Wesp

Wesp

Het is schaamteloze zelfpromotie natuurlijk, maar goed, waar anders voor onderhoud je een weblog. Tijdens ons culturele uitstapje in Museum Arnhem, en met name de 365 insecten van Mariëlle Videler, dacht ik onwillekeurig terug aan een serie gedichtjes over insecten die ik in een tamelijk ver verleden maakte. Met illustraties en al. E-rix klein insectenboek, noemde ik dat destijds, want ik publiceerde het op het toen nog tamelijk verse internet. Of het er ooit 365 geworden zijn betwijfel ik, maar veertien belandden er ooit in een boekje, uitgegeven door een opdrachtgever. De Depressieve Regenworm En Dertien Andere Vieze Beestjes, heette dat. Deze arme wesp stond er ook in.

Rabarmelade

Rabarmelade

Jaren geleden, in 2002 om precies te zijn, schreef ik voor een opdrachtgever een boekje met ontbijtrecepten. Een Boterham Met Tevredenheid, was de licht ironische titel. Er stonden recepten in voor verschillende soorten brood en jam, gegoten in de vorm van korte, huiselijke verhaaltjes. Aangevuld met versjes en illustraties want ik ben van vele markten thuis. Beroemd ben ik er niet mee geworden, maar het was een leuk boekje. Een tijdje terug kreeg ik van de buurman op de tuin een bosje rabarber. Zelf heb ik het ook staan, maar waar de buurman in dezelfde tijd in dezelfde grond met hetzelfde weer genoeg heeft staan voor een goedgevuld weeshuis, beperkt dat zich bij mij, tot nog toe, tot twee zeer bescheiden stengeltjes. Nou heb ik het ook vooral staan omdat ik het zo'n fijn groot blad vind hebben, voor de sier dus, want op rabarber als etensmaal, met of zonder spekjes, ben ik niet dol. Nu ik zo'n flinke bos van de buurman had gekregen dacht ik weer terug aan mijn eigen boekje. Daar stond namelijk een recept in voor jam van rabarber. Dat had ik destijds ook gemaakt, om het uit te proberen, en dat vond ik toen wel lekker. Ragemberjam, noemde ik het woordspelig, omdat er ook gember aan te pas kwam. Dus ruim twintig jaar later sta ik in de keuken met mijn eigen boekje in de hand jam te maken met de rabarber van de buurman. Deze keer noem ik het Rabarmelade, omdat ik, bij wijze van innovatie, de citroenschillen er in reepjes in heb gesneden. Erg lekker, al zeg ik het zelf.

Vanuit de tuin gezien

Vanuit de tuin gezien

En zo struin ik bij ieder bezoek de tuin af, op zoek naar beestjes, bloemetjes en besjes. De telefoon in de aanslag om liefst een paar aardige foto's te maken. Voor het archief, maar vaak ook om met de één of andere app te weten te komen wat het is dat ik gefotografeerd heb. Hoe het heet wat ik zie. En vanuit de beestjes, de bloemetjes en de besjes gezien ziet dat er dan dus zo uit.

Gier

Gier

Zo'n tuin gaat gewoon door als je er even niet bent. Die heeft geen vakantie. Zeker geen voorjaarsvakantie. Dus behalve dat allerlei boompjes en struiken bij terugkomst plotseling vers in het blad staan, en kleine sla-plantjes groot zijn geworden, is er ook opeens een enorme lijst aan achterstallig onderhoud. Om te beginnen de niet te winnen eeuwigdurende moedeloos makende strijd tegen het Heermoes. Ik schreef daar al eerder over. Het lijkt een recordjaar te zijn, dit jaar, want het staat werkelijk overal. In een niet te stuiten opmars neemt het de hele tuin over. Ik las ooit ergens, op een goedbedoelende groene site, dat je gier kunt maken, van de geplukte pluimen, en dat die gier dan allerlei mineralen en andere goede stoffen zou bevatten die de plant uit de diepe bodem naar boven had gehaald, die je dan dus, met die gier, weer over je tuin zou verspreiden, en daarmee, let op, zelfs het Heermoes zou bestrijden. Sterk verhaal natuurlijk, zeker in combinatie met de alom te vinden informatie dat Heermoes vooral groeit op arme grond, maar goed, ik vond het ook wel een mooi verhaal, dus tot nog toe heb ik ieder jaar vele liters heermoesgier gebrouwen en verspreid. Ook omdat ik het eigenlijk wel leuk werk vond, ergens. Je moet het toch wegplukken en het idee dat je er daarna iets nuttigs mee doet, geeft je meer het gevoel dat je aan het oogsten bent. Klinkt positiever. En dat roeren in grote emmers stinkende prut, en dat afgieten door een zeef, en dat verdunnen met water heeft allemaal de prettige schijn van doortastende deskundigheid. Wel jammer dus dat al die alchemistische moeite nu blijkbaar tot een recordjaar heeft geleid, voor de Heermoes. Al zou je, doorredenerend op het positieve spoor, ook van een recordoogst kunnen spreken.

