Hoog bezoek

Hoog bezoek

Al ben ik groot liefhebber van vogels, een groot vogelaar ben ik niet. Zeker op het gebied van hun geluid - en vogels kijken is voor 90% vogels horen, heb ik mij laten vertellen - ben ik zo goed als onwetend. Ik doe mijn best hoor, met de merlin bird app, maar het beklijft niet. Ene oor in, andere oor uit. De tjiftjaf is daar sinds kort een uitzondering op. Roept ook gewoon tjiftjaf natuurlijk, hoewel minder gearticuleerd dan ik het hier opschrijf, maar dat zal helpen. En nu ik het eenmaal hoor, snap ik niet dat ik het ooit niet gehoord heb, want ik hoor 'm de hele tijd en overal, overal bovenuit. Blijkt nu ook frequent bezoeker van de tuin te zijn, zag ik, want nu ik 'm hoor, zie ik 'm ook. Zit hoog boven in de wuivende wilg te tjiffen en te tjaffen en trekt zich van mij niet eens zo gek veel aan. Ik voel me vereerd.

De aanhouder

De aanhouder

Al ik weet niet hoe lang en hoe vaak heb ik het geprobeerd, met het Brandkruid. Niet alleen vanwege de grappige bloemen in etages, of het mooie, zachtgroene blad, maar ook om de vrolijke staketsels die ervan overblijven aan het eind van de herfst, de hele winter door. Feestelijke silhouetten. Zonde om weg te knippen aan het begin van weer de lente, zo leuk. Maar op een of andere manier wil het niet erg. Een paar blaadjes laag bij de grond kunnen er ieder jaar dan nog net vanaf, maar daar blijft het dan ook bij. Dit jaar, ik druk mij voor de zekerheid voorzichtig uit, dit jaar lijkt het dan, geloof ik, te gaan lukken.

Voor later

Voor later

Later, fantaseerden mijn vrouw en ik vroeger, toen we nog jong en mooi waren, later als we groot zijn, hebben we een huis met een tuin, en in die tuin een enorme rode beuk met een ronde bank om de stam. Om daar, nog altijd samen, bedaagd op een mooi en liefdevol leven terug te zien. Vanuit die gedachte heb ik een jaar of vier geleden dit rode beukje als zaailing uit een vakantiebos meegenomen. Of ie op tijd enorm zal zijn, staat te bezien, maar hij doet zijn best. Net als wij. En meer, dat weten we allemaal, kun je niet doen.

Schone zaak

Schone zaak

Maar ergens tussen al dat groene geweld van uitgelopen en in het blad gesprongen bomen en struiken, massaal opgerukte Heermoesvelden en kniehoog opgeschoten gras staat dan ook, zeer bescheiden in de minivijver, half verscholen onder de ontplofte Dotter, dit bloempje op ontdekking te wachten. Eerst dacht ik: gut, wat merkwaardig, een Pinksterbloem in het water, maar de app leerde mij dat het 100% een Waterviolier was. Waarvan ik me nu ook herinnerde dat ik die vorig jaar van mijn dochter had gekregen, in de minivijver had gezet en er daarna nooit meer iets van had vernomen. Tot nu dus.

Gier

Gier

Zo'n tuin gaat gewoon door als je er even niet bent. Die heeft geen vakantie. Zeker geen voorjaarsvakantie. Dus behalve dat allerlei boompjes en struiken bij terugkomst plotseling vers in het blad staan, en kleine sla-plantjes groot zijn geworden, is er ook opeens een enorme lijst aan achterstallig onderhoud. Om te beginnen de niet te winnen eeuwigdurende moedeloos makende strijd tegen het Heermoes. Ik schreef daar al eerder over. Het lijkt een recordjaar te zijn, dit jaar, want het staat werkelijk overal. In een niet te stuiten opmars neemt het de hele tuin over. Ik las ooit ergens, op een goedbedoelende groene site, dat je gier kunt maken, van de geplukte pluimen, en dat die gier dan allerlei mineralen en andere goede stoffen zou bevatten die de plant uit de diepe bodem naar boven had gehaald, die je dan dus, met die gier, weer over je tuin zou verspreiden, en daarmee, let op, zelfs het Heermoes zou bestrijden. Sterk verhaal natuurlijk, zeker in combinatie met de alom te vinden informatie dat Heermoes vooral groeit op arme grond, maar goed, ik vond het ook wel een mooi verhaal, dus tot nog toe heb ik ieder jaar vele liters heermoesgier gebrouwen en verspreid. Ook omdat ik het eigenlijk wel leuk werk vond, ergens. Je moet het toch wegplukken en het idee dat je er daarna iets nuttigs mee doet, geeft je meer het gevoel dat je aan het oogsten bent. Klinkt positiever. En dat roeren in grote emmers stinkende prut, en dat afgieten door een zeef, en dat verdunnen met water heeft allemaal de prettige schijn van doortastende deskundigheid. Wel jammer dus dat al die alchemistische moeite nu blijkbaar tot een recordjaar heeft geleid, voor de Heermoes. Al zou je, doorredenerend op het positieve spoor, ook van een recordoogst kunnen spreken.

