Ik troonde mijn dochter mee naar mijn tuin. Mijn dochter die ook een weblog bijhoudt over haar tuin, haar stadstuin, waarin zij op zoek is naar duizend soorten.
Vannacht, had ik bedacht, zouden we nachtvlinders spotten. Al eerder deden we dat in haar Zuidhollandse stadstuin en bij de vakantiebungalow op de Veluwe, deze keer dus op mijn Noordhollandse volkstuin. Nu waren we er om alvast de opstelling te installeren. Een opgespannen witte doek met een lamp erachter en twee stoelen om in af te wachten wat er komen zou. Een werkje van niks, met een kwartiertje zouden we weer thuis zijn om pas in de schemer weer terug te keren.
Mijn dochter stond aan de rand van mijn biotoop en liet haar keurend oog erover gaan. Ik voelde de bui al hangen. Mijn tuin is minder georganiseerd dan die van haar, waarmee ik niets ten nadele van geen van de twee tuinen gezegd wil hebben.
Je mag je paadjes wel eens maaien, was de eerste observatie. Nou had ik die speciaal voor de gelegenheid eerder in de week nog gemaaid, en zoiets sputterde ik ook, maar ze hoorde me al niet meer want haar aandacht werd afgeleid door een schorpioenweidevlieg die ze nog niet had. Met getrokken telefoon dook ze mijn tuin in, vervolgens het ene beestje na het andere fotograferend, zachtjes de bijbehorende namen prevelend. De juiste namen, ook nog. Ik hobbelde er achteraan om niks te missen en vond zo, via haar, ook nog het een en ander voor het eerst. Zoals deze groene schildwants, kek als een hoedje op prinsjesdag.
Enfin, met dat kwartiertje werd het niks meer. Voordat we aan het opbouwen van onze onderzoeksopstelling toekwamen hadden we al ruim een half uur door de tuin gestruind, fotograferend en determinerend. Wat mijn dochter tot slot nog wel de uitspraak ontlokte dat zij zich kon voorstellen dat ik niet aan tuinwerk toekwam, met al die beestjes. Wat ik uiteraard als een compliment voor mijn tuin opvatte.
Compliment