Dol op de kaardebol

Dol op de kaardebol

Het is hoogzomer op de tuin. Anders gezegd: het is er bloedheet. Zeker overdag is het er eigenlijk niet uit te houden. Wat jammer is, want behalve dat er nogal wat te doen is, staat er ook best wat in bloei waar nu maar matig van genoten kan worden. Zoals de kaardebol. Waarvan ik de prikkelige zaadbollen vorig voorjaar meenam uit een tropisch Bretagne en die zich bij deze temperaturen duidelijk senang voelt, om er ook maar meteen een tropische term tegenaan te gooien.
Het is wonderlijk om te zien wat een lieve, kleine bloemetjes zo'n robuuste, stekelige en weerbarstige plant erop nahoudt. Grappig ook hoe er vanuit het midden in ringen naar boven en naar beneden gebloeid wordt, als een sterretje dat je in het midden aansteekt. Wordt druk bezocht door vliegend volk bovendien. Van de week zag ik hoe een hommel de bloempjes één voor één bezocht en ze na gebruik uit de zaadbol leek te trekken om ze achteloos naar beneden te laten dwarrelen.
Ik ben dol op de kaardebol, mijn tuin staat er vol mee dit jaar en hopelijk zaait ie zich flink uit. Al hoop ik natuurlijk ook dat de puttertjes zich straks aan de pitjes tegoed komen doen. Conflicterende belangen, ik weet het, maar wat doe je eraan.

De kiem van een bescheiden succes

De kiem van een bescheiden succes

Het is inmiddels niet echt een geheim meer dat ik mij wel eens bezondig aan strooiselroof. Een vrij onschuldig vergrijp, in mijn ogen. Zie ik bij het wandelen in berm of beemd iets staan dat mij aanspreekt dan deins ik er niet voor terug een stekkie te nemen, een zaailing uit te graven of een handvol zaad mee te nemen. Speciaal met dat doel heb ik altijd een klein schepje, een mes en een rol plastic zakjes in de rugzak met krentenbollen. Wel let ik er op dat ik niet de enige zaailing of het laatste beetje zaadpluis meeneem, maar waar de boom volgeladen genoeg is, vind ik, mist de natuur één twee pruimpjes niet.
Op de tuin probeer ik de buit dan op te kweken tot plant, struik of boom, al naar gelang. Met wisselend succes. Zo heb ik al een bescheiden arboretumpje bij elkaar gesprokkeld. Twee rode beukjes, twee tamme kastanjes, een lijsterbes, Spaanse aak, grauwe wilg, drie berken. Om eens wat voorbeelden van geslaagde pogingen te noemen. Maar ik stop ook genoeg geroofd zaad in de grond of in potjes waar ik nooit meer iets van terugzie.
Zo leek het ook af te lopen met de Zwartmoeskervel waarvan ik vorige zomer zaad had meegenomen van Texel, tijdens een genoeglijke en zonovergoten wandeling. De berm stond er helemaal vol mee en de diepzwarte zaadtrossen aan de verder kale staketsels appelleerden meteen aan mijn voorliefde voor wat stugge, tegendraadse en nurkse planten. Bovendien verklaarde Obsidentify de plant zeldzaam in Nederland, waar het voornamelijk op Texel voorkomt. Ook daar was ik mee in mijn nopjes. Stel je voor, dacht ik, een zeldzame plant op mijn tuin.. Ik stopte wat van de zaden in potjes met een zelfverzonnen, wat zanderig grondmengsel waarmee ik meende de Texelse bodem te benaderen en hoopte er het beste van.
Van de week was ik voor de belachelijke hitte uit een paar keer op de tuin om water te geven aan wie dat nodig had. Zo ook de kleine potjes in mijn orangerie met onder andere dus de zaden van de zwartmoeskervel. Ik had de hoop eerlijk gezegd al opgegeven zo lang als er niks gebeurde, maar verdomd, het kan de belachelijke hitte geweest zijn - zwartmoeskervel is afkomstig uit streken rond de Middellandse Zee - in één potje werd gehoor gegeven aan de roep van de natuur.

