Familie of niet

Familie of niet

Dat het familie van elkaar is durf ik niet te beweren, ik heb er in elk geval geen bewijs voor kunnen vinden, na een overigens nou ook weer niet al te diepgravende zoektocht, maar ik vind ze wel wat van elkaar hebben, deze drie. De schorseneer (geel), de cichorei (blauw) en de paarse morgenster (paars). De vorm van de bloemblaadjes bijvoorbeeld, langwerpig, min of meer rechthoekig met een decoratief kartelrandje aan het uiteinde. De schorseneer en de cichorei dragen allebei van die vrolijk gekrulde en bijpassend gekleurde meeldraden op stokjes die later de zaden worden. Net zulke zaden als de morgenster aflevert. Het zijn ook alledrie groenten. De cichorei is eetbaar als groenlof, en als je de plant geen licht gunt als witlof. Van schorseneer en morgenster is de penwortel, mocht je hem uit de grond krijgen, te eten. Beiden staan bekend als huisvrouwen- of keukenmeidenverdriet, vanwege het bewerkelijk schoonmaken en de zwarte vingers die je daaraan overhoudt. De schorseneer wordt verder ook wel de armeluisasperge genoemd, waarvan de morgenster op haar beurt dan weer de armeluisvariant schijnt te zijn. Je hoeft, zo blijkt maar weer, geen familie te zijn om een beetje op elkaar te lijken.

Overblijfsel

Overblijfsel

De schorseneer is een overblijfsel uit de begintijd van de volkstuin. Het eerste seizoen, waarin ik nog optimistisch van plan was mijn eigen groenten te verbouwen. Vergeten groenten ook, als pastinaak, palmkool en schorseneer. Een plan dat met de tijd steeds meer vervaagde, door tegenslag, teleurstelling en onkunde. In het geval van de schorseneer bleek bijvoorbeeld dat het onmogelijk was die paar lange, dunne pierlala's die wel waren opgekomen ongeschonden uit de klei te trekken, waardoor je voor al je liefde en aandacht slechts beloond werd met een zeer karige eenpersoonsportie modderige stukjes en brokjes waarvan het schoonmaken je ook nog eens een halve dag zou kosten. Ik besloot de schorseneer dus de schorseneer te laten. En voor die beslissing word ik nu, door een kennelijk dankbare schorseneer, ieder jaar beloond met deze zonnige, gele bloemen her en der. Ik lees dat het een tweejarige plant is, dus blijkbaar breidt hij zichzelf uit. Ik lees ook dat je de bloemen zou kunnen eten, maar dat ga ik natuurlijk niet doen. Ik krijg er liever een goed humeur van.

Een laatste omhelzing

Een laatste omhelzing

Schreef ik gister nog uitgebreid over de Kaardebol en haar gewoonte water op te vangen en vast te houden in speciaal daarvoor gegroeide kelken onderin de plant. En de ergens vandaan geplukte kennis dat wellicht dorstige insecten die per ongeluk in zo'n watervoorraad vallen en verzuipen de plant ook tot voedsel dienen, in verteerde vorm mag je aannemen. Vandaag kreeg ik boter bij de vis, zogezegd. Bij een regenachtig rondje over de tuin zag ik deze twee onfortuinlijke beestjes drijven, in een goedgevuld bassin. Onvoorzichtig geweest. Overmoedig. Dat ze daar met z'n tweeën drijven, alsof ze elkaar in wanhoop hebben vastgegrepen, in een laatste omhelzing, geeft het beeld iets dramatisch. Het zijn, volgens Obsidentify, twee niet nader gedefinieerde bladwespen, aangeduid met de wetenschappelijke naam Tenthredopsis spec. Maar als alle informatie klopt, veranderen ze nu dus langzaam maar zeker in Kaardebol.

