Dol op de kaardebol

Dol op de kaardebol

Het is hoogzomer op de tuin. Anders gezegd: het is er bloedheet. Zeker overdag is het er eigenlijk niet uit te houden. Wat jammer is, want behalve dat er nogal wat te doen is, staat er ook best wat in bloei waar nu maar matig van genoten kan worden. Zoals de kaardebol. Waarvan ik de prikkelige zaadbollen vorig voorjaar meenam uit een tropisch Bretagne en die zich bij deze temperaturen duidelijk senang voelt, om er ook maar meteen een tropische term tegenaan te gooien.
Het is wonderlijk om te zien wat een lieve, kleine bloemetjes zo'n robuuste, stekelige en weerbarstige plant erop nahoudt. Grappig ook hoe er vanuit het midden in ringen naar boven en naar beneden gebloeid wordt, als een sterretje dat je in het midden aansteekt. Wordt druk bezocht door vliegend volk bovendien. Van de week zag ik hoe een hommel de bloempjes één voor één bezocht en ze na gebruik uit de zaadbol leek te trekken om ze achteloos naar beneden te laten dwarrelen.
Ik ben dol op de kaardebol, mijn tuin staat er vol mee dit jaar en hopelijk zaait ie zich flink uit. Al hoop ik natuurlijk ook dat de puttertjes zich straks aan de pitjes tegoed komen doen. Conflicterende belangen, ik weet het, maar wat doe je eraan.

Divers boeket

Divers boeket

Ik ga niet teveel woorden vuil maken aan de hitte, daar is het even te warm voor. En het is moeilijk er iets nog niet gezegds over te berde te brengen. Dat vooral. Dus. In plaats daarvan een boeketje uit eigen tuin want jongens, wat staat er veel te bloeien in mijn wildernis onder de zon. Een divers boeketje, met spontaan aangewaaide verstekelingen, gestrooiselroofd spul, verwilderde doorzetters, andermans afdankertjes en liefdevol aangeplante of gezaaide schoonheid. Met de roos in het midden uiteraard, waar die hoort.

Mooie ogen

Mooie ogen

Eén van mijn favorieten op de tuin, dit Groot Koeienoog. Wat een zonnige verschijning is dat, met die knalgele, lekker flodderige bloemen. Staat zeer uitbundig te bloeien, deze laatste lentedag. Een waardig afscheid van het voorjaar, een warm welkom voor de zomer. Mijn vrouw beweert dat ik 'm gestrooiselroofd heb in de museumtuinen van Insel Hombroich, wat ik ook niet per se zou willen uitsluiten, maar in mijn eigen herinnering heb ik 'm zeer ordentelijk gekocht bij een biologische kwekerij op de Veluwe. In het bijzijn van mijn dochter, en mijn vrouw, nota bene. Belangrijk argumenten voor aanschaf waren de natuurlijk grappige naam en de rommelige bloem, maar zeker ook het grote, zachte, lichtgroene blad dat al zeer vroeg in het voorjaar hoopgevend de kop opsteekt, als het al niet aan het eind van de winter is. Inmiddels uitgegroeid tot een manshoog, zo goed als ondoordringbaar oerwoud, druk bezocht door bijen, zweefvliegen en ander insectenspul.

Overblijfsel

Overblijfsel

De schorseneer is een overblijfsel uit de begintijd van de volkstuin. Het eerste seizoen, waarin ik nog optimistisch van plan was mijn eigen groenten te verbouwen. Vergeten groenten ook, als pastinaak, palmkool en schorseneer. Een plan dat met de tijd steeds meer vervaagde, door tegenslag, teleurstelling en onkunde. In het geval van de schorseneer bleek bijvoorbeeld dat het onmogelijk was die paar lange, dunne pierlala's die wel waren opgekomen ongeschonden uit de klei te trekken, waardoor je voor al je liefde en aandacht slechts beloond werd met een zeer karige eenpersoonsportie modderige stukjes en brokjes waarvan het schoonmaken je ook nog eens een halve dag zou kosten. Ik besloot de schorseneer dus de schorseneer te laten. En voor die beslissing word ik nu, door een kennelijk dankbare schorseneer, ieder jaar beloond met deze zonnige, gele bloemen her en der. Ik lees dat het een tweejarige plant is, dus blijkbaar breidt hij zichzelf uit. Ik lees ook dat je de bloemen zou kunnen eten, maar dat ga ik natuurlijk niet doen. Ik krijg er liever een goed humeur van.

Verrassing

Verrassing

Misschien herinnert u het zich niet, maar ik wel. Tenminste, nu ik hem in bloei zie staan. Vorig jaar zag ik ergens in de berm van ons tuincomplex een bloem waar ik nogal van gecharmeerd was. Een flinke, robuuste plant was het, met paarse bloemen die zonder kapsones mooi waren. Later leerde ik, van mijn buurvrouw, dat het de paarse morgenster was. Telkens wanneer ik er langs liep viel mijn begerig oog erop. Maar ja, het was niet mijn berm, het was niet mijn plant. Al was ie ook niet echt van iemand anders, omdat ie in de berm stond.
Enige tijd later schoot de plant zelf mij te hulp doordat de uitgebloeide bloemen in grote pluizebollen waren veranderd, gelijk bijvoorbeeld de paardenbloem. Nu was het, vond ik, wel te verdedigen dat ik van al dat pluis een klein deel meenam naar mijn eigen tuin. Dat zou zich immers mettertijd, met de wind toch over het ganse complex verspreiden. Ik nam gewoon mijn rechtmatig deel als voorschot. Je weet nooit naar welke kant de wind zal waaien tenslotte.
Ik stopte de zaden her en der, verspreid over mijn biotoop in de grond, in de blijde verwachting dat ik mij het komend voorjaar zou laten verrassen door een paarse morgensterrenhemel.
Dat komend voorjaar is nu. Een sterrenhemel wil ik het niet noemen want slechts op één plek is er inderdaad één opgekomen. Maar verrast was ik weldegelijk.

