Afgezant

Afgezant

Eigenlijk was ik iets anders aan het doen. Eigenlijk moesten er andere dingen gebeuren. Best wel veel andere dingen, ook nog. Maar opeens tikte de zon tegen het zolderraam waarachter ik mijn best zat te doen. Wenkte de blauwe lucht. Zag het er buiten zowaar buitengewoon aangenaam uit. En dat na wat zo hardnekkig voorafging. Sneeuw, ijs, regen. Grijs januarichagrijn. Dus ik dacht: ik zou ook wel gek zijn om hier binnen een beetje mijn best te zitten doen, terwijl buiten de lente begint. De dingen wachten wel, dacht ik, dat doen ze immers altijd. Ik besloot naar de tuin te fietsen, en vandaar een rondje te lopen. Frisse neus. Wind in het haar, zon op de bol. En verdomd, ja hoor, de lente hing in de lucht. Duidelijk. Je voelde het aan alles. Je rook het in de lucht, je hoorde het aan de vogels. Je merkte het aan het opgetogen gevoel in je borst. En ter bevestiging van dit alles stak op de tuin de eerste hyacint haar groene vingers boven de grond. Een afgezant van wat komen gaat.

Rattenkeutels

Rattenkeutels

Overigens is niet alles schijnbaar dood of stervende hoor, op de wintertuin. Je moet er even voor door de knieën, maar dit koddig miniatuurplantje trekt zich vooralsnog nergens wat van aan. Wit vetkruid. Sedum Album, voor de Latinisten. Staat trouwens al het hele jaar geheel onopvallend en bescheiden z'n gangetje te gaan, een beetje verstopt achter een steen. Op een steen ook, want daar, lees ik, groeit het graag. Het gedijt op kalkrijke plaatsen als kale wegbermen, langs de rails, op muren en daken. Je ziet het ook wel op de groene daken van woke, extreemlinks elitaire milieudrammers. De blaadjes zien er een beetje uit als besjes, vind ik zelf. Je kunt je voorstellen welk petsend geluidje ze zouden maken als je ze tussen je vingers stuk kneep. Net als vroeger die wit met roze klapbessen, als je ze op de stoep kapot gooide, of met je blaaspijp tegen de muur schoot. Maar dat ga ik hier allemaal niet mee proberen uiteraard, zonde. In Utrecht en op Zuid-Beveland wordt het Tripmadam genoemd, lees ik verder. Wat niet alleen de vraag oproept wat Utrecht en Zuid-Beveland verder nog met elkaar te maken hebben, het ligt niet bepaald naast elkaar tenslotte, maar ook wat er gebeurt als je zo'n blaadje tussen je kiezen zou laten petsen. Op Schouwen wordt het Krabbekwaad genoemd, wat ook nogal omineus klinkt in vergelijking met het schattige uiterlijk, maar misschien dat krabben er heel slechte trips op hebben, je weet het niet. Het kan ook te maken hebben met de verzachtende werking die het kruid wordt toegeschreven. Dat je niet meer hoeft te krabben waar het jeukt. In Groningen dan weer, hebben ze het over Schotkruid - toch het petsend geluidje wellicht - of Rattenkeutels. Het is dus maar te hopen dat de rattenpolitie, die deze week door de tuincommissie over ons complex op pad wordt gestuurd om al te rattenvriendelijke tuinders op de bon te slingeren, niet uit Groningen komt.

