De bedoeling

De bedoeling

Op het ogenblik, deze dagen, deze weken, ik zal het eerlijk toegeven, is het een beetje een verwilderde toestand op de tuin. Ik zou daar allerlei excuses voor kunnen aanvoeren - een drukke agenda, belachelijke temperaturen, de ongebreidelde groeikracht der natuur - maar dat vind ik niet nodig. Al heb ik het nu natuurlijk wel net gedaan. Paden zijn overwoekerd, het heermoes is kniehoog alomtegenwoordig, net als vele soorten gras, het terras dreigt aan vergroening ten onder te gaan en de braam grijpt als de wildeman die hij is om zich heen. En al ben ik een liefhebber van de wat wildere tuin, dit gaat zelfs mij iets te ver. Mezelf kwellend met de vraag waarom ik de boel niet wat beter in de hand houd, waarom ik niet wat meer tijd steek in het enigszins beheersen van de wildgroei aan inheemse gewassen, in plaats van maar met de telefoon in de hand verliefd achter allerlei beestjes aan te hobbelen, ga ik de jungle met maaier en snoeischaar te lijf. Korven vol trek ik de grond uit in een poging de boel weer een beetje toonbaar te krijgen, op zijn minst in mijn eigen ogen. Maar ook zie ik bij elke stap die ik doe, in mijn verwilderd paradijs, tientallen diertjes en beestjes voor mijn handen en voeten wegspringen of vliegen of fladderen. Zoals dit bruine zandoogje. Dus zó erg is het nou ook weer niet, denk ik dan maar. Dit was immers de bedoeling.

Niets is zeker

Niets is zeker

Het is wat met die Obsidentify app. Zelf vind ik dit dus een vrij ordentelijke foto van een sprinkhaan. Of een krekel. Of misschien nog wel iets anders, weet ik veel. Daarvoor haal ik 'm door de app, om daar achter te komen. En hoewel het dus, nogmaals, in mijn ogen een vrij ordentelijke foto is, word ik afgescheept met vage fifty fifty percentages: Ja, gut, een Veldsprinkhaan Onbekend misschien, wie zal het zeggen. Of anders iets uit de Chorthippus Biguttulus groep? Dat zou ook nog kunnen. Daar moet ik het dan maar mee doen. Terwijl van de soms wazigste, onderbelichtste en bewogenste foto's die ik zonder enige verwachting invoer regelmatig met grote stelligheid wordt beweerd dat het een Vergeten Tandkaak is. Honderd procent zeker. Of een Ichneumon Xanthorius. Ik noem maar even wat. En terwijl ik dan zo naar die foto zit te kijken vind ik het ook opeens wel iets van een haas hebben. Dat koppie, met die lange oren, en die blik. Ik zal waarschijnlijk de enige zijn. Obsidentify krijg ik er in elk geval niet in mee. Als ik voor de gein een sterk ingezoomde foto van dat koppie invoer is dat opeens een levendbarende hagedis. Met 91% zekerheid.

Kikker en Pad

Kikker en Pad

Vandaag is mijn kleinzoon jarig, hij wordt acht jaar oud die schat. Ach, wat gaat het toch hard, moet je daar dan bij zeggen. Omdat dat zo hoort. Omdat het ook zo is. Waar is de tijd gebleven dat hij ondersteboven achterstevoren bij opa op schoot naar een verhaaltje zat en lag en wiebelde te luisteren? Laat staan de tijd dat zijn moeder bij papa op schoot naar dezelfde verhaaltjes zat te luisteren, een en al rust en aandacht. Kikker en Pad, bijvoorbeeld, met hun vriendelijke avonturen. Die waren zeer geliefd. Zowel bij voorlezer als bij toehoorder. Nu scharrelen ze alleen nog bij opa op de tuin, kikker en pad. Nog altijd even vriendelijk, hoop ik.

