Moerbei

Moerbei

In Den Haag, toen wij daar nog woonden, in een mooi maar ver verleden, hadden we ons, na jaren op een wachtlijst, ook een volkstuintje bemachtigd. Van de vorige gebruiker daarvan hadden we - naast metershoog woekerende braamstruiken, grote hoeveelheden zevenblad, uit hun krachten gegroeide rozen- en laurierstruiken en een als worteldoek bedoeld halfvergaan kamerbreed tapijt - een flinke moerbeiboom geërfd.
Het was een prachtige boom, hij stond in de hoek van de tuin en leverde handenvol moeilijk te plukken maar erg lekkere bessen. Eén jaar deed hij dat, want de tuincommissaris verordonneerde dat de boom te hoog was en licht wegnam voor de tuin van onze buurman en dat we hem dus maar hadden te snoeien.
Hoed u voor mensen, mannen vaak, of eigenlijk altijd, die zich tuincommissaris noemen. Die zich op die titel laten voorstaan.
Wij waren destijds nog geïntimideerd door dit fanatiek beleden amateurgezag en snoeiden, met pijn in het hart, de moerbei die intussen onze moerbei was geworden. Een prachtige boom was het daarna niet meer, en bessen heeft hij in onze tijd niet meer gegeven.
Het is jaren geleden allemaal, ik zei het al, maar de herinnering kwam boven drijven toen ik tot mijn grote en blijde verrassing de eerste vruchtjes zag aan het piepkleine moerbeiboompje dat ik op mijn tuin heb staan. Mocht dat ooit een grote en prachtige boom worden, is er geen tuincommissaris die mij zover krijgt die te snoeien.