In pauzestand

In pauzestand

Heel vaak ben ik niet op de tuin, de laatste tijd, zal ik bekennen. Het is er meestal het weer niet voor en de dagen hebben de neiging zich met andere zaken te vullen nu er niks valt te oogsten, te verspenen of te verpotten, te maaien of te redden van de droogte. Je hoort wel eens iets over winterklaar maken maar daar doe ik niet zo erg aan. Dat kan de tuin zelf wel, denk ik dan. En dat heeft ook zeker zijn charme. Alles gaat op zijn eigen manier dood. Verlept, verslijmt of verdroogt, wordt kaal, stort ter aarde en verrot. En zo hoort het te gaan. Het levert een mooie humuslaag op en er leeft van alles in en onder. Gewoon de boel de boel laten is winterklaar genoeg voor mij. En dan zien we van het voorjaar wel weer verder. Dat de tuin er precies zo over denkt meen ik ook te kunnen zien, wanneer ik toch mijn sporadisch rondje maak. Aan allerlei bomen en struiken zie ik al de knoppen die over een paar maanden nieuw blad zullen geven. Onder al het bruin en zwart op de grond wacht zichtbaar het nieuwe leven geduldig af. De tuin in pauzestand. Alleen de dotter, die stuurt alvast wat verkenners vooruit om te kijken hoe de zaken er voor staan. Die is niet winterklaar, die is klaar met de winter.

Tijdelijk graf

Tijdelijk graf

Het is de trots van je tuin, deze machtige plant. De Gunnera. Met z'n weerbarstige bladeren, groot als parasols, z'n stekelige stengels en z'n bloemaren als knuppels. Maar één lullig Hollands nachtvorstje en hij heeft het gehad. Slap als een vaatdoek. Dus net iets te laat heb ik gedaan wat ik elk jaar net iets te laat doe, wat elk jaar net iets eerder gedaan moet worden: alle bladeren afknippen en de kluiten er liefdevol mee afdekken ter bescherming tegen eventueel nog komende lullige nachtvorstjes en erger winters ongemak. Zodat ie volgend jaar weer de ongenaakbare gigant kan uithangen. Ik hou van m. En dit graf, al is het een tijdelijk graf, stemt mij een tikje verdrietig. Weer een jaar voorbij. Gelukkig vliegt er dan een wulp over, zo goed als rakelings over me heen. Het karakteristiek silhouet met de naar beneden gekromde snavel (de wulp wijst naar zijn gulp) duidelijk herkenbaar afgetekend tegen de oprukkende winterschemer. Dit beeld, en de heldere, wat melancholieke roep maakt alles weer goed. Of, nou ja.. alles.. veel toch in elk geval.

Kolven, aren, bloemen

Kolven, aren, bloemen

Wie ik natuurlijk niet mag vergeten te vermelden, als het gaat om stugge herfst of geen herfst doorbloeiers, is de Gunnera. Eén van mijn lievelings, invasieve exoot of niet. Dat ie invasief is heeft ie trouwens dit seizoen bewezen, want op twee plekken in de tuin zijn spontaan gezonde nakomelingen opgedoken. Maar goed, de bloemen. Je zou kunnen zeggen dat de Gunnera bescheiden bloeit, als het niet ook van die enorme kolven waren, in enorme hoeveelheden bovendien. Die zich dan weer wel angstvallig verschuilen onder het indrukwekkend bladerdak. Dat deze dagen naar de winter toe langzaamaan ineenstort en zijn verborgen schatten blootgeeft. Prehistorische schoonheid, als je het mij vraagt. Robuuste, weerbarstige kolven, aren, bloemen, hoe moet je het noemen. Net aan met twee handen te omvatten, een halve meter hoog als het moet. Zo hard dat je er iemand mee knock out zou kunnen slaan, als je daarvoor in de stemming zou zijn. En dan toch weer van die piepkleine rode balletjes in de stekelige spelonken. Wat zouden het zijn? Zaden? De eigenlijke bloemen? Ik weet het niet. Van horen zeggen schijn je er kleurstof van te kunnen maken, vandaar de volledige naam Gunnera Tinctoria wellicht. Hoe dat in zijn werk zou moeten gaan, heb ik tot nog toe nergens kunnen vinden. Maar dat wil niet zeggen dat het niet waar is.

Boodschap

Boodschap

Herfst of niet, er zijn altijd volhouders die daar net als ik niet aan willen. Die hun kop in de wind gooien en onverdroten door blijven bloeien. Eerder noemde ik al de cichorei, die tot op de dag van vandaag iedere dag nieuwe bloemen tevoorschijn tovert van het teerste lila, alsof het nog volop lente is, alsof de zomer net is begonnen. Maar er zijn er meer die er zo over denken. De paardenbloem, bijvoorbeeld. De teunisbloem, onvermoeibaar. Het oranje havikskruid duikt overal op. Zelfs de braam kan er geen genoeg van krijgen. En zo zijn er verschillende plekjes op de tuin waar tussen het grote sterven en het donkerbruin verval de boodschap valt te lezen dat het straks allemaal weer goed komt.