Klopt

Klopt

Het is ook wel eens fijn wanneer ergens een zekere logica in lijkt te zitten. Iets van een kloppend oorzaak gevolg. Een systeem. Dat zou hier wel eens het geval kunnen zijn. Vorig jaar introduceerde ik Moerasandoorn op de tuin, gestrooiselroofd van de oevers van de Regge in Overijssel. Heeft een erg leuk bloemetje en blijkt het ook op de noordhollandse klei buitengewoon goed te doen.
Dit jaar dient zich dan de Andoornbij aan. Die, de naam verklapt het al, voornamelijk stuifmeel verzamelt van verschillende andoornsoorten. Dus dat klopt. Het maakt uit wat je doet. Het een lokt het ander uit. Alles heeft met elkaar te maken. En kijk, dat vind ik dan leuk om te ontdekken. Dat Obsidentify dan ook nog rept van een lage trefkans maakt het alleen maar beter.
De andoornbij, lees ik, is een sachembij, maar in tegenstelling tot andere sachembijen graaft de andoornbij zelf haar nestgangen uit in vermolmd hout. Daar heb ik ook wel wat van staan en liggen. In die gangen worden dan verschillende nestkamertjes gemaakt, van elkaar gescheiden met tussenschotjes van gekauwde houtpulp. Verder lees ik dat ze een extreem lange tong hebben waarmee ze nectar uit lipbloemigen verzamelen en dat ze daarbij, gelijk de kolibrievlinder, vóór de bloem in de lucht blijven zweven. Maar ja, de trefkans voor dat spektakel zal waarschijnlijk nog wel lager zijn.

Avond

Avond

Van de week was ik een paar keer een avond op de tuin, die zijn er immers weer lang genoeg voor en het weer en mijn bui waren er ook naar, vandaar. En zo zag ik dan de avondschemer langzaam nederdalen over mijn paradijs. Het zwerk kleurde langzaam roze-oranje en gaf de tuin, de bomen, de struiken een romantische, verzachtende sepiagloed. Alles verstilde, behalve de merel. Een vredig stemmend en rustgevend schouwspel. Wat ik grappig vond om te ontdekken was dat allerlei insecten een plekje voor de nacht opzochten. Tegen een stam aangedrukt, verstopt onder een blad of weggedoken tussen het gebladerte, zoals deze Dwarsstreepmaanmug. Het is een weinig wereldschokkende ontdekking, dat weet ik ook wel, maar het gaf me toch een groot gevoel van tevredenheid.

Bewegend filigraan

Bewegend filigraan

Het heeft acht lange, slanke poten, maar een spin is het niet, al lijkt het er verdomd veel op. Nou goed, het is een spin-achtige, dus de verwarring is begrijpelijk. We zien hier de Gewone Hooiwagen. Persoonlijk vind ik dat we de gewone hooiwagen tekort doen met de term gewoon, want zo gewoon is ie niet, de gewone hooiwagen. Kijk alleen maar eens goed hoe mooi dat eruitziet. Die prachtige tekening op de rug, dat decoratieve stippenpatroon, als Marokkaans koperwerk. Dat lijf dat eruitziet als een soort middeleeuwse ridderhelm. En die poten.. die lijken toch wel van het fijnste goud? Bewegend filigraan, zoals alleen gemaakt kan worden door de beste goudsmid van het land? Niks gewoons aan.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het feit dat de hooiwagen, bij gebrek aan al teveel ogen, met het tweede stel poten kan ruiken, horen en voelen. Hij kan er trillingen mee opvangen, denkt men, en er op die manier zelfs mee communiceren.
Ook bepaald niet gewoon vind ik dat de hooiwagen, wanneer hij zich bedreigd voelt, één van zijn poten kan afwerpen, of twee, om zijn aanvaller in verwarring te brengen. De losse poot blijft nog een tijdje liggen bewegen, terwijl de hooiwagen de overgebleven benen neemt. En zo'n poot groeit dan ook nog gewoon weer terug. Wat misschien maar goed is ook, want ik lees dat de hooiwagen zijn poten echt bij het minste geringste laat vallen.
Een mannetje kun je, zoals wel vaker bij spinnen en spin-achtigen, maar beter niet zijn: direct na de paring word je zonder pardon opgevreten door je vrouw. Met poten en al. Want die truc, ja, die kent ze natuurlijk wel.

