Mospissebed (onscherp)

Mospissebed (onscherp)

Als eerste beestje dit jaar kwam ik deze mospissebed tegen. De foto is onscherp, jammer genoeg want het ziet eruit als een mooi getekend beestje, maar dat komt omdat ik bij het fotograferen onderbroken werd door drie vrolijk groetende medetuiniers op een rijtje, die net zo enthousiast waren over het onverwachte mooie weer als ik. Dat kon ik niet ongemerkt voorbij laten gaan. Toen ik opnieuw door de knarsende knieën ging om de sessie te hervatten voor een betere foto was het model alweer in de strooisellaag verdwenen. Nergens meer te vinden. Het zijn snelle lopers, las ik in de boeken. En beschikt over meerdere puntoogjes dus had mij natuurlijk ook in de smiezen. Zodoende alleen deze onscherpe foto. Maar, lees ik ook, het is een algemeen voorkomende soort, dus een herkansing ligt voor de hand.

Levensweg (vrnl)

Levensweg (vrnl)

Erg veel insecten zie je niet meer op de tuin, deze dagen. Niet als je er niet echt naar op zoek bent in elk geval. Bij Renze Borkent lees ik dat hij nu volop springstaartjes tegenkomt in zijn bemotregende tuin, op en onder de halfvergane herfstbladeren. Maar goed, dat zijn beestjes van soms nog geen millimeter. Daar moet je wel echt op uit zijn. Als je al wist dat ze bestonden. Als je al onthouden had dat die bestonden, want in zijn boek, dat ik las, had hij het er ook al over. Dat is voor gevorderden. Al zal ik niet ontkennen dat, nu ik dit weet, ik deze week hoogstwaarschijnlijk ook mijn geluk eens zal beproeven, onder mijn halfvergane herfstbladeren. Maar goed, afgezien van de pissebedden en de wurmen in de compostbak en de slapende larven in het bijenhotel, in diverse gallen her en der en in de bodem natuurlijk, geen insecten. Wel sporen van insecten. Bij het snoeien van de braam kwam ik dit blad tegen waarin een bladmineerder zijn levensweg had afgelegd. Een beestje zo klein dat het in het blad leeft, tussen boven- en onderkant. Om zich in een paar dagen tijd door het bladgroen de weg naar volwassenheid te vreten en het blad als vliegje of wespje te verlaten. Wonderlijk. En grappig dat je inderdaad kunt zien dat hij al vretend gaandeweg steeds groter werd, van rechts naar links.

Gemengde gevoelens

Gemengde gevoelens

Moet je hier nou wel of niet blij mee zijn, met je insectenvriendelijke tuin? Met je laat de natuur z'n gang maar gaan instelling? Met je heilig vertrouwen in Moeder Natuur, wiens wegen weliswaar ondoorgrondelijk zijn maar die schijnt te weten wat ze doet? Laten we het op gemengde gevoelens houden. Het ziet er prachtig uit, zonder enige twijfel, maar het zijn dus wel slakkeneitjes. De slakken van morgen. De aangevreten oogst van volgend seizoen. En het seizoen daarna. En de seizoenen daarna, want een slak wordt zo vijftien jaar, is eeuwig trouw aan zijn geboortegrond en legt soms wel zes keer per jaar tot tweehonderd eieren, is het gewogen gemiddelde van wat ik zo hier en daar lees. Dus ja, nee, ik sta niet te juichen bij deze vondst. Aan de andere kant, de slakken van morgen zijn ook weer het voedsel voor de egels, de vogels, de muizen en de padden van morgen. Sommige paddestoelen eten slakken, lees ik, net als schimmels, vraag me niet hoe dat in zijn werk gaat. Loopkevers en duizendpoten jagen op slakken. Hagedissen, kikkers, hazelwormen en ringslangen eten ze. En de eitjes zelf zijn vast ook een traktatie, voor deze of gene. Ik heb eenden er wel eens op los zien gaan tenminste. Dus ja, nee, ik raak er ook weer niet meteen van in de moordlustige stress, van deze vondst. Al is het moeilijk principieel te blijven, in dit geval, en vraag ik me wel een beetje opstandig af waarom er nog zó veel rondglijden, met al die veronderstelde liefhebbers op de kust. Laten we het inderdaad maar op gemengde gevoelens houden.

