het punt hem teleurgesteld op de composthoop te flikkeren toen ik onderaan het levenloze stokje toch nog twee reddende piepkleine groene puntjes zag, onmiskenbaar in de vorm van citroenblaadjes. En zo groeide er een nieuw citroenboompje op. Toen het weer een beetje toonbaar was stuurde ik er een foto van naar de Poolse verzorger, met de blijde, misschien zelfs trotse boodschap: kijk, je boompje wordt weer groen. Ik kreeg een foto terug van een citroenboom van zeker een halve meter hoog - een broertje van het mijne - vol in het glanzend blad, op een Poolse vensterbank. Met de boodschap: wat is die van jou nog klein. Tja. De tweede winter, ik durf het bijna niet te zeggen, vertrouwde ik opnieuw op de bescherming van mijn tuinhuisje. En andermaal werd ik na verloop van tijd verwijtend aangestaard door een volslagen levenloos en ontbladerd stukje hout. Vertrouwen puttend uit hoe het vorig jaar was verlopen knipte ik het stammetje kort af en bleef dapper hopen dat in het verleden behaalde resultaten deze keer wel garanties bleken te bieden voor de toekomst. En geloof het of niet, vlak voor ik 'm dan toch maar op de composthoop zou gooien, net als het jaar ervoor, zag ik onderaan de stam twee groene puntjes. Onmiskenbaar enzovoorts. Ik heb een derde kans gekregen. Deze winter mag Albert op de vensterbank.

Familie of niet

Familie of niet

Dat het familie van elkaar is durf ik niet te beweren, ik heb er in elk geval geen bewijs voor kunnen vinden, na een overigens nou ook weer niet al te diepgravende zoektocht, maar ik vind ze wel wat van elkaar hebben, deze drie. De schorseneer (geel), de cichorei (blauw) en de paarse morgenster (paars). De vorm van de bloemblaadjes bijvoorbeeld, langwerpig, min of meer rechthoekig met een decoratief kartelrandje aan het uiteinde. De schorseneer en de cichorei dragen allebei van die vrolijk gekrulde en bijpassend gekleurde meeldraden op stokjes die later de zaden worden. Net zulke zaden als de morgenster aflevert. Het zijn ook alledrie groenten. De cichorei is eetbaar als groenlof, en als je de plant geen licht gunt als witlof. Van schorseneer en morgenster is de penwortel, mocht je hem uit de grond krijgen, te eten. Beiden staan bekend als huisvrouwen- of keukenmeidenverdriet, vanwege het bewerkelijk schoonmaken en de zwarte vingers die je daaraan overhoudt. De schorseneer wordt verder ook wel de armeluisasperge genoemd, waarvan de morgenster op haar beurt dan weer de armeluisvariant schijnt te zijn. Je hoeft, zo blijkt maar weer, geen familie te zijn om een beetje op elkaar te lijken.

Overblijfsel

Overblijfsel

De schorseneer is een overblijfsel uit de begintijd van de volkstuin. Het eerste seizoen, waarin ik nog optimistisch van plan was mijn eigen groenten te verbouwen. Vergeten groenten ook, als pastinaak, palmkool en schorseneer. Een plan dat met de tijd steeds meer vervaagde, door tegenslag, teleurstelling en onkunde. In het geval van de schorseneer bleek bijvoorbeeld dat het onmogelijk was die paar lange, dunne pierlala's die wel waren opgekomen ongeschonden uit de klei te trekken, waardoor je voor al je liefde en aandacht slechts beloond werd met een zeer karige eenpersoonsportie modderige stukjes en brokjes waarvan het schoonmaken je ook nog eens een halve dag zou kosten. Ik besloot de schorseneer dus de schorseneer te laten. En voor die beslissing word ik nu, door een kennelijk dankbare schorseneer, ieder jaar beloond met deze zonnige, gele bloemen her en der. Ik lees dat het een tweejarige plant is, dus blijkbaar breidt hij zichzelf uit. Ik lees ook dat je de bloemen zou kunnen eten, maar dat ga ik natuurlijk niet doen. Ik krijg er liever een goed humeur van.