Kikker en Pad

Kikker en Pad

Vandaag is mijn kleinzoon jarig, hij wordt acht jaar oud die schat. Ach, wat gaat het toch hard, moet je daar dan bij zeggen. Omdat dat zo hoort. Omdat het ook zo is. Waar is de tijd gebleven dat hij ondersteboven achterstevoren bij opa op schoot naar een verhaaltje zat en lag en wiebelde te luisteren? Laat staan de tijd dat zijn moeder bij papa op schoot naar dezelfde verhaaltjes zat te luisteren, een en al rust en aandacht. Kikker en Pad, bijvoorbeeld, met hun vriendelijke avonturen. Die waren zeer geliefd. Zowel bij voorlezer als bij toehoorder. Nu scharrelen ze alleen nog bij opa op de tuin, kikker en pad. Nog altijd even vriendelijk, hoop ik.

Om op te vreten

Om op te vreten

Er zijn nogal wat planten waarvan de betere natuurliefhebber annex vergeten groenten kweker of biologisch dynamisch voedselbos beheerder op plechtige toon weet te melden dat je die kunt eten. Als aandachtig toehoorder word je dan geacht met gepaste verbazing en eerbiedige bewondering te reageren, wat aarzelend het een of ander in de mond te steken en dan uit te roepen hoe lekker pittig, kruidig, of notig het smaakt, met een zoetje of een zuurtje of een bittertje. In dat kader stond ik in mijn tuin al eens te kauwen op een bloemknop van de weegbree. Ik maakte honing met paardebloemen, pesto van radijsloof, salade met oostindische kers.
Tijdens een boswandeling in de voorjaarsvakantie probeerden we daslook, look zonder look, madeliefje en pinksterbloem. Met wisselend succes. Grote verrassing was de oxalis, ook wel geluksklaver genoemd. Waarvan mijn vrouw, als amateur betere natuurliefhebber, op gelukkig onplechtige toon wist te vertellen dat die eetbaar was. En inderdaad, verrassend lekker. Fris zuur. Bijna alsof je zo'n ouderwetse Napoleon zuurbal doorbijt. Mijn vrouw kocht een zak bolletjes voor me, ik zette ze in potten en binnen de kortste keren kwam het op, de bloemetjes eerst. Maar zeg nou zelf, die zijn toch veel te leuk om op te eten?

Tegen wil en dank

Tegen wil en dank

Wie het maar horen wil bezweer ik dat ik geen moestuin heb. Niet meer. Dat ik dat wel geprobeerd heb, toen ik aan een volkstuin begon, maar dat het voor mij niet is weggelegd. Dat ik niet was opgewassen tegen de slakken, de vogels en de hazen. Dat alles onder mijn handen werd opgevreten en weggeroofd. Of achter mijn rug werd overwoekerd door assertieve inheemse gewassen die ik hier niet bij naam zal noemen. En dat ik dus twee jaar geleden besloot dat ik het woord moestuin niet meer wilde horen. Dat ik voortaan een biodiverse natuurtuin zou hebben. Met bomen en struiken, planten en bloemen, vogels en insecten. En assertieve inheemse gewassen.
En nu blijkt rode kropsla dus ook een assertief inheems gewas te zijn. Dat zich bovendien niets aantrekt van mijn moestuinverbod, want nota bene op de composthoop trof ik enige tijd geleden een handvol zaailingen aan van de rode kropsla. Nakomelingen van een doorgeschoten voorouder van weleer. Dus ja.. dan kun je geen moestuin willen, als de oogst zich zó nadrukkelijk opdringt zou je wel gek zijn de boel weg te schoffelen, met je dwarse kop. Ik zette de boel dus in potjes tussen de kaardebollen en het ijzerhard, gaf het regelmatig water en zo eten we de komende tijd alsnog sla uit eigen tuin.

Bedankje

Bedankje

Vorig jaar, en ook het jaar daarvoor trouwens, beklaagde ik mij over de kersenoogst. Hoewel er toch echt bloesem in mijn boompje had gezeten en ik over insecten niet te klagen heb op de tuin, bleef de opbrengst beperkt tot één respectievelijk twee kersen. Nou goed, drie. Die dan ook nog eens, vér voor ze ook maar het kleinste blosje op de groene wangen kregen, werden opgevroten door de vogels.
Ach, ik doe wel zuur, maar echt erg vind ik het natuurlijk niet. Die paar kersen. En vogels moeten ook eten. Bovendien ben ik dan wel weer trots en blij als een kind wanneer vogels zich in mijn tuin vertonen. In mijn bomen gaan zitten fluiten. In mijn kastjes gaan zitten broeden. Dus.. waar hebben we het over. Voor wat hoort wat.
Dit jaar had ik mijn oogst daarom, al had ik al wel gezien dat er deze keer beduidend meer dan drie in de boom verscholen zaten, in gedachten al aan de vogels geschonken. Smakelijk eten jongens. Op tafel lag zelfs al een half afgekloven pit. Dus ik was blij verrast toen ik tegen al die verwachtingen in toch één rode kers zag hangen. Dat ik die lekker zelf op mocht eten, van mijn gevederde vrienden. Als bedankje.

