Schoorvoetend trok ik dit paasweekend naar de tuin. Met licht bezwaard gemoed, zou je kunnen zeggen. Te lang was ik er niet geweest, voor mijn gevoel, zeker met ook nog het voorjaar in het land. Te veel was ik in beslag genomen door andere gewichtigheden, die geen uitstel konden velen. Laat staan afstel. Zoals dat soms gaat. Nu ik er dan eindelijk tijd voor maakte, verwachtte ik misschien een beetje dat de tuin boos op mij zou zijn. Dat die mij met hoog opgeschoten kweek en heermoes en verwaaide planten en struiken verwijtend zou aankijken van: waar blééf je nou? Maar nee. Niks van dat al. De tuin was blij me te zien. In plaats van een verongelijkt 'waar bleef je nou' klonk eerder een enthousiast: ik ben vast begonnen! Moet je kijken! Moet je kijken! En dat is inderdaad precies wat ik deed. Kijken. Ik liep een uitgebreid rondje, zoals ik dat leerde van Jan Wolkers, en keek mijn ogen uit. Wat er al niet bloeide en op uitlopen stond! Mijn sluimerend schuldgevoel maakte onmiddellijk plaats voor grote blijdschap en diep geluk. Plus een enthousiaste werklust en een kruiwagen vol goede voornemens.
Geen waar blééf je nou?