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Maar vermoedelijk vrij algemeen

Hoe meer beestjes ik fotografeer en door de app haal, hoe vaker het voorkomt dat ik bij een langskomend beestje denk: die heb ik al. Geloof ik, denk ik daar dan meestal achteraan. Heel soms zelfs komt het voor dat ik me de bijbehorende naam meen te herinneren, waarna ik het beestje alsnog door de app haal om dat te controleren. In uitzonderlijke gevallen heb ik dan gelijk. Zo is de stand van zaken en veel beter zal het waarschijnlijk niet worden. Geeft niks.
Bij dit beestje, dat opvallend rustig op een blad van de aalbes van het zonnetje zat te genieten, wist ik twee dingen zeker: die heb ik nog niet, en: geen idee wat het is.
Het had iets wesp-achtigs, met die smalle vleugels en die gele strepen, maar het was geen wesp. Iets boktor-achtigs, met die lange, nadrukkelijke voelsprieten, maar het was geen boktor. Door dat rare ding aan het achterlijf zou je aan iets schorpioenvlieg-achtigs kunnen denken, maar dat was het ook niet. Dat het een vlinder zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Maar dat was het dus wel. De Bessenwespvlinder, om precies te zijn. Een glasvleugelvlinder. Een afgezant van de vrij breed uitwaaierende familie der wespvlinders, ontdek ik op het alwetend web. Zoals daar zijn de eikenwespvlinder, de elzenwespvlinder, de populierenwespvlinder, de wilgenwespvlinder, de appelwespvlinder en de klaverwespvlinder. En wat te denken van de tongbrekende cipreswolfsmelkwespvlinder of de licht omineuze heksenmelkwespvlinder.
En ik vind het dan leuk om zo'n vreemde snuiter in mijn tuin aan te treffen, vooral omdat de Vlinderstichting het als een vrij zeldzame verschijning betitelt - Obsidentify houdt het op een wat zuiniger 'weinig waargenomen maar vermoedelijk vrij algemeen' - de professionele aalbessenteler doe je geen plezier met de bessenwespvlinder. De rups verpopt in een tak van de struik, net onder de schors, en voedt zich een winter lang met het hout en de bast, wat de struik natuurlijk niet ten goede zal komen. Al lees ik ook dat de vlinder de eieren bij voorkeur legt in de takken die er sowieso al niet florissant bijhangen. Dat laatste klopt ook wel voor mijn eigen aalbessenstruik die de recente transplantatie van achtertuin naar volkstuin maar met moeite lijkt te verwerken.
Verder lees ik dat ik hier te maken heb met een vrouwtje, vanwege de drie gele banden op het achterlijf - een mannetje heeft er vier. De gele strepen op het borststuk duiden er op dat het wel eens een verse vlinder zou kunnen zijn, zo uit de kwijnende takken van mijn aalbes gekropen. Wat mij dan weer op de gedachte brengt dat die smalle vleugeltjes nog niet helemaal zijn opgedroogd en dat ik hier getuige ben van de geboorte van deze bessenwespvlinder. Dat zou ook verklaren waarom ze zo kalm blijft zitten, waar de meeste insecten zich rap uit de voeten maken als ik er aan kom. Ach, wat is het toch fijn als de dingen allemaal lijken te kloppen.