Geen vegetariër

Geen vegetariër

Met zijn wat nurkse, stekelige voorkomen, zijn primitieve, robuuste en nog stekeliger bloemen, is de Kaardebol één van mijn lievelings in de tuin. Samen met de Gunnera, ook al zo'n prehistorische verschijning, met die enorme bladeren als parasols en bloemkolven als honkbalknuppels.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Vorige zomer had ik handenvol zaad uit Frankrijk vakantieland meegenomen, met het plan in eigen tuin een plantage te beginnen. Ik ben dol op grote plannen. Nou doe ik dat wel vaker, handenvol zaad meenemen van uitstapjes en wandelingen in de natuur, met het vaste voornemen dat in eigen tuin tot groei en bloei te laten komen, maar dat wordt niet altijd een groot succes. Omdat het zaad niet op wil komen, in mijn potjes of mijn volle grond, maar ook wel omdat het er niet altijd van komt het zaad in een potje of de volle grond te stoppen. Regelmatig kom ik vage boterhamzakjes met pluis of pitjes of korrels tegen en heb ik geen idee meer waar het van was en bij welke gelegenheid ik dat had meegenomen. Stel ik het plan alsnog uit, omdat het nu het seizoen niet is of ik er nu even geen zin in heb, waarna van uitstel afstel komt. Of ik flikker de hele zooi zo de tuin in, om er vanaf te zijn, met hetzelfde resultaat. Zo eindigen meer van mijn grote plannen, wat dat betreft zegt de tuin ook wel iets over de tuinier.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Niet voor niets is het mijn lievelings, dus deze keer zaaide ik het meegenomen zaad kwistig voor, vertroetelde het spul met liefde en aandacht en binnen de kortste keren had ik genoeg Kaardebolletjes voor wel drie plantages. Over grote plannen gesproken. Ik gaf er hier en daar weg aan wie ze maar hebben wilde en zette ze verder op allerlei plekken in de tuin zodat ik van de zomer overal die weerbarstige prikbloemen bovenuit zie steken. Waarvan de bruin geworden skeletten het ook de hele winter nog uithouden, als schilderachtige herinnering aan de zomer die voorbijging en de zomer die weer komen gaat.
Onlangs deed ik nog een aardige ontdekking trouwens, over de Kaardebol, want daar heb ik het over. Na een flinke regenbui zag ik, bij het vaste rondje door de tuin, dat die water opvangt en vasthoudt. Tegen de stengel aan vormen de bladeren een soort kelk waar het water in blijft staan. Voor later gebruik, zo lees ik ergens, al ligt dat ook wel voor de hand natuurlijk. Het opmerkelijke zat 'm meer in wat ik daar verder over las, namelijk dat insecten en beestjes die per ongeluk in dat water terechtkomen en verzuipen ook als voeding door de plant worden opgenomen. Het voert misschien te ver de Kaardebol nu een vleesetende plant te noemen, een vegetariër is het ook niet. Toch blijft hij één van mijn lievelings.
De langpootmug die hier waarschijnlijk nietsvermoedend wat zit uit te blazen, in de beschutting van het blad, mag wel op zijn tellen passen. Al zal het in zijn geval wel goed komen, het is tenslotte niet voor niets een hoefijzertijger. Die heeft het geluk aan zijn zijde.

Verrassing

Verrassing

Misschien herinnert u het zich niet, maar ik wel. Tenminste, nu ik hem in bloei zie staan. Vorig jaar zag ik ergens in de berm van ons tuincomplex een bloem waar ik nogal van gecharmeerd was. Een flinke, robuuste plant was het, met paarse bloemen die zonder kapsones mooi waren. Later leerde ik, van mijn buurvrouw, dat het de paarse morgenster was. Telkens wanneer ik er langs liep viel mijn begerig oog erop. Maar ja, het was niet mijn berm, het was niet mijn plant. Al was ie ook niet echt van iemand anders, omdat ie in de berm stond.
Enige tijd later schoot de plant zelf mij te hulp doordat de uitgebloeide bloemen in grote pluizebollen waren veranderd, gelijk bijvoorbeeld de paardenbloem. Nu was het, vond ik, wel te verdedigen dat ik van al dat pluis een klein deel meenam naar mijn eigen tuin. Dat zou zich immers mettertijd, met de wind toch over het ganse complex verspreiden. Ik nam gewoon mijn rechtmatig deel als voorschot. Je weet nooit naar welke kant de wind zal waaien tenslotte.
Ik stopte de zaden her en der, verspreid over mijn biotoop in de grond, in de blijde verwachting dat ik mij het komend voorjaar zou laten verrassen door een paarse morgensterrenhemel.
Dat komend voorjaar is nu. Een sterrenhemel wil ik het niet noemen want slechts op één plek is er inderdaad één opgekomen. Maar verrast was ik weldegelijk.

Drie meter hoog en twee meter breed

Drie meter hoog en twee meter breed

Van een vriend met ook een tuin kreeg ik als cadeautje, na een succesvol verlopen theaterconcert, een dichtgeschroefd jampotje, met daarin, beschermd door tissue en een plastic zakje, een piepklein bloempotje met drie minuscule plantjes. En als ik zeg minuscuul bedoel ik ook minuscuul. Het leek wel mos, toen ik het openmaakte en uitpakte. Zo klein.
Deze planten, had de vriend er een beetje lacherig bij gezegd, worden straks drie meter hoog en twee meter breed. Hij verkneukelde zich misschien al op het ongelovige gezicht dat ik zou trekken wanneer ik zijn potje openmaakte. Of het ongelovige gezicht dat ik nu al trok, met dat piepkleine potje in mijn hand.
Jaja, dacht ik inderdaad, drie meter hoog.. twee meter breed.. jaja, het zal wel. Maar goed, een beuk begint ook klein. En die kan wel 45 meter hoog worden. Al duurt dat natuurlijk honderd jaar. Dat is geen straks.
Enfin, zoals altijd bood internet uitkomst. Chileense Glorie, zoals dit plantje heet, wordt drie meter hoog en twee meter breed. Ik mag wel een plekje gaan zoeken, in mijn overvolle tuin.