Pierre de souvenir

Pierre de souvenir

Altijd spannend, als je weer terug komt van vakantie, al was het maar twee weken: hoe staat de tuin erbij? Waar begin je met kijken, als je vol blijde verwachting van je fiets stapt. Naar de slaplantjes, in de kas? Of de geënte appelboompjes, die je jongste zoon, die ze twee weken water gaf, Frankentrees noemt, een benaming die we erin houden. De lathyrus, die je vlak voor vertrek nog even snel hebt staan verspenen. De voorgezaaide kaardebol, met zaad van je vorige vakantie in Frankrijk. De kastanje, dit jaar voor het eerst in de grond. De rabarber, die nog net voor de vakantie tegen alle verwachting in boven de grond leek te gaan komen? De meidoorn, de sleedoorn, het sporkehout? De bessen, de elzen, het brandkruid. Een eerste rondje door de tuin laat zien dat er in twee weken veel kan gebeuren. En dat ik een hoop gemist heb, aan groei en bloei. Dan eerst maar eens de uit Bretagne meegesleepte pierres de souvenir een plekje geven.

Eerste oogst

Eerste oogst

Dat wij nu twee weken op vakantie zijn, en ik de dagelijkse zorg voor de tuin uit handen heb moeten geven aan mijn twee zonen, die dat ongetwijfeld naar eer en geweten op zich zullen nemen, betekent niet dat er helemaal niets gebeurt. Van menig vakantie zijn wij teruggekomen met nieuwe aanwinsten voor de tuin. Tijdens lange wandelingen uit de grond gestoken en in meegenomen plastic zakjes in leven gehouden om ze in Noord Holland een nieuw bestaan aan te bieden. Met wisselend succes overigens, niet alles kan tegen wind, regen en klei. Erg voortvarend zijn we wat dat betreft nog niet geweest, deze eerste week. De oogst bestaat vooralsnog uit een handvol stekjes van wat op het eerste oog een soort hertshooi lijkt, maar dan net anders. Geknipt van de struik die over de schutting van het vakantiehuisje groeit.

Ten prooi

Ten prooi

Er lag een meerkoet voor mijn huisje, op de tuin, voor de deur. Dood. De grote grijze poten stijf uitgestrekt. Het lijf was opengescheurd, er hing het een en ander uit. De kop lag verderop, een tikje verbaasd. Later vond ik nog een bloederig uitziend klompje vlees waarvan ik dacht dat het wel eens een hart kon zijn, of een orgaan. Ik ben niet per se dol op meerkoeten, dominante agressievelingen zijn het vaak, dictators van de sloot, maar dit vond ik overdreven. Niet leuk ook. Een rotgezicht.

Het beestje was duidelijk niet voor mijn huisje gaan liggen om rustig een natuurlijke dood te sterven, dat was op gewelddadige wijze, met enige wellust om het leven gebracht. De vraag was door wie. Ik meende pootafdrukken van een kat te zien, op mijn zwarte plastic tuinkist, dus dat zou het geweest kunnen zijn. Meerkoet scharrelt rond op de tuin, let even niet op en wordt gegrepen door de kat van het huis verderop. Katten zijn ook moordlustige kutbeesten, uiteindelijk. Ik raapte de meerkoet bij elkaar in een emmer en legde hem verderop in de bosjes, waar de natuur er dan verder wel raad mee zou weten, het sterft hier van de eksters en de kauwtjes.

Een paar dagen later lag er een meerkoet voor de kas van de achterbuurman, zag ik. Ook dood. Twee meerkoeten dood in een paar dagen tijd. Dat vroeg om een ander scenario, dat ik meteen paraat had. Lagen er een tijdje geleden niet ook twee dode ratten in korte tijd? En heerste er niet een wat hysterische stemming over ratten op het complex? Zou het niet kunnen, speculeerde ik, dat er met rattengif gestrooid werd en dat deze meerkoeten daar ook van gegeten hadden? Ik hield het voor mogelijk. Leer mij de mensen kennen. En het heet wel rattengif, maar het is natuurlijk gewoon gif. Gif is onverschillig. Het maakt het gif geen reet uit wie of wat er dood gaat, net zo min als degene die het rondstrooit.