Verrassing

Verrassing

Misschien herinnert u het zich niet, maar ik wel. Tenminste, nu ik hem in bloei zie staan. Vorig jaar zag ik ergens in de berm van ons tuincomplex een bloem waar ik nogal van gecharmeerd was. Een flinke, robuuste plant was het, met paarse bloemen die zonder kapsones mooi waren. Later leerde ik, van mijn buurvrouw, dat het de paarse morgenster was. Telkens wanneer ik er langs liep viel mijn begerig oog erop. Maar ja, het was niet mijn berm, het was niet mijn plant. Al was ie ook niet echt van iemand anders, omdat ie in de berm stond.
Enige tijd later schoot de plant zelf mij te hulp doordat de uitgebloeide bloemen in grote pluizebollen waren veranderd, gelijk bijvoorbeeld de paardenbloem. Nu was het, vond ik, wel te verdedigen dat ik van al dat pluis een klein deel meenam naar mijn eigen tuin. Dat zou zich immers mettertijd, met de wind toch over het ganse complex verspreiden. Ik nam gewoon mijn rechtmatig deel als voorschot. Je weet nooit naar welke kant de wind zal waaien tenslotte.
Ik stopte de zaden her en der, verspreid over mijn biotoop in de grond, in de blijde verwachting dat ik mij het komend voorjaar zou laten verrassen door een paarse morgensterrenhemel.
Dat komend voorjaar is nu. Een sterrenhemel wil ik het niet noemen want slechts op één plek is er inderdaad één opgekomen. Maar verrast was ik weldegelijk.

Fünf Buchen

Fünf Buchen

Het nadeel van op vakantie gaan, is dat je niet naar je tuin kunt. Zeker in de voorjaarsvakantie mis je dan eigenlijk een van de mooiste periodes. De dagen van het grote groen worden. Het ontluiken, het uitlopen, het bloeien. De metamorfose van een kale bedoening naar een malse, vruchtbare oase.
Maar goed, wij waren dus op vakantie en wandelden een paar heerlijke lentedagen onder het zondoorschenen frisgroene gebladerte van het Teutoburger Wald, dat was ook helemaal niet slecht.
En zoals ik dat wel vaker doe, kon ik het ook dit keer niet laten wat zaailingen te verzamelen voor in de volkstuin. Strooiselroof. Verspreiding van biodiversiteit, kun je het ook noemen, leerde ik van een collega-tuinier die zich er ook aan bezondigt. De bermen stonden bezaaid met piepkleine beukjes en ik dacht, in de geest van Piet Paaltjens, hier mist men vijf, zes boompjes niet. Nu heb ik inmiddels al een aardig mini-arboretum bij elkaar geroofd, waaronder twee schattige rode beukjes, maar de groene beukjes van een eerdere lichting hebben het niet gehaald. De groene beuk ontbreekt nog, in mijn tuin.
Naast een stapel gevelde stammen, aan de rand van een bosbouwpad, waar ze sowieso een zekere en vroegtijdige dood stond te wachten, trok ik er vijf uit de grond, stak ze in een leeggegeten boterhamzakje, met een paar handen van hun eigen grond en een voorraadje afgevallen blad als humus, het laatste slokje water uit de veldfles, en nam ze mee naar huis. Daar staan ze nu in potjes van de schrik te bekomen.

De prehistorie ontwaakt

De prehistorie ontwaakt

Tot mijn grote opluchting en blijdschap heeft ook de Ginkgo Biloba besloten dit voorjaar weer uit te botten. Ik kreeg hem een paar jaar geleden van een vriendin, als piepklein plantje. Niet veel meer dan een zaailing was het. Zij had 'm, als exotische strooiselroof, meegenomen uit Vietnam. Of Thailand, dat wist ze niet meer, het is een avontuurlijke vriendin. Ze had er uit beide landen één meegenomen. Eén voor zichzelf en één om weg te geven. Maar welke welke was, dat wist ze niet meer.
Ik ben dol op de Ginkgo sinds ik jaren geleden bij een bezoek aan een botanische tuin in Utrecht leerde dat dat een prehistorische boom is. Dat de Ginkgo miljoenen jaren geleden het eerste soort boom op aarde was. Dat spreekt tot mijn verbeelding, zulke dingen. Ooit hadden we er daarom ook een in de achtertuin staan maar die had het snel bekeken, in de Noordhollandse klei. Deze nieuwe kans vertroetelde ik dus met veel liefde en aandacht en een luw plekje in de zon.
Toch leek het er op dat hij zijn eerste winter niet had overleefd, hoewel ik hem veilig, maar misschien net iets te laat, in mijn orangerie had gestald. Als niets dan een dode stok in een pot ging hij het voorjaar in. Met lede ogen zag ik het aan. Tot er, helemaal onderaan de dode stok, toch een klein groen puntje ontstond. Jongens, wat was ik blij. Het dode gedeelte knipte ik af en de hele zomer stond hij weer op zijn luwe plekje in de zon, waar het groene puntje langzaam uitgroeide tot een nieuw stammetje. Iets eerder dan het jaar ervoor bracht ik hem naar binnen, al zag hij er na de herfst al weer zorgwekkend uit als een dode stok. Het was dus even spannend wat er zou gebeuren nu de lente weer terug is.
Trots stuurde ik een foto van de eerste nieuwe, frisgroene blaadjes aan mijn vriendin. Ze was blij voor me. Die van haar was dood.