Pierre de souvenir

Pierre de souvenir

Altijd spannend, als je weer terug komt van vakantie, al was het maar twee weken: hoe staat de tuin erbij? Waar begin je met kijken, als je vol blijde verwachting van je fiets stapt. Naar de slaplantjes, in de kas? Of de geënte appelboompjes, die je jongste zoon, die ze twee weken water gaf, Frankentrees noemt, een benaming die we erin houden. De lathyrus, die je vlak voor vertrek nog even snel hebt staan verspenen. De voorgezaaide kaardebol, met zaad van je vorige vakantie in Frankrijk. De kastanje, dit jaar voor het eerst in de grond. De rabarber, die nog net voor de vakantie tegen alle verwachting in boven de grond leek te gaan komen? De meidoorn, de sleedoorn, het sporkehout? De bessen, de elzen, het brandkruid. Een eerste rondje door de tuin laat zien dat er in twee weken veel kan gebeuren. En dat ik een hoop gemist heb, aan groei en bloei. Dan eerst maar eens de uit Bretagne meegesleepte pierres de souvenir een plekje geven.

Ten prooi

Ten prooi

Er lag een meerkoet voor mijn huisje, op de tuin, voor de deur. Dood. De grote grijze poten stijf uitgestrekt. Het lijf was opengescheurd, er hing het een en ander uit. De kop lag verderop, een tikje verbaasd. Later vond ik nog een bloederig uitziend klompje vlees waarvan ik dacht dat het wel eens een hart kon zijn, of een orgaan. Ik ben niet per se dol op meerkoeten, dominante agressievelingen zijn het vaak, dictators van de sloot, maar dit vond ik overdreven. Niet leuk ook. Een rotgezicht.

Het beestje was duidelijk niet voor mijn huisje gaan liggen om rustig een natuurlijke dood te sterven, dat was op gewelddadige wijze, met enige wellust om het leven gebracht. De vraag was door wie. Ik meende pootafdrukken van een kat te zien, op mijn zwarte plastic tuinkist, dus dat zou het geweest kunnen zijn. Meerkoet scharrelt rond op de tuin, let even niet op en wordt gegrepen door de kat van het huis verderop. Katten zijn ook moordlustige kutbeesten, uiteindelijk. Ik raapte de meerkoet bij elkaar in een emmer en legde hem verderop in de bosjes, waar de natuur er dan verder wel raad mee zou weten, het sterft hier van de eksters en de kauwtjes.

Een paar dagen later lag er een meerkoet voor de kas van de achterbuurman, zag ik. Ook dood. Twee meerkoeten dood in een paar dagen tijd. Dat vroeg om een ander scenario, dat ik meteen paraat had. Lagen er een tijdje geleden niet ook twee dode ratten in korte tijd? En heerste er niet een wat hysterische stemming over ratten op het complex? Zou het niet kunnen, speculeerde ik, dat er met rattengif gestrooid werd en dat deze meerkoeten daar ook van gegeten hadden? Ik hield het voor mogelijk. Leer mij de mensen kennen. En het heet wel rattengif, maar het is natuurlijk gewoon gif. Gif is onverschillig. Het maakt het gif geen reet uit wie of wat er dood gaat, net zo min als degene die het rondstrooit.

Inmiddels was de achterbuurman ook op zijn tuin, zag ik. Zijn hond stond de dode meerkoet in zijn bek heen en weer te schudden. De achterbuurman besteedde daar geen aandacht aan, vreemd genoeg, dus, bezorgd om de gezondheid van zijn hond, deelde ik mijn theorie met hem. Maar nee, lachte de achterbuurman mijn zorgen weg, die meerkoeten had zijn hond gesloopt. Want die ving nog wel eens wat. Want een hond, vond hij, moest toch wel een beetje hond kunnen zijn.

Ik stond met mijn bek vol tanden. Ik viel ten prooi aan een redeloze maar ingehouden woede. Want de mensenhater in mij wilde onmiddellijk een beetje mensenhater kunnen zijn, maar de bescheten lafbek had natuurlijk weer de overhand. Dat de meerkoet misschien ook wel liever meerkoet was gebleven, stamelde ik, machteloos. Waar de achterbuurman dan weer hartelijk om kon lachen. En dat ik hoopte dat zijn hond dan toch in elk geval niet de hazen zou grijpen, die op het complex leefden. Mijn hazen, dacht ik erbij. Daar ging de achterbuurman verder niet op in. Hij hulde zich in omineuze stilte.

Vandaag zag ik ‘m inderdaad liggen, in de berm, bij de tuin van de achterbuurman. De haas. Er was niet veel meer van over. Ik kon wel janken.

