Tropische verrassing

Tropische verrassing

Terug van een warme vakantie in eigen oververhit land ben ik voor het eerst weer op de tuin, benieuwd naar hoe die erbij staat. Mijn oudste zoon heeft de honneurs waargenomen en dat heeft ie goed gedaan want de schade lijkt nogal mee te vallen, het meeste heeft het zo te zien overleefd, de hitte. Een enkel eikje heeft het opgegeven, de zaailing-beukjes die ik van het voorjaar uit Duitsland meenam lijken het niet te hebben gehaald, maar die stonden er voor vertrek dan ook al minder florissant bij, de gunnera heeft wat bruine randen hier en daar, maar voor de rest is het een groene oase vergeleken met de uitgedroogde, verdorde heide waarover we vorige week nog onze zweterige wandelingen maakten.
Wanneer ik mijn compostbak open, om er ook voor het eerst in drie weken weer mijn keukenafval in te gooien, wacht mij een tropische verrassing, al is het niet in Hollandsche melkchocolade (die natuurlijk ook helemaal niet bestaat, maar deze mosterd lang na de maaltijd geheel terzijde). In de inmiddels misschien wel dertig centimeter dikke laag composterende prut, in de broeikas die deze bak deze zomer moet zijn geweest, zijn verschillende planten opgeschoten. Over vruchtbare bodem gesproken. In drie ervan meen ik een beginnende avocado te herkennen - wie heeft er nooit een avocadopit bij een kamerplant in de grond gestoken om al snel een fris glanzende plant te zien opkomen en weer wegkwijnen - een tiental groene sprieten kan ik niet meteen thuisbrengen.
Uiteraard besluit ik deze verstekelingen te redden en ze een kans in mijn tuin te geven, al is die over het algemeen een stuk minder tropisch dan ze tot nog toe gewend zijn. Ze laten zich makkelijk loswoelen uit de rulle bodem en blijken best aardig geworteld.
Eén van de avocado's blijkt dan een mango te zijn. Tot mijn verbazing, want ik heb dat ook wel eens in de vensterbank geprobeerd, met een mangopit, zonder enig resultaat. Nou moet ik er wel bij zeggen dat ik in de loop der tijd waarschijnlijk wel tien of meer mangopitten in de compostbak heb gekieperd, dus deze ene blijft vooralsnog een hoge uitzondering.
De groene sprieten die ik omhoog haal blijven aanvankelijk een raadsel. Ze blijken ontsproten aan een soort nootje, de spriet voelt stevig aan en ziet eruit als de uitgelopen paarse morgenster in mijn orangerie, maar goed, dat groeit niet uit een nootje en die kiemplantjes hebben al gauw de neiging allemaal op elkaar te lijken. Het nootje komt me wel bekend voor. Een walnoot is het niet. Die zijn ook veel te duur om in de compostemmer te belanden. En dan weet ik het. Het zijn dadelpitten. Zo goed als elke dag sta ik dadels in stukjes te snijden in de kwark voor de lunch en heb ik de grootste moeite die kleverige pitten van mijn kleverige vingers in het compostemmertje op het aanrecht te krijgen, het moeten er inmiddels honderden zijn. Een stuk of tien hebben nu dus kans gezien te ontkiemen. Een score die, zo blijkt, vergelijkbaar is met die van mangopitten.
Ik gaf er een paar aan de buurvrouw, die toevallig getuige was van mijn opgetogen vondst en die mij ook wel eens een en ander toesteekt over de heg, de rest zette ik in een pot. Niet met de illusie er ooit dadels van te oogsten, zo naïef ben ik allang niet meer. Ik neem dankbaar genoegen met het idee dat ik het wonder der natuur met eigen ogen, in eigen tuin heb mogen aanschouwen.