Zo van het penseel gevallen

Zo van het penseel gevallen

Gut, wat zou dit nou toch weer zijn, dacht ik bij het zien van deze fraai gekleurde stippen op het blad van de paardenbloem. Als druppels aquarelverf, karmijnrood, zo van het penseel gevallen. Naar de rand toe vervagend, uitgelopen op het helder groen papier van het paardenbloemblad. Vanwege de herfst en het vochtige weer dacht ik in eerste instantie aan de een of andere schimmel. Of een soort roest, wat dan trouwens ook weer een schimmel is, lees ik net. Maar nee, blijkt uit nader onderzoek, dit is het werk van de paardenbloemvlekgalmug. Die heeft hier haar eitjes gelegd, en veroorzaakt daarmee die artistieke vlekken. Klinkt vervelend, een galmug. Je begint al te krabben als je het woord hoort. Het valt echter mee. Sterker nog, het is eigenlijk wel goed nieuws. De larven van de galmug eten namelijk bladluizen. En veel ook. De galmug, lees ik, wordt wel ingezet als biologische bestrijder van bladluis in de tuinbouw. Je kunt ze kopen, op internet. Ik krijg ze gratis, van de natuur. En zo blijkt opnieuw hoe nuttig de vaak verguisde paardenbloem is. Ik zocht dan nog een plaatje van de volwassen paardenbloemvlekgalmug, maar dat was vreemd genoeg op gans het wereldwijde web niet te vinden. Wel bleek dat er vele, vele soorten galmuggen zijn. Perenbladgalmug, brandnetelbladgalmug, melkdistelpokgalmug, rozenbladgalmug, wilgentopgalmug, geoorde wilgbladgalmug.. kortom, een beetje plant kan niet zonder zijn eigen galmug.

Wonderlijk

Wonderlijk

Nog even over die zwartgerande tuinslak waarover ik een paar dagen geleden schreef. Die een lange reis langs de scherp gedoornde stengel van de kaardenbol had ondernomen, om daar niets anders te vinden dan dorre bladeren, dode bloemen en nog meer stekels. Ik had daarover mijn berichtje geschreven en was die avond tevreden naar bed gegaan. Voor het inslapen las ik nog een stukje in het boek van Renze Borkent, Kleine Natuur geheten. En verdomd als het niet waar is, ik was gebleven op bladzijde 151 onderaan, dus daar ga ik verder en dan lees ik binnen een paar zinnen het volgende: 'Ondertussen kruipt een zwartgerande tuinslak over de stengel van de kaardenbol die is voorzien van forse stekels. Dat lijkt me als weekdier zijnde een vrij onmogelijke ondergrond, maar blijkbaar kan het.' Ik noemde het al een herkenbaar boekje, dus dat was zeker niet overdreven. De schoonheid van het universum. Twee zwartgerande tuinslakken met dezelfde missie. Twee mannen die dat zien. En zich verwonderen.

Onverrichter zake

Onverrichter zake

Tja. De zwartgerande tuinslak. Daar zit ie dan. Wat bezielt zo'n beest, vraag je je af. Met welk idee begint hij aan zo'n reis? Het kan niet comfortabel zijn, met je zachte, slijmerige buik over die scherpe doornen van de kaardebol naar boven. Waarom besluit hij toch door te zetten? Dwars door de paincave. Waarom klimt hij door tot meer dan een meter hoogte? Ondanks de pijn. Waarom keert hij niet om, na de eerste drie doornen? Wat ik zou doen. Waarom denkt hij niet: bekijk het maar, ik zoek wel een andere stengel. Wat ik zou doen. Verwacht hij één of andere beloning, als hij eenmaal boven is? Een beloning voor het afzien. Voor zijn zelfkastijding. Is hij dan trots? Dat hij het toch maar geflikt heeft. Of is hij teleurgesteld dat hij boven niets anders aantreft dan dorre bladeren en dode bloemen? Waar trouwens ook weer stekels aanzitten. Is hij dan verongelijkt? Of boos? Heeft ie dan de pest in dat hij dat hele eind weer terug naar beneden moet, langs dezelfde doornen? Onverrichter zake. Dat niemand hem dat even gezegd heeft, van tevoren.

Het wrede lot

Het wrede lot

Ja kijk, ik probeer er dan een insectenvriendelijke tuin op na te houden, voor wat het waard is, dus alles wat rondvliegt en zoemt, kruipt en fladdert is van harte welkom om te gaan en te staan waar het wil. Ik ben niet te beroerd om onder een spinneweb door te kruipen, een hommel uit het water te redden, even te wachten tot een bij is uitgegeten, rupsen vrij baan te geven of een vlieg uit een web te bevrijden. Hoewel dat laatste alweer een dilemma kan zijn omdat je de spin dan van het zelf bij elkaar gescharrelde maaltje berooft. Maar goed. Vandaag stond ik dan toch met de handen in het haar te schuilen voor de regen, in mijn orangerie van scharrelhout. Een flinke wesp, die blijkbaar ook onderdak had gezocht, had zich tussen de golfplaten van het dak weten te wurmen. Daar zat hij, droog maar benauwd. Bekneld. Het was duidelijk dat hij zijn kont niet meer kon keren. Dat hij hier niet meer uit ging komen. En ik zag geen mogelijkheid hem te helpen, zonder mijn dak kapot te maken. Dat ging mij te ver. En ik weet wel dat alle wespen voorbestemd zijn deze dagen te sterven, deze ook, toch zat het me eenmaal weer thuis nog steeds niet lekker dat ik hem aan zijn wrede lot had overgelaten.