De pleziertuinier

De pleziertuinier

Al wandelend kwamen wij in Franeker terecht. En aldaar in de Martinikerk. Want komen wij al wandelend langs een kerk waarvan de deur open staat, maken wij er een gewoonte van even binnen te lopen. Alleen al voor de sfeer. Het zijn vaak lieve, mooie en oude tot stokoude gebouwtjes waar de bewogen geschiedenis vanaf straalt.
In de Martinikerk troffen wij een expositie van denkelijk lokale kunstenaars waar ik het verder niet over wil hebben, behalve over dit werk van Ton Bouchier. Want dat vond ik wel geestig. Die drie mannen in hun gestreepte korte broeken, met hun blote basten in de verzengende zomerzon op de tuin. Ik hoop dat ze zich goed hebben ingesmeerd.
Alle drie staan ze er anders in zo te zien. De linker lijkt de moed in de schoenen te zakken. Een tikkeltje schuldbewust, bijna wanhopig overziet hij het werk dat maar niet gedaan wil zijn. De rechter is meer de voorzitter van de tuincommissie die vanuit zijn keurig aangeharkt bloemenparadijs met strenge, afkeurende blik constateert dat het er bij de buren heel anders aan toe gaat. In de middelste herken ik mijzelf. De pleziertuinier. Die met een gelukzalige blik in de ogen door zijn paradijsje struint, in het voorbijgaan al zijn plantjes groet en zich God in Frankrijk waant.

Klopt

Klopt

Het is ook wel eens fijn wanneer ergens een zekere logica in lijkt te zitten. Iets van een kloppend oorzaak gevolg. Een systeem. Dat zou hier wel eens het geval kunnen zijn. Vorig jaar introduceerde ik Moerasandoorn op de tuin, gestrooiselroofd van de oevers van de Regge in Overijssel. Heeft een erg leuk bloemetje en blijkt het ook op de noordhollandse klei buitengewoon goed te doen.
Dit jaar dient zich dan de Andoornbij aan. Die, de naam verklapt het al, voornamelijk stuifmeel verzamelt van verschillende andoornsoorten. Dus dat klopt. Het maakt uit wat je doet. Het een lokt het ander uit. Alles heeft met elkaar te maken. En kijk, dat vind ik dan leuk om te ontdekken. Dat Obsidentify dan ook nog rept van een lage trefkans maakt het alleen maar beter.
De andoornbij, lees ik, is een sachembij, maar in tegenstelling tot andere sachembijen graaft de andoornbij zelf haar nestgangen uit in vermolmd hout. Daar heb ik ook wel wat van staan en liggen. In die gangen worden dan verschillende nestkamertjes gemaakt, van elkaar gescheiden met tussenschotjes van gekauwde houtpulp. Verder lees ik dat ze een extreem lange tong hebben waarmee ze nectar uit lipbloemigen verzamelen en dat ze daarbij, gelijk de kolibrievlinder, vóór de bloem in de lucht blijven zweven. Maar ja, de trefkans voor dat spektakel zal waarschijnlijk nog wel lager zijn.

Mooie ogen

Mooie ogen

Eén van mijn favorieten op de tuin, dit Groot Koeienoog. Wat een zonnige verschijning is dat, met die knalgele, lekker flodderige bloemen. Staat zeer uitbundig te bloeien, deze laatste lentedag. Een waardig afscheid van het voorjaar, een warm welkom voor de zomer. Mijn vrouw beweert dat ik 'm gestrooiselroofd heb in de museumtuinen van Insel Hombroich, wat ik ook niet per se zou willen uitsluiten, maar in mijn eigen herinnering heb ik 'm zeer ordentelijk gekocht bij een biologische kwekerij op de Veluwe. In het bijzijn van mijn dochter, en mijn vrouw, nota bene. Belangrijk argumenten voor aanschaf waren de natuurlijk grappige naam en de rommelige bloem, maar zeker ook het grote, zachte, lichtgroene blad dat al zeer vroeg in het voorjaar hoopgevend de kop opsteekt, als het al niet aan het eind van de winter is. Inmiddels uitgegroeid tot een manshoog, zo goed als ondoordringbaar oerwoud, druk bezocht door bijen, zweefvliegen en ander insectenspul.

