Tegen wil en dank

Tegen wil en dank

Wie het maar horen wil bezweer ik dat ik geen moestuin heb. Niet meer. Dat ik dat wel geprobeerd heb, toen ik aan een volkstuin begon, maar dat het voor mij niet is weggelegd. Dat ik niet was opgewassen tegen de slakken, de vogels en de hazen. Dat alles onder mijn handen werd opgevreten en weggeroofd. Of achter mijn rug werd overwoekerd door assertieve inheemse gewassen die ik hier niet bij naam zal noemen. En dat ik dus twee jaar geleden besloot dat ik het woord moestuin niet meer wilde horen. Dat ik voortaan een biodiverse natuurtuin zou hebben. Met bomen en struiken, planten en bloemen, vogels en insecten. En assertieve inheemse gewassen.
En nu blijkt rode kropsla dus ook een assertief inheems gewas te zijn. Dat zich bovendien niets aantrekt van mijn moestuinverbod, want nota bene op de composthoop trof ik enige tijd geleden een handvol zaailingen aan van de rode kropsla. Nakomelingen van een doorgeschoten voorouder van weleer. Dus ja.. dan kun je geen moestuin willen, als de oogst zich zó nadrukkelijk opdringt zou je wel gek zijn de boel weg te schoffelen, met je dwarse kop. Ik zette de boel dus in potjes tussen de kaardebollen en het ijzerhard, gaf het regelmatig water en zo eten we de komende tijd alsnog sla uit eigen tuin.

Sla eten

Sla eten

Voor één groente hoef ik nooit veel moeite te doen, en dat is deze rode sla. In de zomer is er altijd wel een krop die doorschiet, al is het maar omdat ik dat laat gebeuren sinds ik het door heb, en die na de bloei het pluis laat waaien, zodat ik aan het begin van het voorjaar op de vreemdste plekken zaailingen vind. Ook nu weer. Ik verzamel ze, zet ze in potjes om wat groter te worden en daarna in één van de bakken. In keurige rijtjes, zodat het net lijkt alsof. Nog een groot voordeel is dat de slakken het niet lusten. Ik houd van rode sla. Ik heb er nu een stuk of twaalf, dus dat wordt straks weer even flink sla eten omdat ze allemaal tegelijk klaar zijn. Al laat ik er natuurlijk ook weer eentje doorschieten.