Weemoed

Weemoed

Ook omdat het weer er de afgelopen weken niet altijd even zeer toe uitnodigde, en omdat het 's avonds na het eten en de afwas eigenlijk al meteen weer bijna donker is, was ik niet zo vaak op de tuin als ik me nog zo had voorgenomen me niets van de ingevallen herfst aan te trekken. Ach ja, de herfst. Heeft ongetwijfeld haar eigen charmes. En ik wil daar zeker niet blind voor zijn, maar als de zon dan weer een weekendje zo lekker schijnt, en er toch ook nog vlinders rond blijken te fladderen, in mijn langzaam verdorrend paradijs, zoals dit bont zandoogje, dan kan ik het niet helpen en verlang ik weemoedig terug naar de zomer.

Heterdaad

Heterdaad

Dat ik er een insectenvriendelijke tuin op na probeer te houden betekent nog niet dat de insecten daar zelf ook aan meedoen. Insecten kunnen er soms bepaald insectenonvriendelijk gedrag op na houden. Neem nou deze Dolichomitus-complex. Een Nederlandse naam ontbreekt, maar het is een sluipwesp en dat doet al iets stiekemigs vermoeden. Ziet er ook al een beetje onbetrouwbaar en gluiperig uit, met dat lange glimmende achterlijf dat zich in allerlei kruiperige bochten wringt, met die bloedrode poten en dat vervaarlijke zwaard. En inderdaad, die heeft het behoorlijk achter de ellebogen. Ik betrapte haar op heterdaad op mijn insectenhotel, waarvan de meeste kamers inmiddels bezet zijn door metselbijtjes, die daar hun eitjes in hebben gelegd, met een zorgzaam voedselvoorraadje erbij voor de larf die daar na verloop van tijd uitkomt om weer een nieuw metselbijtje te worden. Ieder eitje een eigen kamertje dat op kunstige wijze met zandkorrels wordt afgesloten. Dichtgemetseld. Maar dan komt de Dolichomitus-complex. Die heeft op een afstandje geniepig toe zitten kijken en af zitten wachten tot de kust veilig was. Ik zag het onder mijn neus gebeuren, volkomen schaamteloos. Met haar voorpoten maakte ze een kleine opening in de deur van zandkorrels, draaide zich om, krulde het lenig achterlijf, uit de zwaardschede kwam een lange, ragdunne legboor tevoorschijn die behendig naar binnen werd geschoven. Steeds iets verder. Met een pulserende beweging werden daarbinnen haar eitjes gelegd. In ieder kamertje één. Háár larven, lees ik ergens, zullen al even geniepig wachten met uitkomen tot die van de metselbij al een eindje op streek zijn, om die vervolgens langzaam maar zeker op te eten. Levend op te eten ook nog, want er wordt aanvankelijk zorgvuldig om de vitale onderdelen heen gegeten, zodat het slachtoffer zo lang mogelijk vers blijft. Dus ja, je kunt wel beweren dat de natuur zo mooi is, maar dit lijkt me een uitzondering.

Designspin

Designspin

Voor waarschijnlijk toch wel de laatste keer dit jaar, dit tuinseizoen, besloot ik van de week mijn tuin te besproeien. En, bij afwezigheid van regen, de regentonnen te vullen, zodat ik weer even vooruit kan met het water. Ik heb daarvoor een pompje om water uit de sloot omhoog te pompen, en vele meters zware, gele slang om de afstand tussen tuin en sloot te overbruggen. Die slangen hangen opgerold aan het hek en vormen een biotoop op zich. Zo meldde zich bij het afrollen deze kruisspin, nogal onverwacht. Zelf schrok ie er ook van misschien. Mijn zoon, die me altijd helpt met sproeien, moet er niks van hebben, het was ook geen klein spinnetje, dat geef ik toe, maar jongens, wat een schitterende tekening! In prachtige aardkleuren. Het doet denken aan een Aboriginal schildering. Een tattoo-artist zou er ook wel raad mee weten. En in de heavymetalhoek kan het zo op een t-shirt, of een albumhoes. Misschien wel in andere kleuren.