Avond

Avond

Van de week was ik een paar keer een avond op de tuin, die zijn er immers weer lang genoeg voor en het weer en mijn bui waren er ook naar, vandaar. En zo zag ik dan de avondschemer langzaam nederdalen over mijn paradijs. Het zwerk kleurde langzaam roze-oranje en gaf de tuin, de bomen, de struiken een romantische, verzachtende sepiagloed. Alles verstilde, behalve de merel. Een vredig stemmend en rustgevend schouwspel. Wat ik grappig vond om te ontdekken was dat allerlei insecten een plekje voor de nacht opzochten. Tegen een stam aangedrukt, verstopt onder een blad of weggedoken tussen het gebladerte, zoals deze Dwarsstreepmaanmug. Het is een weinig wereldschokkende ontdekking, dat weet ik ook wel, maar het gaf me toch een groot gevoel van tevredenheid.

Eert en weert

Eert en weert

Als aspirant bejaarden kijken wij op een verloren avond wel eens naar het televisieprogramma Binnenstebuiten, mijn vrouw en ik. Ach ja. In één van die uitzendingen was chefkok Ramon weer eens razend enthousiast over iets dat hij nog nóóit geproefd had, de honingbes dit keer. Dat chefkok Ramon daar nog nooit van gehoord had valt wellicht enigszins te betwijfelen, die leeft tenslotte in een schijnwereld, maar dat het voor ons nieuw was, dat wisten we wel zeker.
Aangestoken door het enthousiasme van chefkok Ramon bestelden wij nog dezelfde avond, zonder van de bank af te komen, drie struiken van de honingbes. Die kort daarna in een doos aan de deur werden afgeleverd en linea recta een plekje op de tuin kregen. Het waren nogal kleine struikjes en ze zagen er eerlijk gezegd niet heel bemoedigend uit maar tegen het voorjaar verschenen er weldegelijk blaadjes en zelfs een enkel bloemetje.
Vandaag plukte ik de volledige oogst. Het waren twee bessen. Lang niet zo groot als we ze op televisie hadden gezien maar wat geeft het. Wat niet is zal nog komen. We aten er ieder één, mijn vrouw en ik. En nu hopen we samen op een grotere oogst in het volgend jaar want chefkok Ramon had wel een beetje gelijk, ze waren zeker erg lekker. Om het beetje chefkokkerig uit te drukken: Wow, het begint heel sappig, met een overtuigend zoetje en heeft een onverwacht stevige afdronk met een kleine hint van sleedoorn.

Bewegend filigraan

Bewegend filigraan

Het heeft acht lange, slanke poten, maar een spin is het niet, al lijkt het er verdomd veel op. Nou goed, het is een spin-achtige, dus de verwarring is begrijpelijk. We zien hier de Gewone Hooiwagen. Persoonlijk vind ik dat we de gewone hooiwagen tekort doen met de term gewoon, want zo gewoon is ie niet, de gewone hooiwagen. Kijk alleen maar eens goed hoe mooi dat eruitziet. Die prachtige tekening op de rug, dat decoratieve stippenpatroon, als Marokkaans koperwerk. Dat lijf dat eruitziet als een soort middeleeuwse ridderhelm. En die poten.. die lijken toch wel van het fijnste goud? Bewegend filigraan, zoals alleen gemaakt kan worden door de beste goudsmid van het land? Niks gewoons aan.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het feit dat de hooiwagen, bij gebrek aan al teveel ogen, met het tweede stel poten kan ruiken, horen en voelen. Hij kan er trillingen mee opvangen, denkt men, en er op die manier zelfs mee communiceren.
Ook bepaald niet gewoon vind ik dat de hooiwagen, wanneer hij zich bedreigd voelt, één van zijn poten kan afwerpen, of twee, om zijn aanvaller in verwarring te brengen. De losse poot blijft nog een tijdje liggen bewegen, terwijl de hooiwagen de overgebleven benen neemt. En zo'n poot groeit dan ook nog gewoon weer terug. Wat misschien maar goed is ook, want ik lees dat de hooiwagen zijn poten echt bij het minste geringste laat vallen.
Een mannetje kun je, zoals wel vaker bij spinnen en spin-achtigen, maar beter niet zijn: direct na de paring word je zonder pardon opgevreten door je vrouw. Met poten en al. Want die truc, ja, die kent ze natuurlijk wel.