Home sweet hommel

Home sweet hommel

Mijn dochter, die er zelf een duizend soorten stadstuin op nahoudt, gaf mij de tip. Van de week had ik, een beetje aan de late kant, mijn nestkastjes leeggehaald en daar hier een berichtje over geplaatst. Mijn dochter las dat, en raadde mij aan de gebruikte nestjes in een bloempot te stoppen en die in een rustig hoekje op de tuin te leggen, voor de hommels. Hommels nestelen graag in verlaten muizenholletjes en gebruikte vogelnestjes. Wist zij. Ik wist het ook, maar ik denk daar dan niet aan op het moment dat ik een nestkast leeg sta te halen. Ik had die vogelnestjes op willekeurige maar goed bereikbare plekken in de tuin neergelegd met het idee dat het nestmateriaal misschien hergebruikt kon worden, door de mezen, of wellicht zelfs de tjiftjaf. Maar ik ben ook dol op hommels en die kunnen alle hulp gebruiken dus vandaag volgde ik het advies van mijn dochter op. De nestjes lagen nog onaangeroerd waar ik ze had neergelegd. Ik raapte ze bij elkaar en stopte ze in een grote bloempot, vulde het aan met wat droog gras en zocht een mooi plekje voor ze uit. En nog terwijl ik met mijn hommelhuis onder de arm rond liep te sjouwen hoorde ik een hommel zoemen. Ik zag haar ook, het was er zo een met een witte kont. Een aardhommel, heb ik net even opgezocht. Duidelijk op zoek, zigzaggend over de grond, af en toe een korte landing ter inspectie. Ik zette mijn hommelhuis zo uitnodigend mogelijk neer, naast een boomstam, aan de rand van de tuin, tegen een bescheiden aarden wal, ondertussen vanuit mijn ooghoeken de hommel volgend. Maar dat zou te mooi geweest zijn natuurlijk. Nee, de hommel verdween in een muizenhol. Daar heb ik er namelijk ook heel veel van.

Hij is terug

Hij is terug

In september, aan het eind van de zomer, nam ik afscheid van de tjiftjaf die mij de hele zomer vrolijk tjiftjaffend gezelschap had gehouden. Als ik aankwam op de tuin zat hij me vaak al op te wachten, hoog in de perenboom van de buurvrouw, en door de dag heen hipte hij van de ene naar de andere boom in mijn paradijs. Het verbaasde me eigenlijk dat de tjiftjaf een trekvogel bleek te zijn. Zo'n klein vogeltje, helemaal naar Noord Afrika, maar zo was het. Vanmiddag, ik was eigenlijk al bijna onderweg naar huis na een fraaie en arbeidzame winterlentemiddag, hoorde ik hem weer. Tjiftjaftjiftjaftjiftjaf. Nog niet vanuit de perenboom van de buurvrouw, of vanuit mijn eigen wilg, een andere favoriete plek, maar hij is dus terug. Ik verwachtte hem pas half april, had ik uitgezocht, maar blijkbaar miste hij mij ook. Of het inderdaad dezelfde is zullen we nooit weten, maar daar ga ik, puur voor mijn eigen plezier, gewoon van uit.

De moed

De moed

Ach mensen, wat is het een verdrietig makende ellende in de wereld. Het lijkt ook almaar erger te worden. Het ochtendblad vroeg zich vanochtend af of er wel genoeg wapens zouden zijn om al die oorlogen te kunnen blijven voeren. Ik bedoel maar. Tot hier heeft de Heer ons geholpen. En ondertussen sta ik me dan druk te maken over een volkstuin. Een lapje grond met wat bomen en struiken. Puur voor mijn eigen plezier. Het voelt bijna ongepast. Maar ja, wat kun je doen? Wat moet je doen? Ik kom dit lieveheersbeestje tegen. Het symbool van geweldloosheid. Die zal de moed ook wel verloren zijn, lijkt mij zo.

Een oude bekende

Een oude bekende

Kijk eens wie er ook weer is! De zwartgerande tuinslak. Een oude bekende. Vorig jaar zag ik hem nog dapper tegen de prikkelige en dode stengel van de kaardebol op klimmen, met z'n weke lijf. En vroeg ik me af wat ie daar te zoeken had. En of ie teleurgesteld zou zijn, na de zware en pijnlijke tocht vol ontberingen. Inmiddels las ik dat hij leeft van dode bladeren maar dat ie een levende brandnetel ook niet laat staan. Hij is wel wat gewend, blijkbaar. Verder voedt hij zich met dode regenwormen en andere slakken en, heb ik begrepen, slakkeneieren. Zelf wordt ie dan weer gegeten door egels, muizen, zanglijsters en merels. Je zou het zomaar een nuttig dier kunnen noemen. En, laten we eerlijk zijn, nog mooi om te zien ook.