Dilemma

Dilemma

Daar ben ik mooi klaar mee. Een invasieve exoot in mijn watertank. De rode Amerikaanse rivierkreeft. De vraag hoe hij daar terecht is gekomen had ik snel beantwoord: meegekomen met een gieter water die ik uit de sloot haalde, hoogstwaarschijnlijk. De vraag is ook niet zozeer hoe ik hem er weer uit krijg: handschoen aan en oppakken bij een lage waterstand. Al moet ik er eerlijkheidshalve wel bij vertellen dat ik dat dus al een keer geprobeerd heb, maar dat het beest zo energiek en onverwacht krachtig tegenspartelde dat ik van schrik weer losliet en hij onder mijn ogen uit zicht verdween in de opwolkende modder op de bodem van de tank en ik besloot de kwestie voor me uit te schuiven. Maar goed, bij een iets doortastender optreden zou het moeten lukken. De kwestie is dan ook meer: wat doe ik er daarna mee? Sta je daar met een spartelende rivierkreeft in je hand. Een agressieve exoot die het uitmoorden van het inheemse slootleven op z'n verdorven geweten heeft. Terugzetten in de sloot waar hij vandaan komt is dus feitelijk geen optie, dat zou mij tot een medeplichtige maken. Op internet lees ik zelfs dat het verboden is ze uit te zetten in de natuur, dus daar ga ik al, als gezagsgetrouw burger.
En doodmaken is weer ook zoiets. Ik zou niet weten hoe. Al kan ik me voorstellen dat je met een hamer een heel eind komt, ik zou het niet kunnen. Het beest kan er zelf verder ook niet zoveel aan doen tenslotte. Bovendien, ik ben vegetariër.
Opeten valt dus ook af, al schijnen ze, ook weer volgens internet, 'geschikt te zijn voor consumptie'. Wat als je erbij nadenkt trouwens een hoogst merkwaardige uitdrukking is, want wie bepaalt dat? Niet de kreeft zelf in elk geval. En weggeven aan iemand die 'm wel zonder scrupules in een pan kokend water zou gooien voor op z'n broodje kreeftsalade stuit daardoor ook op gewetensbezwaren en kan buitendien ook niet, want ook het verhandelen is niet toegestaan.
Maar ja, om dat beest dan maar in die tank te laten creperen, dat kan ik dan eigenlijk ook weer niet over mijn hart verkrijgen.
Nee, wat ik zeg, daar ben ik mooi klaar mee.

Een hommel op een boterbloem?

Een hommel op een boterbloem?

Je denkt soms wel eens iets te weten, om er dan, als je niet oppast, al snel weer achter te komen dat je eigenlijk maar weinig weet. Zo zag ik deze hommel landen, op een boterbloem, en ik dacht: ja, een hommel.. wit kontje.. het zal de Tuinhommel zijn. Dat dacht ik. Niet de moeite waard om door de app te halen, want ik weet het al. En voor de Bioblitz hoef ik het ook niet te doen, want tuinhommels, die zie je genoeg. Dus.
Wat ik ook meende te weten, dat ik dat ergens gelezen had, was dat boterbloemen zulke egoïstische bloemen zijn. Kniertige krepsers, die alleen maar nemen en niks geven. Geen nectar voor de bijtjes. Nou, dat wist ik zo te zien dus al duidelijk verkeerd want deze hommel maakte er werk van. Die bleef daar geen rondjes draaien omdat ie er zo leuk duizelig van werd.
En toen ik hem dan toch maar door de app haalde, bijvoorbeeld om welwillend te ontdekken dat het hier om de Kleine Witbehaarde Dikpootboterbloemhommel ging - ik verzin maar even een naam - of misschien ook wel om bevestigd te worden in mijn ontluikend entomologisch gelijk, bleek het dus ook nog eens helemaal geen hommel te zijn. Geen tuinhommel, laat staan een kleine witbehaarde dikpootboterbloemhommel, maar de Grote Narcisvlieg. Die zich dus blijkbaar vermomt als hommel.
De larven, lees ik, leven in bloembollen. Dat zullen dan wel de bollen van de narcis zijn, zou je denken. Maar weten doe je het niet.

Hondjes (Op z'n -)

Hondjes (Op z'n -)

Niets menselijks is de insecten vreemd. Als het lente is, wordt er geneukt. Gepaard. Voortgeplant. De soort in stand gehouden. Er wordt wat af bevrucht, op de tuin, deze dagen. Zonder enige gêne. Wat misschien weer iets minder menselijk is. Uitzonderingen daargelaten hechten wij toch meer aan onze privacy. Deze dambordvliegen en deze blauwe muntgoudhaantjes boeit het niet of ik er met mijn neus bovenop sta, lijkt het. Met m'n camera, ook nog. Onverdroten gaat het voort. Al vliegen de dambordvliegen na verloop van tijd al parend een paar struiken verderop. Misschien dat die zich toch bekeken voelen.