Geen vegetariër

Geen vegetariër

Met zijn wat nurkse, stekelige voorkomen, zijn primitieve, robuuste en nog stekeliger bloemen, is de Kaardebol één van mijn lievelings in de tuin. Samen met de Gunnera, ook al zo'n prehistorische verschijning, met die enorme bladeren als parasols en bloemkolven als honkbalknuppels.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Vorige zomer had ik handenvol zaad uit Frankrijk vakantieland meegenomen, met het plan in eigen tuin een plantage te beginnen. Ik ben dol op grote plannen. Nou doe ik dat wel vaker, handenvol zaad meenemen van uitstapjes en wandelingen in de natuur, met het vaste voornemen dat in eigen tuin tot groei en bloei te laten komen, maar dat wordt niet altijd een groot succes. Omdat het zaad niet op wil komen, in mijn potjes of mijn volle grond, maar ook wel omdat het er niet altijd van komt het zaad in een potje of de volle grond te stoppen. Regelmatig kom ik vage boterhamzakjes met pluis of pitjes of korrels tegen en heb ik geen idee meer waar het van was en bij welke gelegenheid ik dat had meegenomen. Stel ik het plan alsnog uit, omdat het nu het seizoen niet is of ik er nu even geen zin in heb, waarna van uitstel afstel komt. Of ik flikker de hele zooi zo de tuin in, om er vanaf te zijn, met hetzelfde resultaat. Zo eindigen meer van mijn grote plannen, wat dat betreft zegt de tuin ook wel iets over de tuinier.
Maar goed, ik had het over de Kaardebol.
Niet voor niets is het mijn lievelings, dus deze keer zaaide ik het meegenomen zaad kwistig voor, vertroetelde het spul met liefde en aandacht en binnen de kortste keren had ik genoeg Kaardebolletjes voor wel drie plantages. Over grote plannen gesproken. Ik gaf er hier en daar weg aan wie ze maar hebben wilde en zette ze verder op allerlei plekken in de tuin zodat ik van de zomer overal die weerbarstige prikbloemen bovenuit zie steken. Waarvan de bruin geworden skeletten het ook de hele winter nog uithouden, als schilderachtige herinnering aan de zomer die voorbijging en de zomer die weer komen gaat.
Onlangs deed ik nog een aardige ontdekking trouwens, over de Kaardebol, want daar heb ik het over. Na een flinke regenbui zag ik, bij het vaste rondje door de tuin, dat die water opvangt en vasthoudt. Tegen de stengel aan vormen de bladeren een soort kelk waar het water in blijft staan. Voor later gebruik, zo lees ik ergens, al ligt dat ook wel voor de hand natuurlijk. Het opmerkelijke zat 'm meer in wat ik daar verder over las, namelijk dat insecten en beestjes die per ongeluk in dat water terechtkomen en verzuipen ook als voeding door de plant worden opgenomen. Het voert misschien te ver de Kaardebol nu een vleesetende plant te noemen, een vegetariër is het ook niet. Toch blijft hij één van mijn lievelings.
De langpootmug die hier waarschijnlijk nietsvermoedend wat zit uit te blazen, in de beschutting van het blad, mag wel op zijn tellen passen. Al zal het in zijn geval wel goed komen, het is tenslotte niet voor niets een hoefijzertijger. Die heeft het geluk aan zijn zijde.

Hondjes (Op z'n -)

Hondjes (Op z'n -)

Niets menselijks is de insecten vreemd. Als het lente is, wordt er geneukt. Gepaard. Voortgeplant. De soort in stand gehouden. Er wordt wat af bevrucht, op de tuin, deze dagen. Zonder enige gêne. Wat misschien weer iets minder menselijk is. Uitzonderingen daargelaten hechten wij toch meer aan onze privacy. Deze dambordvliegen en deze blauwe muntgoudhaantjes boeit het niet of ik er met mijn neus bovenop sta, lijkt het. Met m'n camera, ook nog. Onverdroten gaat het voort. Al vliegen de dambordvliegen na verloop van tijd al parend een paar struiken verderop. Misschien dat die zich toch bekeken voelen.