Optimist

Optimist

Waar ie het vandaan haalt weet ik niet, maar we kunnen misschien een voorbeeld nemen aan de cichorei. Wat een optimist. Wat een doorzetter. Begonnen als groenlof, bij de ambitieuze start van wat toen toen nog een moestuin moest worden, maar wegens verregaande oneetbaarheid verwilderd in wat inmiddels de wat wildere tuin kan worden genoemd. Trekt zich niets aan van de herfst. Waar andere planten gelaten hun blad laten vallen, mistroostig de boel laten verdorren, levert de cichorei nog altijd onvermoeibaar elke dag, weer of geen weer, een handvol nieuwe bloemen.

Een handjevol hoop

Een handjevol hoop

Met de appels en de peren, de bramen en de tomaten mag het een beetje gedaan zijn inmiddels, ook in de herfst valt er nog te oogsten. Zaad, namelijk. Ik vertelde al van mijn zinken emmertje vol openspringende lathyruspeulen, ook andere planten laten zich gemakkelijk van hun zaad beroven. Logisch natuurlijk, het is de hele reden van hun bestaan, het voortbestaan van de soort. Van de week scoorde ik een handjevol kaasjeskruid, ook wel malva geheten, en verspreidde dat door de tuin. Niet dat de plant dat zelf niet zou kunnen, maar het is toch leuk om het idee te hebben dat je de gang van zaken een beetje beïnvloedt. Nu is dus de hoop dat volgend jaar her en der het dankbaar kaasjeskruid staat te bloeien.

Liedje in het hoofd

Liedje in het hoofd

Er is dat bekende liedje over de fuch fuch fuchsia, die daarin, met dus die ondeugende knipoog, bezongen wordt als een makkelijke, als het ware uit de hand etende plant. Iedereen kent het en wie dit leest heeft het waarschijnlijk de rest van de dag in het hoofd. Geeft niks, er zijn veel ergere liedjes om in het hoofd te hebben, die ik hier dan ook om mensvriendelijke redenen niet bij naam zal noemen. Maar goed. In mijn tuin geen fuchsia want die is in mijn hoofd onlosmakelijk vergroeid geraakt met het truttendom en de oudHollandsche goedburgerlijkheid. Iedereen het zijne, daar niet van en houd me ten goede, maar ik het mijne. Niettemin heb ik het genoemde liedje vaak in mijn hoofd wanneer ik de sedum zie staan. Het zingt niet zo lekker stout weg natuurlijk, maar een makkelijke plant is het zeker. Tevreden met niks en eigenlijk drie seizoenen in bloei. In de zomer verschijnen de bloemen in een groene uitvoering, dan kleuren ze langzaam naar roze om in de herfst op zijn felst in die kleur te staan, waarna ze gaandeweg steeds donkerder bruin worden, tot bijna zwart aan toe, om zo de winter door te komen. In het voorjaar, wanneer het nieuwe blad uit de grond tevoorschijn kruipt, knip ik ze af en laat ze bij elkaar gebonden nog een tijdje in een pot of vaas staan omdat ik ze dan nog steeds mooi vind.

De geest

De geest

Dat het inmiddels herfst is, daarover hoeft geen twijfel meer te bestaan. Buiten huilt de wind om het huis. De bomen staan krom van ellende, zwiepen met wild geraas heen en weer in de zuidwester stormen en iedere tien minuten striemt de volgende regenbui alweer de ruiten. Niettemin sta ik hoog op de gehuurde steiger de buitenboel te schuren en te plamuren, tussen de buien door, in de hoop het nog deze week geschilderd te krijgen. Ik weet het. Ik voel me net deze groot koeienoog, die ik dit weekend op de tuin nog vers uit de knop in bloei zag staan. In regen en wind. Net te laat de geest gekregen.