Haas

Haas

Opeens stond ik oog in oog met een haas. Het was op de tuin. De haas huppelde nietsvermoedend door het hoge gras in de buurtuin, ik liep achter de braam langs mijn eigen tuin op en opeens zagen we elkaar. Ik zie wel vaker een haas op het complex, maar meestal heeft die mij al veel eerder gezien en maakt ie zich uit de voeten. Zie ik hem alleen uit de verte. Nu overvielen we elkaar.

We reageerden ongeveer hetzelfde, we stokten in onze beweging, we bleven zitten waar we zaten en verroerden ons niet. De blikken strak op elkaar. De haas zat op misschien zes meter afstand. Dichterbij dan ik ooit een haas had gezien. Dicht tegen de grond gedoken, de oren plat op het lijf deed hij net of hij een graspol was. Alleen het neusje bewoog nerveus. Ik had mij voor de gelegenheid als boom vermomd, of als een flinke struik, haalde alleen de hoognodige adem. Graag had ik mijn telefoon uit mijn binnenzak gehaald om een foto te maken, om dit moment vast te leggen, maar dan zou de haas er meteen vandoor gaan, met het moment, dus ik deed het niet. Ik legde het moment zonder foto vast, want dat kan ook*. Zo keken we naar elkaar, de haas en ik, en probeerden hoogte van elkaar te krijgen. De haas overdacht zijn kansen, schatte in of er gevaar te duchten viel, van deze plotseling opduikende struik in een leren jas. Ik probeerde uit te stralen dat er van mij niets te vrezen viel. Dat ik hier effe wezen moest.

Na een tijdje leek de haas zich iets te ontspannen. Hij kwam wat omhoog, de oren gingen weer rechtop en zijn blik leek van angstig in onderzoekend te veranderen. Hij had voorzichtig de conclusie getrokken dat ik in vrede was gekomen en wilde nu wel eens weten wat dit voor vreemde struik was. Ik zag een nieuwsgierige blik. Ja, in mijn ogen was zijn blik zelfs vriendelijk geworden. Alsof we elkaar herkenden. Als vreedzame wezens. Als elkaars medeschepselen. Een warm geluksgevoel welde in mij op. In kortstondige harmonie met de wereld. De haas en ik. Het was een moment dat onmogelijk op een foto kon worden vastgelegd.

Hoe lang zal het geduurd hebben, een minuut, een eeuwigheid, ik weet het niet, de haas had genoeg gezien en hupte weer verder, verdween achter een hek, waarachter een tweede haas bleek te zitten, en met z’n tweeën dartelden ze ervandoor, de toekomst tegemoet. Doe maar voorzichtig, riep ik ze in stilte na. En kijk uit met oversteken. Want bij elke liefdeloos in het asfalt gereden haas voel ik een steek in mijn hart.

**De foto van de haas maakte ik vorig jaar al een keer, en heb ik er voor de gelegenheid bij gezocht. Dat u niet denkt dat ik hierboven zit te liegen, over momenten vastleggen zonder foto.*

Tja

Tja

Binnenkort gaan wij voor een korte vakantie van huis. Dat is heerlijk. Ik verheug me er op. Al speelt ook de gedachte dat ik dan dus een tijdje niet op de tuin kom. Niet meer de kleine dagelijkse ontwikkelingen kan volgen. Net nu van alles begint te bloesemen.

Open deur

Open deur

Toen ik aan deze tuin begon, wat zal het zijn.. vier jaar geleden geloof ik, we zaten midden in de pandemie, bouwde ik met mijn zoons dit zelfverzonnen houten huisje met veel ramen. Het is te klein om er een beetje in te zitten en ook verder van iedere luxe verstoken, maar goed, wie heeft er luxe nodig? En zitten doe ik wel in de zon, op het terras ervoor. Als ik daar tijd voor heb tenminste want er is altijd wel iets te doen. Waar ik ook vrij lang geen tijd voor gehad heb, of tijd voor gemaakt heb als ik eerlijk ben, is het plaatsen van een deur. Zeker een jaar lang heeft dat ding enorm in de weg gestaan in en om mijn huisje, zonder dat ik andere actie ondernam dan 'm zolang even ergens anders neerzetten. Maar zie, het is nu toch zover gekomen. En, zoals wel vaker met de zaken die je maar voor je uit blijft schuiven, het was een werkje van niks.

Uitgebloeid is ook mooi

Uitgebloeid is ook mooi

In de serie uitgebloeid is ook mooi vind ik wel het steeds moeilijker al dat uitgebloeide en afgestorven spul te laten staan. Zoals dan goed is voor de insecten en de dieren. In de winter is het mooi natuurlijk, die skeletten en silhouetten die in al hun kale doodsheid nog wat reliëf geven aan het landschap van de tuin. Maar nu alles groen begint te worden en vol belofte uit begint te lopen krijg ik toch sterk de neiging het allemaal af te knippen, en af te rekenen met de winter.