Geen waar blééf je nou?

Geen waar blééf je nou?

Schoorvoetend trok ik dit paasweekend naar de tuin. Met licht bezwaard gemoed, zou je kunnen zeggen. Te lang was ik er niet geweest, voor mijn gevoel, zeker met ook nog het voorjaar in het land. Te veel was ik in beslag genomen door andere gewichtigheden, die geen uitstel konden velen. Laat staan afstel. Zoals dat soms gaat. Nu ik er dan eindelijk tijd voor maakte, verwachtte ik misschien een beetje dat de tuin boos op mij zou zijn. Dat die mij met hoog opgeschoten kweek en heermoes en verwaaide planten en struiken verwijtend zou aankijken van: waar blééf je nou? Maar nee. Niks van dat al. De tuin was blij me te zien. In plaats van een verongelijkt 'waar bleef je nou' klonk eerder een enthousiast: ik ben vast begonnen! Moet je kijken! Moet je kijken! En dat is inderdaad precies wat ik deed. Kijken. Ik liep een uitgebreid rondje, zoals ik dat leerde van Jan Wolkers, en keek mijn ogen uit. Wat er al niet bloeide en op uitlopen stond! Mijn sluimerend schuldgevoel maakte onmiddellijk plaats voor grote blijdschap en diep geluk. Plus een enthousiaste werklust en een kruiwagen vol goede voornemens.

Zonder twijfel

Zonder twijfel

Terwijl ik dit zit te tikken, tikt de regen alles behalve zachtjes op het zolderraam, waarachter ik dit zit te tikken. Donkere wolken verduisteren mijn uitzicht. Bovendien staat er een kribbig poolwindje, merkte ik net, toen ik tussen de buien door even naar de bouwmarkt fietste voor een kleine boodschap. Het is dus beslist nog winter. Geen twijfel over mogelijk. Hoewel de tuin bij het minste zonnetje zijn best doet die daar toch over te zaaien. En zeg nou zelf. Lang kan het niet meer duren. Ze komt eraan, de lente. Geen twijfel over mogelijk.

Lente in februari

Lente in februari

Wat een prachtige dag, zo opeens. Liepen we gisteren nog met een winterjas aan en een sjaal om te mopperen, op die kouwe winter die maar niet om wou, vandaag was het lente. Volop. Lente in februari. Dus wat je ook van plan zou zijn geweest, op zo'n dag als vandaag, je zou wel gek zijn om niet naar de tuin te trekken. Eindelijk kon het een keer. Nou goed, het weer was lente-achtig, de tuin lag er evengoed nog winters bij natuurlijk. Maar kijk, de eerste crocussen stonden nu toch volop in bloei, geel als de zomerzon. Het longkruid toonde zo hier en daar het eerste bloempje, een witte hier, een roze daar. En verdomd als het niet waar is, daar vloog de eerste hommel. Een steenhommel, was het volgens mij, met zo'n oranje achterwerk. Ze kwam zelfs even op m'n overhemd zitten, zo blij was ook zij met de lente. Zij, want het zal een koningin geweest zijn, op zoek naar een goede plek voor een nest. Ik hoop maar in mijn tuin. Voor ik mijn telefoon tevoorschijn had gegoocheld was ze alweer vertrokken.

Pioniers

Pioniers

Het zijn natuurlijk altijd wel de dappere pioniers van de lente, maar nu hebben ze misschien toch een kleine misrekening gemaakt. Hebben ze zich misschien een beetje laten misleiden door die anderhalve dag iets beter weer die we de afgelopen weken hebben gehad. Nu staan ze zich te verbijten in opnieuw opgedoken sneeuwbuien, nachtvorst en snijdende kou. Ik heb met ze te doen.

Het allerkleinste sprankje

Het allerkleinste sprankje

Van alle sprankjes hoop die ik aantrof op de tuin, waar een snijdende poolwind ieder voornemen wat langer dan vijf minuten te blijven in de kiem smoorde, moet dit het allerkleinste sprankje zijn. Het bloemetje van de hazelaar. Het vrouwelijk bloemetje van de hazelaar, om preciezer te zijn. De mannelijke bloemen hangen in lange, onbescheiden katjes aan de takken in de wind te bungelen. Die zijn niet te missen. Deze piepkleine rozerode puntjes zie je makkelijk over het hoofd. En dan lees ik ook nog dat de vrouwelijke bloemen in groepjes van drie of vier in een knopje huizen. Dit piepkleine rozerode puntje is dus eigenlijk nog een boeketje ook.