Verrassing

Verrassing

Misschien herinnert u het zich niet, maar ik wel. Tenminste, nu ik hem in bloei zie staan. Vorig jaar zag ik ergens in de berm van ons tuincomplex een bloem waar ik nogal van gecharmeerd was. Een flinke, robuuste plant was het, met paarse bloemen die zonder kapsones mooi waren. Later leerde ik, van mijn buurvrouw, dat het de paarse morgenster was. Telkens wanneer ik er langs liep viel mijn begerig oog erop. Maar ja, het was niet mijn berm, het was niet mijn plant. Al was ie ook niet echt van iemand anders, omdat ie in de berm stond.
Enige tijd later schoot de plant zelf mij te hulp doordat de uitgebloeide bloemen in grote pluizebollen waren veranderd, gelijk bijvoorbeeld de paardenbloem. Nu was het, vond ik, wel te verdedigen dat ik van al dat pluis een klein deel meenam naar mijn eigen tuin. Dat zou zich immers mettertijd, met de wind toch over het ganse complex verspreiden. Ik nam gewoon mijn rechtmatig deel als voorschot. Je weet nooit naar welke kant de wind zal waaien tenslotte.
Ik stopte de zaden her en der, verspreid over mijn biotoop in de grond, in de blijde verwachting dat ik mij het komend voorjaar zou laten verrassen door een paarse morgensterrenhemel.
Dat komend voorjaar is nu. Een sterrenhemel wil ik het niet noemen want slechts op één plek is er inderdaad één opgekomen. Maar verrast was ik weldegelijk.

De lange adem

De lange adem

Dat je een strijd niet kunt winnen, betekent nog niet dat je hem niet hoeft te voeren. Ook dit voorjaar kruip en buk ik weer door de tuin om overal het onoverwinnelijk heermoes weg te plukken. Zeker niet met de illusie het dit jaar wel te winnen, zeker niet, want ik weet inmiddels wel beter. Het is een klus die je nooit of te nimmer krijgt afgerond. Omdat het spul weer aangroeit zodra je je blik hebt afgewend. Een klus die dus enerzijds buitengewoon frustrerend is, maar waar je op een of andere manier ook best zen van kunt worden. Het is daarom de kunst te gaan plukken wanneer je een grote behoefte voelt zen te worden. Zo'n dag was het vandaag. Dat heb je wel eens, zulke dagen. Zo'n humeur. Emmers en emmers vol pluimen plukte ik weg en hoewel er nog ruim voldoende staat voor nog veel meer emmers en emmers, en het dus volkomen nutteloze arbeid was, verspilde tijd en energie, was het toch een bevredigend werkje.
Al eerder schreef ik dat ik van al die geplukte pluimen gier maak. Een bijna alchemistisch proces waarbij de heermoes, door toevoeging van water en dagelijks omroeren, langzaam wordt omgezet in een stinkende, schuimende brij waar, zodra je het deksel licht, de strontvliegen meteen op afkomen. Het verhaal gaat dat je met die gier de bodem zodanig verrijkt dat de heermoes op den duur verdwijnt.
Hoe lang die duur precies is, wordt er niet bij gezegd, maar gezien het feit dat dit jaar opnieuw een recordjaar lijkt te zijn, voor de heermoes, vrees ik dat het een kwestie van de lange adem is. Mijn lange adem. En erin blijven geloven.

