Hoe meer beestjes ik fotografeer en door de app haal, hoe vaker het voorkomt dat ik bij een langskomend beestje denk: die heb ik al. Geloof ik, denk ik daar dan meestal achteraan. Heel soms zelfs komt het voor dat ik me de bijbehorende naam meen te herinneren, waarna ik het beestje alsnog door de app haal om dat te controleren. In uitzonderlijke gevallen heb ik dan gelijk. Zo is de stand van zaken en veel beter zal het waarschijnlijk niet worden. Geeft niks.
Bij dit beestje, dat opvallend rustig op een blad van de aalbes van het zonnetje zat te genieten, wist ik twee dingen zeker: die heb ik nog niet, en: geen idee wat het is.
Het had iets wesp-achtigs, met die smalle vleugels en die gele strepen, maar het was geen wesp. Iets boktor-achtigs, met die lange, nadrukkelijke voelsprieten, maar het was geen boktor. Door dat rare ding aan het achterlijf zou je aan iets schorpioenvlieg-achtigs kunnen denken, maar dat was het ook niet. Dat het een vlinder zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Maar dat was het dus wel. De Bessenwespvlinder, om precies te zijn. Een glasvleugelvlinder. Een afgezant van de vrij breed uitwaaierende familie der wespvlinders, ontdek ik op het alwetend web. Zoals daar zijn de eikenwespvlinder, de elzenwespvlinder, de populierenwespvlinder, de wilgenwespvlinder, de appelwespvlinder en de klaverwespvlinder. En wat te denken van de tongbrekende cipreswolfsmelkwespvlinder of de licht omineuze heksenmelkwespvlinder.
En ik vind het dan leuk om zo'n vreemde snuiter in mijn tuin aan te treffen, vooral omdat de Vlinderstichting het als een vrij zeldzame verschijning betitelt - Obsidentify houdt het op een wat zuiniger 'weinig waargenomen maar vermoedelijk vrij algemeen' - de professionele aalbessenteler doe je geen plezier met de bessenwespvlinder. De rups verpopt in een tak van de struik, net onder de schors, en voedt zich een winter lang met het hout en de bast, wat de struik natuurlijk niet ten goede zal komen. Al lees ik ook dat de vlinder de eieren bij voorkeur legt in de takken die er sowieso al niet florissant bijhangen. Dat laatste klopt ook wel voor mijn eigen aalbessenstruik die de recente transplantatie van achtertuin naar volkstuin maar met moeite lijkt te verwerken.
Verder lees ik dat ik hier te maken heb met een vrouwtje, vanwege de drie gele banden op het achterlijf - een mannetje heeft er vier. De gele strepen op het borststuk duiden er op dat het wel eens een verse vlinder zou kunnen zijn, zo uit de kwijnende takken van mijn aalbes gekropen. Wat mij dan weer op de gedachte brengt dat die smalle vleugeltjes nog niet helemaal zijn opgedroogd en dat ik hier getuige ben van de geboorte van deze bessenwespvlinder. Dat zou ook verklaren waarom ze zo kalm blijft zitten, waar de meeste insecten zich rap uit de voeten maken als ik er aan kom. Ach, wat is het toch fijn als de dingen allemaal lijken te kloppen.
Maar vermoedelijk vrij algemeen








