Vorig jaar, en ook het jaar daarvoor trouwens, beklaagde ik mij over de kersenoogst. Hoewel er toch echt bloesem in mijn boompje had gezeten en ik over insecten niet te klagen heb op de tuin, bleef de opbrengst beperkt tot één respectievelijk twee kersen. Nou goed, drie. Die dan ook nog eens, vér voor ze ook maar het kleinste blosje op de groene wangen kregen, werden opgevroten door de vogels.
Ach, ik doe wel zuur, maar echt erg vind ik het natuurlijk niet. Die paar kersen. En vogels moeten ook eten. Bovendien ben ik dan wel weer trots en blij als een kind wanneer vogels zich in mijn tuin vertonen. In mijn bomen gaan zitten fluiten. In mijn kastjes gaan zitten broeden. Dus.. waar hebben we het over. Voor wat hoort wat.
Dit jaar had ik mijn oogst daarom, al had ik al wel gezien dat er deze keer beduidend meer dan drie in de boom verscholen zaten, in gedachten al aan de vogels geschonken. Smakelijk eten jongens. Op tafel lag zelfs al een half afgekloven pit. Dus ik was blij verrast toen ik tegen al die verwachtingen in toch één rode kers zag hangen. Dat ik die lekker zelf op mocht eten, van mijn gevederde vrienden. Als bedankje.
Bedankje