Dat je een strijd niet kunt winnen, betekent nog niet dat je hem niet hoeft te voeren. Ook dit voorjaar kruip en buk ik weer door de tuin om overal het onoverwinnelijk heermoes weg te plukken. Zeker niet met de illusie het dit jaar wel te winnen, zeker niet, want ik weet inmiddels wel beter. Het is een klus die je nooit of te nimmer krijgt afgerond. Omdat het spul weer aangroeit zodra je je blik hebt afgewend. Een klus die dus enerzijds buitengewoon frustrerend is, maar waar je op een of andere manier ook best zen van kunt worden. Het is daarom de kunst te gaan plukken wanneer je een grote behoefte voelt zen te worden. Zo'n dag was het vandaag. Dat heb je wel eens, zulke dagen. Zo'n humeur. Emmers en emmers vol pluimen plukte ik weg en hoewel er nog ruim voldoende staat voor nog veel meer emmers en emmers, en het dus volkomen nutteloze arbeid was, verspilde tijd en energie, was het toch een bevredigend werkje.
Al eerder schreef ik dat ik van al die geplukte pluimen gier maak. Een bijna alchemistisch proces waarbij de heermoes, door toevoeging van water en dagelijks omroeren, langzaam wordt omgezet in een stinkende, schuimende brij waar, zodra je het deksel licht, de strontvliegen meteen op afkomen. Het verhaal gaat dat je met die gier de bodem zodanig verrijkt dat de heermoes op den duur verdwijnt.
Hoe lang die duur precies is, wordt er niet bij gezegd, maar gezien het feit dat dit jaar opnieuw een recordjaar lijkt te zijn, voor de heermoes, vrees ik dat het een kwestie van de lange adem is. Mijn lange adem. En erin blijven geloven.
De lange adem
