Een piepklein beetje woest

Een piepklein beetje woest

Tja, wat moet je ervan zeggen. Sneeuw. Het is schitterend natuurlijk. Wat moet je anders zeggen? Wat kún je anders zeggen. Ik ging vanochtend, voor het eerst dit nieuwe jaar, dan toch maar eens even poolshoogte nemen. Kijken hoe de tuin erbij lag, onder de winterse deken. Schitterend dus. Zo goed als ongerept, op wat kriskras lieve hazensporen na. De haastige voetstapjes van wat wel ratten zullen zijn. Kraakheldere lucht erboven, de dode en schijndode silhouetten van wat hier en daar nog staat of stond scherp afstekend tegen het verblauwend wit. Alle potten een bolle muts, het meanderend greppeltje een miniatuur ravijn. Lieflijk, en een piepklein beetje woest. Schitterend inderdaad. Zonder meer. En een beetje vorst helpt allicht de slakkenstand voor komend seizoen wat in toom te houden, dat is ook mooi meegenomen. Toch hoop ik dat het ook weer niet al te lang hoeft te duren. Sorry.

Sporen

Sporen

Ik vind het altijd leuk om sporen van dieren aan te treffen in mijn tuin. Dat geeft me het vrolijk makende, het gelukkig stemmende gevoel dat mijn tuin bewoond wordt. Dat dieren zich verwaardigen mijn tuin uit te kiezen als plek om te zijn. Mijn tuin te vereren met een bezoek. Dat mijn tuin deel uitmaakt van de natuur, hoe bescheiden en ontoereikend dan ook. Ik weet natuurlijk ook wel dat het ze vooral om het vreetwerk te doen is, maar goed, daarin onderscheiden ze zich nou ook weer niet zo heel erg van mensen, zeker niet in deze tijd van het jaar. Dus ik voel me vereerd wanneer ik een drol vind die ik op basis van nader onderzoek aan een egel toeschrijf. Ik vind het leuk om te zien dat mijn bramen geplukt en gegeten worden door vogels. Dat merels een zooitje maken van mijn gekoesterde mosbedjes, op zoek naar de worm. Van de week maakte mijn hart een sprongetje toen ik een gat tegenkwam in de stam van een dood appelboompje, waarvan ik dan dus vermoedde dat dat werd gehakt door de spechten die ik regelmatig zie vliegen. In één van mijn nestkastjes trof ik tot mijn grote vreugde een achtergebleven nestje van een koolmees. Als ik een soort wandelpad door het hoge gras aantref, een soort tunneltje, weet ik: dat is een wissel. Daar loopt een dier over heen en weer te banjeren, van hier naar daar en weer terug. En dat dat dan hoogstwaarschijnlijk wel een rat zal zijn, dat maakt me niet uit. Van een ronde, platgeslagen plek in het gras had ik van de zomer het idee dat dat wel eens de slaapplek van een haas kon zijn. En het sierappelboompje waar ik al eerder over schreef is nu toch ook zo goed als leeggevreten. Overal vind ik de knalrode schilletjes en de gele klokhuisjes die over blijven. En dan vind ik het leuk om te denken dat dat ook het werk is van de kramsvogel die ik gister nog zelfstandig determineerde.

Mos

Mos

Mijn schoonmoeder, toen ze nog leefde, kon enorm tekeergaan over dat verschrikkelijke mos dat als ze niet oplette haar hele gazon overnam. Regelmatig lag ze halve dagen op haar oude knieën om het tuig met een aardappelschilmesje te lijf te gaan. Weg te steken. Uit te roeien. Met wortel en tak. Wat haar overigens nooit lukte, mos heeft wortel noch tak, en als ze zou zien hoe haar gazon, al ruim twee jaar zonder haar zorg, er nu bij lag zou ze zich, als ze niet gecremeerd was, beslist omdraaien in haar graf. Bij mij werkt het anders. Ik ben dol op mos. Ik kan bijna niet wachten tot het niet uit te roeien kweekgazon dat mijn tuin telkens opnieuw bedekt erdoor wordt overgenomen. Mos is zoveel mooier dan gras. Zoveel vriendelijker, beschaafder. Dat zachte, verleidelijke groen alleen al. Mijn favoriet uitzicht om doorheen te wandelen is een bos waarvan de bodem geheel is bedekt met een zacht golvend uitnodigend mosbed van bijna lichtgevend groen, liefst in stemmig gefilterd zonlicht. Mocht het in mijn tuin ooit zover komen zou ik dat zeker niet erg vinden. Voorlopig moet ik het doen met kleine enclaves zo hier en daar en ben ik bijna beledigd als ik zie dat de merels er weer een zooitje van hebben gemaakt.