Pluis

Pluis

Of je het nog strooiselroof moet noemen weet ik niet. Ik vind dan maar van niet. Langs het pad op het complex, in de gemeenschappelijke berm, aan de slootkant, stonden hier en daar wat bossen grote, paarse bloemen. Geen idee wat het was, maar ik vond ze mooi. Na de bloei werden dat vrij grote pluizenbollen, gelijk paardenbloemen, maar dan dus veel groter. Ik liep er een paar keer langs en zag het gebeuren. Niemand ontfermde zich erover. Die zaden zouden zich straks met de wind over het complex verspreiden. Het waren best veel bloemen. Met in iedere pluizenbol best veel zaden. Ik kon de verleiding niet langer weerstaan en besloot mijn bescheiden deel vast mee te nemen.

Dagactieve nachtbloeier

Dagactieve nachtbloeier

Een zonnige aanwezigheid op de tuin, deze Teunisbloem. En dat terwijl hij bekend staat als nachtbloeier. Ik nam 'm mee van vakantie, een paar jaar geleden, waar ie in de braakliggende achtertuin van het vakantiehuis ondergewaardeerd stond te wezen. Wachtend op de onvermijdelijke schoffel van de reeds bestelde hovenier. Bij mij op de tuin kreeg ie asiel en als dank breidt hij zich uit in alle windrichtingen. Zelfs bij mijn dochter in de voortuin staan de nakomelingen. Bloeit ook gewoon overdag trouwens. Bijzonder is wel dat de bloemen zich tegen de avondschemer openen, vandaar misschien dat nachtbloeier. Het loont de moeite er dan een tijdje bij te blijven staan, want je ziet het gebeuren, recht onder je neus. Alsof het een vlinder is vouwen de bloemblaadjes zich uit. Met een paar tellen is het gebeurd en heb je iets bijzonders meegemaakt.

Im knopf

Im knopf

Wij bezochten het museumpark Insel Hombroich, bij Neuss, in Duitsland. Een paar jaar geleden alweer, maar niet voor het eerst en zeker ook niet voor het laatst, want het is zeer de moeite waard. Niet alleen de schitterende paviljoens met vele soorten kunst en kunstvoorwerpen, ook de enorme tuin waar je doorheen wandelt, van paviljoen naar paviljoen, is van een grote schoonheid. Alles bij elkaar is het een zeer inspirerende en harmonieuze plek. Bij ons laatste bezoek verzamelden wij zo hier en daar wat zaden uit uitgebloeide bolsters en bollen en dozen, in het kader van aan een boom zo vol geladen.. Het zaad strooide ik uit over mijn destijds nog nieuwe tuin. Sindsdien bloeit ook hier ieder jaar deze Scabiosa Gigantea.

Voor later

Voor later

Later, fantaseerden mijn vrouw en ik vroeger, toen we nog jong en mooi waren, later als we groot zijn, hebben we een huis met een tuin, en in die tuin een enorme rode beuk met een ronde bank om de stam. Om daar, nog altijd samen, bedaagd op een mooi en liefdevol leven terug te zien. Vanuit die gedachte heb ik een jaar of vier geleden dit rode beukje als zaailing uit een vakantiebos meegenomen. Of ie op tijd enorm zal zijn, staat te bezien, maar hij doet zijn best. Net als wij. En meer, dat weten we allemaal, kun je niet doen.

Eerste oogst

Eerste oogst

Dat wij nu twee weken op vakantie zijn, en ik de dagelijkse zorg voor de tuin uit handen heb moeten geven aan mijn twee zonen, die dat ongetwijfeld naar eer en geweten op zich zullen nemen, betekent niet dat er helemaal niets gebeurt. Van menig vakantie zijn wij teruggekomen met nieuwe aanwinsten voor de tuin. Tijdens lange wandelingen uit de grond gestoken en in meegenomen plastic zakjes in leven gehouden om ze in Noord Holland een nieuw bestaan aan te bieden. Met wisselend succes overigens, niet alles kan tegen wind, regen en klei. Erg voortvarend zijn we wat dat betreft nog niet geweest, deze eerste week. De oogst bestaat vooralsnog uit een handvol stekjes van wat op het eerste oog een soort hertshooi lijkt, maar dan net anders. Geknipt van de struik die over de schutting van het vakantiehuisje groeit.