Geen waar blééf je nou?

Geen waar blééf je nou?

Schoorvoetend trok ik dit paasweekend naar de tuin. Met licht bezwaard gemoed, zou je kunnen zeggen. Te lang was ik er niet geweest, voor mijn gevoel, zeker met ook nog het voorjaar in het land. Te veel was ik in beslag genomen door andere gewichtigheden, die geen uitstel konden velen. Laat staan afstel. Zoals dat soms gaat. Nu ik er dan eindelijk tijd voor maakte, verwachtte ik misschien een beetje dat de tuin boos op mij zou zijn. Dat die mij met hoog opgeschoten kweek en heermoes en verwaaide planten en struiken verwijtend zou aankijken van: waar blééf je nou? Maar nee. Niks van dat al. De tuin was blij me te zien. In plaats van een verongelijkt 'waar bleef je nou' klonk eerder een enthousiast: ik ben vast begonnen! Moet je kijken! Moet je kijken! En dat is inderdaad precies wat ik deed. Kijken. Ik liep een uitgebreid rondje, zoals ik dat leerde van Jan Wolkers, en keek mijn ogen uit. Wat er al niet bloeide en op uitlopen stond! Mijn sluimerend schuldgevoel maakte onmiddellijk plaats voor grote blijdschap en diep geluk. Plus een enthousiaste werklust en een kruiwagen vol goede voornemens.

Dilemma

Dilemma

Het is een eigenwijze plant, de Gunnera, ik schreef het al eerder ook. Want kijk, dan ben je een exoot, en allesbehalve winterhard, dan zou het natuurlijk verstandiger zijn je pas begin april te laten zien, op z'n vroegst. Dan blijf je tot die tijd toch het best lekker warm onder het dekentje van blad en gras liggen, dat je tuinier zo zorgzaam en liefdevol over je heeft uitgespreid. Maar nee, zo niet de Gunnera. Februari is nog niet eens afgelopen, het is snijdend koud zo af en toe, een nachtvorstje behoort nog zeker tot de mogelijkheden, maar de Gunnera stuurt z'n eerste stekelige klauwtjes al naar boven. Wat mij voor een probleem plaatst. Een dilemma, zou je bijna kunnen zeggen. Laat ik het dekentje van blad en gras nog maar even liggen, voor de zekerheid, dan beginnen de eerste uitlopers daar al snel tegen te rotten en zit ik straks met bruine, van de wormen aangevreten bladeren aan mijn lievelings, net als vorig jaar. Haal ik het dekentje weg om dat te voorkomen, loop ik het risico dat het eerste het beste lullige nachtvorstje de hele boel slap en kapot vriest. Ook net als vorig jaar. Ja, het is een eigenwijze plant, de Gunnera Tinctoria. De trots van mijn tuin.

Pioniers

Pioniers

Het zijn natuurlijk altijd wel de dappere pioniers van de lente, maar nu hebben ze misschien toch een kleine misrekening gemaakt. Hebben ze zich misschien een beetje laten misleiden door die anderhalve dag iets beter weer die we de afgelopen weken hebben gehad. Nu staan ze zich te verbijten in opnieuw opgedoken sneeuwbuien, nachtvorst en snijdende kou. Ik heb met ze te doen.

Voorboden

Voorboden

Okay, ik geef het toe, ik heb ze met een lampje moeten zoeken, maar ze waren er dan toch. De eerste voorboden van de lente. Naast de zon, die vanmiddag genadiglijk scheen. Speenkruid, groot ereprijs, paarse dovenetel en het madeliefje. In bloei. Bescheiden, maar toch. Het begin is er. Verder zag ik zwellende knoppen aan de braam, de zwarte els, de kastanje. Ik zag her en der de groene vingers van narcissen en hyacinten boven de grond uit komen. De Gunnera begint onder zijn winterdekentje al uit te lopen. De smeerwortel, de cichorei, het longkruid, de overblijvende ossentong, kaardebol, st Jacobskruiskruid.. het heeft er allemaal weer zin in. Net als ik.