Eindelijk & eigenlijk

Eindelijk & eigenlijk

Als rechtgeaard volkstuinier zou je natuurlijk blij moeten zijn met een paar flinke plensbuien op een dinsdagochtend. Met wat natte vooruitzichten voor de rest van de week. Na zo'n lange, warme en droge periode. Op die harde, uitgedroogde, gebakken grond van klei. Zou je eigenlijk moeten denken en zeggen: dat is goed voor de tuin. Dat zou eigenlijk moeten. Maar ik heb gisteravond net een steiger tegen het huis laten zetten, met het dappere voornemen deze week nou eindelijk de buitenboel te schilderen, van het puntje van het dak tot de dorpel van de voordeur. Dus ik krijg het niet over mijn lippen. Ik krijg het zelfs niet voor elkaar om het te denken.

Onvermijdelijk

Onvermijdelijk

Of we het leuk vinden of niet, hij komt er weer aan, de herfst. Hij laat het al een beetje doorschemeren. Het ruikt er af en toe al een beetje naar. Het is steeds vroeger donker op de tuin. En 's avonds best al een beetje fris. Is dat erg? Nee natuurlijk, het hoort erbij, en de herfst heeft zijn eigen charmes. Dat de zomer daarmee op haar einde loopt, dat is dan wel weer een beetje jammer.

Meer dan zat

Meer dan zat

De kleinkinderen kwamen een paar dagen logeren, bij opa en oma. Dus opa had zo bedacht dat hij ze wel mee kon nemen naar de tuin, om bramen te plukken. Als één van vele activiteiten. Dan konden ze er daarna met oma meteen jam van maken. Bramen genoeg. Opa had er van de week bij het plukken zelfs expres flink wat voor ze laten hangen. Drie regels, instrueerde opa zijn gevolg: Alleen de zwarte bramen, maar dat wisten ze al; Pas op voor de prikkels, idem dito; Af en toe eentje proeven, maar ook dat was bekend. Dan alledrie een kwarkbakje en aan het werk. De kinderen tot waar ze erbij konden, opa daarboven. Dat ging zo een genoeglijk stief kwartiertje door. Af en toe viel er één op de grond, maar dat was niet erg, er waren er genoeg. Nu en dan werd er een extra grote omhoog gestoken, en dat was mooi. En regelmatig klonk een tevreden mmmm, hééérlijk vanachter de struik, en dat was leuk. Toen waren de bakjes vol en vonden ze het wel weer mooi geweest. Dat had opa wel zo'n beetje ingecalculeerd, al zag hij ook dat de struik nog boordevol zat en vond hij het jammer dat het dan evengoed alweer voorbij was. Twee dagen later, de kinderen met hun eigen potjes jam weer naar hun eigen ouders, stond opa zelf zijn bramen weer te plukken en begreep hij het beter. Hij had nu zes van die bakjes volgeplukt, de struik was nog altijd niet leeg, maar hij was het nu toch echt even zat. Morgen was er weer een dag.

Courgine, of aubergette

Courgine, of aubergette

Wij wandelden op Texel, mijn schoonzus en ik. Al bijna twintig jaar doen we dat, samen wandelen, en nu dus op Texel. Het was een mooie dag, een mooie wandeling. Van Den Burg naar Oudeschild ging het, om en over de Hoge Berg, langs tuunwallen en schapenweiden weer terug naar Den Burg. Maar goed. Op de terugweg passeerden wij, even buiten Den Burg, een volkstuincomplex. En omdat mijn schoonzus een moestuin heeft, en ik een volkstuin, draalden wij even aan het hek, om een kijkje te nemen. Verboden toegang, meldde het hek, dus echt naar binnen gaan durfden we niet, er waren een aantal tuinders aan het werk en je weet maar nooit tenslotte, het blijft een eiland, maar een beetje over het hek leunen, dat moest wel kunnen, dachten wij. Dat bleef niet onopgemerkt en één van de aanwezige tuinders, een beginnende veertiger met wat langer haar en een beginnend buikje onder zijn zwarte t-shirt, riep ons toe of wij een komkommer wilden. Of hij er wel één kwijt wilde, was daarop mijn standaard antwoord, zoals ik dat op de volkstuin gebruik. Daar worden mij ook regelmatig plantjes en stekkies en boontjes en tomaten en wat al niet aangeboden. De volkstuinier heeft een groot hart. En meestal ook een grote oogst. Dat hij er nog veertig had, stelde de man ons gerust en overhandigde ons twee uit de kluiten gewassen, stekelige komkommers. Oerkomkommers, volgens hem. Biologisch dynamisch bovendien, verzekerde hij ons. En of we ook een aubergine wilden. Zonder het antwoord af te wachten sneed hij een gele courgette van zijn steel. Wij durfden daar verder niks van te zeggen. Het kwam uit een goed hart tenslotte.