Schone schijn bedriegt ook

Schone schijn bedriegt ook

Oh, oh, oh, wat ziet ze er mooi uit, met die felle kleurtjes. Dat ranke postuur. Met dat strakke, metallic blauw-groen oplichtende jakje. En dat verleidelijk rode jurkje aan. Met die grote, onschuldige kijkers, ook nog. Jaja.. Maar ondertussen is het een geniepig, achterbaks krengetje dat het behoorlijk achter alle zes de ellebogen heeft. Ik zie ze regelmatig zenuwachtig, schichtig gejaagd als junkies heen en weer scharrelen bij mijn insectenhotels, de Chrysis Ignita. De gewone goudwesp. Gaatje in, gaatje uit. Met duidelijk niets goeds in de zin.
En dat klopt dan ook want deze goudwesp is een parasiet. Die hangt een beetje rond bij zo'n insectenhotel, zo van: niks aan de hand, ik ben gewoon een goudwesp, gewoon een gewone goudwesp, ik ben ook maar een insect - maar houdt intussen de metselbijtjes, die ijverig aan hun nestjes werken, scherp in de gaten. En zodra er eentje haar hielen heeft gelicht om een nieuw voorraadje bouwmateriaal te halen, duikt deze opgedirkte bedriegster naar binnen om haar eigen eitje bij dat van de metselbij te leggen en weer zo snel mogelijk te verdwijnen. Het eitje van de goudwesp komt dan net iets later uit dan dat van de nietsvermoedende metselbij, zodat de larf van de bij kan dienen als levend voedsel voor die van de wesp. De natuur..
In het Duits, lees ik toevallig, heet de gewone goudwesp de Gemeine Goldwespe, en dat neigt, voor onze Hollandse oren, misschien naar een meer toepasselijke naam

Helden en schurken

Helden en schurken

Als het geen weer is om naar de tuin te gaan, bij hagel, storm en tegenweer, zoals vandaag, dan kun je er altijd nog over lezen. In dit boek schrijft Thijs Goverde over helden en schurken van het voedselbos. Het is uitgegeven als kinderboek maar wie daar op let is een kniesoor. Het is zeker geen reden om het niet te lezen. Het is bovendien van het grootste belang om het kind in onszelf in ere te houden. Het is al volwassen genoeg allemaal, het leven, en de wereld. In vermakelijke én leerzame hoofdstukken vertelt Thijs Goverde over zijn wederwaardigheden bij het beginnen van een voedselbos. Hij waarschuwt ons voor de boterbloem, die volgens hem een superschurk is. Net als de onoverwinnelijke distel. Voor de paardenbloem daarentegen, breekt hij een lans. En kijk.. dan heb je mij. Leve de paardenbloem.

Zo klein, zo groots

Zo klein, zo groots

Waar blijf je nou, appte mijn vrouw ongeduldig. Die zat thuis met het eten te wachten en ik had zeker een kwartier terug al een berichtje gestuurd dat ik eraan kwam. Dus, waar bleef ik nou.
Nu ben ik meestal moeilijk van de tuin af te krijgen, als ik er eenmaal ben. Er dient zich altijd nog wel snel even iets aan - een vergeten klusje, een bijzonder beestje of een buurman met een praatje - waardoor het allemaal wat uitloopt. Maakt ook niks uit uiteindelijk, wat zou je je haasten. Daar heb je geen tuin voor.
Deze keer was het een rosse metselbij die mijn aandacht trok terwijl ik mijn jas stond aan te trekken. Eerder schreef ik al dat mijn artistieke tuinhuisje op de warme belangstelling van deze bijtjes mocht rekenen, vanwege de Lundiagaatjes in de raamkozijnen. Dit bijtje had blijkbaar toch besloten, in tegenstelling tot haar immer aarzelende soortgenoten, dat dat prima gaatjes waren om in te nestelen want ze vloog af en aan, naar steeds hetzelfde gaatje. Kroop naar binnen, bleef daar een tijdje ijverig bezig, kwam naar buiten, draaide zich om en kroop achterwaarts weer terug naar binnen. Daar werd een ei gelegd, wist ik inmiddels wel. Dat duurde een tijdje. Dan vloog ze weer weg, om binnen de kortste keren weer terug te zijn met een voorraadje zand, waarmee ze omstandig draaiend en met haar poten zwaaiend het nestkamertje dichtmetselde.
Ik stond het ademloos te bekijken. En te filmen. En te fotograferen. Wat een fantastisch schouwspel. Zo klein, maar zo groots. Gelukkig kon ik mijn vrouw met de filmpjes en de foto's weer vrij makkelijk gunstig stemmen en konden we in goede harmonie aan tafel. We aten asperges.