Inmiddels was de achterbuurman ook op zijn tuin, zag ik. Zijn hond stond de dode meerkoet in zijn bek heen en weer te schudden. De achterbuurman besteedde daar geen aandacht aan, vreemd genoeg, dus, bezorgd om de gezondheid van zijn hond, deelde ik mijn theorie met hem. Maar nee, lachte de achterbuurman mijn zorgen weg, die meerkoeten had zijn hond gesloopt. Want die ving nog wel eens wat. Want een hond, vond hij, moest toch wel een beetje hond kunnen zijn.

Ik stond met mijn bek vol tanden. Ik viel ten prooi aan een redeloze maar ingehouden woede. Want de mensenhater in mij wilde onmiddellijk een beetje mensenhater kunnen zijn, maar de bescheten lafbek had natuurlijk weer de overhand. Dat de meerkoet misschien ook wel liever meerkoet was gebleven, stamelde ik, machteloos. Waar de achterbuurman dan weer hartelijk om kon lachen. En dat ik hoopte dat zijn hond dan toch in elk geval niet de hazen zou grijpen, die op het complex leefden. Mijn hazen, dacht ik erbij. Daar ging de achterbuurman verder niet op in. Hij hulde zich in omineuze stilte.

Vandaag zag ik ‘m inderdaad liggen, in de berm, bij de tuin van de achterbuurman. De haas. Er was niet veel meer van over. Ik kon wel janken.

Haas

Haas

Opeens stond ik oog in oog met een haas. Het was op de tuin. De haas huppelde nietsvermoedend door het hoge gras in de buurtuin, ik liep achter de braam langs mijn eigen tuin op en opeens zagen we elkaar. Ik zie wel vaker een haas op het complex, maar meestal heeft die mij al veel eerder gezien en maakt ie zich uit de voeten. Zie ik hem alleen uit de verte. Nu overvielen we elkaar.

We reageerden ongeveer hetzelfde, we stokten in onze beweging, we bleven zitten waar we zaten en verroerden ons niet. De blikken strak op elkaar. De haas zat op misschien zes meter afstand. Dichterbij dan ik ooit een haas had gezien. Dicht tegen de grond gedoken, de oren plat op het lijf deed hij net of hij een graspol was. Alleen het neusje bewoog nerveus. Ik had mij voor de gelegenheid als boom vermomd, of als een flinke struik, haalde alleen de hoognodige adem. Graag had ik mijn telefoon uit mijn binnenzak gehaald om een foto te maken, om dit moment vast te leggen, maar dan zou de haas er meteen vandoor gaan, met het moment, dus ik deed het niet. Ik legde het moment zonder foto vast, want dat kan ook*. Zo keken we naar elkaar, de haas en ik, en probeerden hoogte van elkaar te krijgen. De haas overdacht zijn kansen, schatte in of er gevaar te duchten viel, van deze plotseling opduikende struik in een leren jas. Ik probeerde uit te stralen dat er van mij niets te vrezen viel. Dat ik hier effe wezen moest.

Na een tijdje leek de haas zich iets te ontspannen. Hij kwam wat omhoog, de oren gingen weer rechtop en zijn blik leek van angstig in onderzoekend te veranderen. Hij had voorzichtig de conclusie getrokken dat ik in vrede was gekomen en wilde nu wel eens weten wat dit voor vreemde struik was. Ik zag een nieuwsgierige blik. Ja, in mijn ogen was zijn blik zelfs vriendelijk geworden. Alsof we elkaar herkenden. Als vreedzame wezens. Als elkaars medeschepselen. Een warm geluksgevoel welde in mij op. In kortstondige harmonie met de wereld. De haas en ik. Het was een moment dat onmogelijk op een foto kon worden vastgelegd.

Hoe lang zal het geduurd hebben, een minuut, een eeuwigheid, ik weet het niet, de haas had genoeg gezien en hupte weer verder, verdween achter een hek, waarachter een tweede haas bleek te zitten, en met z’n tweeën dartelden ze ervandoor, de toekomst tegemoet. Doe maar voorzichtig, riep ik ze in stilte na. En kijk uit met oversteken. Want bij elke liefdeloos in het asfalt gereden haas voel ik een steek in mijn hart.

**De foto van de haas maakte ik vorig jaar al een keer, en heb ik er voor de gelegenheid bij gezocht. Dat u niet denkt dat ik hierboven zit te liegen, over momenten vastleggen zonder foto.*