De kiem van een bescheiden succes

De kiem van een bescheiden succes

Het is inmiddels niet echt een geheim meer dat ik mij wel eens bezondig aan strooiselroof. Een vrij onschuldig vergrijp, in mijn ogen. Zie ik bij het wandelen in berm of beemd iets staan dat mij aanspreekt dan deins ik er niet voor terug een stekkie te nemen, een zaailing uit te graven of een handvol zaad mee te nemen. Speciaal met dat doel heb ik altijd een klein schepje, een mes en een rol plastic zakjes in de rugzak met krentenbollen. Wel let ik er op dat ik niet de enige zaailing of het laatste beetje zaadpluis meeneem, maar waar de boom volgeladen genoeg is, vind ik, mist de natuur één twee pruimpjes niet.
Op de tuin probeer ik de buit dan op te kweken tot plant, struik of boom, al naar gelang. Met wisselend succes. Zo heb ik al een bescheiden arboretumpje bij elkaar gesprokkeld. Twee rode beukjes, twee tamme kastanjes, een lijsterbes, Spaanse aak, grauwe wilg, drie berken. Om eens wat voorbeelden van geslaagde pogingen te noemen. Maar ik stop ook genoeg geroofd zaad in de grond of in potjes waar ik nooit meer iets van terugzie.
Zo leek het ook af te lopen met de Zwartmoeskervel waarvan ik vorige zomer zaad had meegenomen van Texel, tijdens een genoeglijke en zonovergoten wandeling. De berm stond er helemaal vol mee en de diepzwarte zaadtrossen aan de verder kale staketsels appelleerden meteen aan mijn voorliefde voor wat stugge, tegendraadse en nurkse planten. Bovendien verklaarde Obsidentify de plant zeldzaam in Nederland, waar het voornamelijk op Texel voorkomt. Ook daar was ik mee in mijn nopjes. Stel je voor, dacht ik, een zeldzame plant op mijn tuin.. Ik stopte wat van de zaden in potjes met een zelfverzonnen, wat zanderig grondmengsel waarmee ik meende de Texelse bodem te benaderen en hoopte er het beste van.
Van de week was ik voor de belachelijke hitte uit een paar keer op de tuin om water te geven aan wie dat nodig had. Zo ook de kleine potjes in mijn orangerie met onder andere dus de zaden van de zwartmoeskervel. Ik had de hoop eerlijk gezegd al opgegeven zo lang als er niks gebeurde, maar verdomd, het kan de belachelijke hitte geweest zijn - zwartmoeskervel is afkomstig uit streken rond de Middellandse Zee - in één potje werd gehoor gegeven aan de roep van de natuur.

Fünf Buchen

Fünf Buchen

Het nadeel van op vakantie gaan, is dat je niet naar je tuin kunt. Zeker in de voorjaarsvakantie mis je dan eigenlijk een van de mooiste periodes. De dagen van het grote groen worden. Het ontluiken, het uitlopen, het bloeien. De metamorfose van een kale bedoening naar een malse, vruchtbare oase.
Maar goed, wij waren dus op vakantie en wandelden een paar heerlijke lentedagen onder het zondoorschenen frisgroene gebladerte van het Teutoburger Wald, dat was ook helemaal niet slecht.
En zoals ik dat wel vaker doe, kon ik het ook dit keer niet laten wat zaailingen te verzamelen voor in de volkstuin. Strooiselroof. Verspreiding van biodiversiteit, kun je het ook noemen, leerde ik van een collega-tuinier die zich er ook aan bezondigt. De bermen stonden bezaaid met piepkleine beukjes en ik dacht, in de geest van Piet Paaltjens, hier mist men vijf, zes boompjes niet. Nu heb ik inmiddels al een aardig mini-arboretum bij elkaar geroofd, waaronder twee schattige rode beukjes, maar de groene beukjes van een eerdere lichting hebben het niet gehaald. De groene beuk ontbreekt nog, in mijn tuin.
Naast een stapel gevelde stammen, aan de rand van een bosbouwpad, waar ze sowieso een zekere en vroegtijdige dood stond te wachten, trok ik er vijf uit de grond, stak ze in een leeggegeten boterhamzakje, met een paar handen van hun eigen grond en een voorraadje afgevallen blad als humus, het laatste slokje water uit de veldfles, en nam ze mee naar huis. Daar staan ze nu in potjes van de schrik te bekomen.