De oplossing

De oplossing

Gisteren bezochten wij vanaf ons vakantieadres het Museum Insel Hombroich in Neuss, nabij Düsseldorf, in Duitsland dus. Een uitstapje dat ik iedereen van harte zou aanbevelen, maar daar gaat het hier niet over. Het museum bestaat uit een aantal paviljoens die verspreid liggen over en deel uitmaken van een uitgestrekt landgoed vol reusachtige oude bomen, afgeladen fruitbomen, ondoordringbaar struikgewas, waterpartijen, een rivier en een theetuin. Bij onze genoeglijke rondwandeling door dit paradijselijk oord troffen wij, naast het geëxposeerde uiteraard, allerlei insecten en vogels op ons pad, waaronder een geduldig poserende ijsvogel. Maar ook daarover gaat het hier niet. Een ander dier dat wij zagen, we zagen ze aan het eind van de dag zelfs in groepen rondscharrelen over het terras van de theetuin, was de beverrat. Die heeft zijn imago niet mee natuurlijk, vanwege die staart, en dat woordje rat in zijn naam, maar het lijkt eigenlijk meer op een bever dan op een rat. Inclusief de intens oranjerode tanden. Goed, waarom dit allemaal vermelden op een volkstuinblog, zou je zeggen. Dat komt nu. Wij stonden dat steeds schattiger wordende beestje zo een tijdje te bekijken, hoe het zat te grazen en te knabbelen aan het gras, met die lieve pootjes met ontzagwekkende nagels, en toen zagen we het gebeuren: hij at heermoes. Heermoes! De gehate, onoverwinnelijk veronderstelde oervijand van de volkstuinier. Net onder de slak vanzelfsprekend. Hij had de keuze tussen allerlei soorten sappig gras, maar hij koos de heermoes. En nóg een pluim. En nog een. Met genotvol halfgeloken oogjes liet hij het zich smaken. Nu overweeg ik dus er een paar te ontvoeren. Al vermoed ik dat ik daar op de volkstuin toch geen vrienden mee zal maken.

Dat scheelt

Dat scheelt

Gistermiddag was ik even op de tuin. Het zonnetje kwam er door en het werd zelfs nog warm ook, nadat het de afgelopen dagen alleen maar vervelend en lawaaierig gewaaid had. Ik mag wel weer eens sproeien, dacht ik, want de grond was alweer aardig droog en hard. Een werkje waar ik altijd een beetje tegenop zie, sproeien. Gesleep met een pompje en slangen, vies gedoe met benzine, een motortje dat ik niet aan de praat krijg en een beschamende hoeveelheid herrie als ik het wel aan de praat krijg. Maar vandaag regent het, dus dat is fijn.

365 insecten

365 insecten

Met de Pinksterdagen maakten wij een cultureel uitstapje naar het Museum Arnhem. Zeer de moeite waard overigens. Officieel gingen we voor Jan Mankes, ook zeker de moeite waard, maar als beheerder van een insectenvriendelijke tuin was ik vooral getroffen door de tekeningen van Mariëlle Videler. 365 insecten, tekende zij. Een jaar lang elke dag één. Met haar vingers, zwarte verf en potlood, op gevoel. Krachtige, trefzekere tekeningen op middelgroot formaat. En hoewel ze niet naar een voorbeeld tekende en niet ieder getekend insect ook werkelijk zal bestaan, waren ze stuk voor stuk zeer herkenbaar. Ik vond het buitengewoon inspirerend.