Niet onbekend

Niet onbekend

Al weken sta ik hoopvol over mijn zeer bescheiden vijver gebogen, speurend naar een teken van leven. Vorig jaar zag ik de eerste al op 28 februari voor mijn voeten wegspringen, dus een tikkeltje ongerust werd ik wel, de laatste tijd. Ongeduldig ook, eerlijk gezegd, een beetje. Ik weet wel, in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst, en de natuur laat zich niet dwingen en het komt zoals het gaat, maar toch, het werd onderhand wel eens tijd. Vond ik. En zie, vandaag stak er eentje zijn bolle ogen boven het water uit. Een groene kikker onbekend, zegt obsidentify, maar dat klopt niet, want ik ken hem weldegelijk.

Fünf Buchen

Fünf Buchen

Het nadeel van op vakantie gaan, is dat je niet naar je tuin kunt. Zeker in de voorjaarsvakantie mis je dan eigenlijk een van de mooiste periodes. De dagen van het grote groen worden. Het ontluiken, het uitlopen, het bloeien. De metamorfose van een kale bedoening naar een malse, vruchtbare oase.
Maar goed, wij waren dus op vakantie en wandelden een paar heerlijke lentedagen onder het zondoorschenen frisgroene gebladerte van het Teutoburger Wald, dat was ook helemaal niet slecht.
En zoals ik dat wel vaker doe, kon ik het ook dit keer niet laten wat zaailingen te verzamelen voor in de volkstuin. Strooiselroof. Verspreiding van biodiversiteit, kun je het ook noemen, leerde ik van een collega-tuinier die zich er ook aan bezondigt. De bermen stonden bezaaid met piepkleine beukjes en ik dacht, in de geest van Piet Paaltjens, hier mist men vijf, zes boompjes niet. Nu heb ik inmiddels al een aardig mini-arboretum bij elkaar geroofd, waaronder twee schattige rode beukjes, maar de groene beukjes van een eerdere lichting hebben het niet gehaald. De groene beuk ontbreekt nog, in mijn tuin.
Naast een stapel gevelde stammen, aan de rand van een bosbouwpad, waar ze sowieso een zekere en vroegtijdige dood stond te wachten, trok ik er vijf uit de grond, stak ze in een leeggegeten boterhamzakje, met een paar handen van hun eigen grond en een voorraadje afgevallen blad als humus, het laatste slokje water uit de veldfles, en nam ze mee naar huis. Daar staan ze nu in potjes van de schrik te bekomen.

Drie meter hoog en twee meter breed

Drie meter hoog en twee meter breed

Van een vriend met ook een tuin kreeg ik als cadeautje, na een succesvol verlopen theaterconcert, een dichtgeschroefd jampotje, met daarin, beschermd door tissue en een plastic zakje, een piepklein bloempotje met drie minuscule plantjes. En als ik zeg minuscuul bedoel ik ook minuscuul. Het leek wel mos, toen ik het openmaakte en uitpakte. Zo klein.
Deze planten, had de vriend er een beetje lacherig bij gezegd, worden straks drie meter hoog en twee meter breed. Hij verkneukelde zich misschien al op het ongelovige gezicht dat ik zou trekken wanneer ik zijn potje openmaakte. Of het ongelovige gezicht dat ik nu al trok, met dat piepkleine potje in mijn hand.
Jaja, dacht ik inderdaad, drie meter hoog.. twee meter breed.. jaja, het zal wel. Maar goed, een beuk begint ook klein. En die kan wel 45 meter hoog worden. Al duurt dat natuurlijk honderd jaar. Dat is geen straks.
Enfin, zoals altijd bood internet uitkomst. Chileense Glorie, zoals dit plantje heet, wordt drie meter hoog en twee meter breed. Ik mag wel een plekje gaan zoeken, in mijn overvolle tuin.