Dilemma

Dilemma

Het is een eigenwijze plant, de Gunnera, ik schreef het al eerder ook. Want kijk, dan ben je een exoot, en allesbehalve winterhard, dan zou het natuurlijk verstandiger zijn je pas begin april te laten zien, op z'n vroegst. Dan blijf je tot die tijd toch het best lekker warm onder het dekentje van blad en gras liggen, dat je tuinier zo zorgzaam en liefdevol over je heeft uitgespreid. Maar nee, zo niet de Gunnera. Februari is nog niet eens afgelopen, het is snijdend koud zo af en toe, een nachtvorstje behoort nog zeker tot de mogelijkheden, maar de Gunnera stuurt z'n eerste stekelige klauwtjes al naar boven. Wat mij voor een probleem plaatst. Een dilemma, zou je bijna kunnen zeggen. Laat ik het dekentje van blad en gras nog maar even liggen, voor de zekerheid, dan beginnen de eerste uitlopers daar al snel tegen te rotten en zit ik straks met bruine, van de wormen aangevreten bladeren aan mijn lievelings, net als vorig jaar. Haal ik het dekentje weg om dat te voorkomen, loop ik het risico dat het eerste het beste lullige nachtvorstje de hele boel slap en kapot vriest. Ook net als vorig jaar. Ja, het is een eigenwijze plant, de Gunnera Tinctoria. De trots van mijn tuin.

Geen poepjes

Geen poepjes

Net als ik, hebben ook de vogeltjes de lente in het hoofd natuurlijk. Als je goed oplet zie je er zo af en toe al eentje vastberaden vliegen met een twijgje of een veertje of een rommeltje in de snavel. Eigenlijk ben ik er dus te laat mee, als ik deze week de nestkasten op mijn tuin leeghaal, om ruimte te maken voor nieuwe kandidaten. Maar allicht is het huizenaanbod voor vogels al net zo krap als voor onze jongvolwassen zonen en zijn ook de vogels blij met alles dat beschikbaar komt, wanneer het beschikbaar komt. Ik heb meerdere nestkasten verspreid over mijn tuin en twee daarvan zijn de afgelopen zomer in gebruik geweest. Twee prachtige nestjes haalde ik tevoorschijn, gemaakt van grasjes, mos, veertjes en haar. Ik dacht terug aan de warme dagen dat ik vanaf mijn terras het ijverig heen en weer vliegen van de koolmezen in de gaten hield. Hoe ik op zekere dag de nieuwe meesjes op verkenningstocht door de tuin meende te zien scharrelen. Hoe leuk ik dat gevonden had. Wat mij opviel bij het leeghalen van de kastjes was dat er behoorlijk wat poepjes waren achtergebleven, waar ik toch meende te weten dat de oudervogels die telkens na het voederen mee naar buiten namen, om het nest een beetje schoon te houden. Blijkbaar verschillen ook bij mezen de opvattingen over properheid en hygiëne. Maar goed. Bij nadere inspectie viel me nog iets op: niet alle poepjes bleken poepjes te zijn. Langs de rand van het nest ontdekte ik een rijtje bruinige, ovale dingetjes die in eerste instantie wel op poepjes leken, maar die ik daarna als coconnetjes determineerde, omdat ik er kleine gaatjes in zag. Kleine, holle boontjes, waren het. Van binnen leken ze rood te zijn. De nestjes waren niet alleen door mezen gebruikt, ook een insect had hier de eieren uitgebroed. Uit laten broeden, feitelijk. Na een speurtocht op internet langs alle mogelijke cocons gok ik op de een of andere sluipwesp, maar wie een beter idee heeft mag het zeggen.

Lente in februari

Lente in februari

Wat een prachtige dag, zo opeens. Liepen we gisteren nog met een winterjas aan en een sjaal om te mopperen, op die kouwe winter die maar niet om wou, vandaag was het lente. Volop. Lente in februari. Dus wat je ook van plan zou zijn geweest, op zo'n dag als vandaag, je zou wel gek zijn om niet naar de tuin te trekken. Eindelijk kon het een keer. Nou goed, het weer was lente-achtig, de tuin lag er evengoed nog winters bij natuurlijk. Maar kijk, de eerste crocussen stonden nu toch volop in bloei, geel als de zomerzon. Het longkruid toonde zo hier en daar het eerste bloempje, een witte hier, een roze daar. En verdomd als het niet waar is, daar vloog de eerste hommel. Een steenhommel, was het volgens mij, met zo'n oranje achterwerk. Ze kwam zelfs even op m'n overhemd zitten, zo blij was ook zij met de lente. Zij, want het zal een koningin geweest zijn, op zoek naar een goede plek voor een nest. Ik hoop maar in mijn tuin. Voor ik mijn telefoon tevoorschijn had gegoocheld was ze alweer vertrokken.

Pioniers

Pioniers

Het zijn natuurlijk altijd wel de dappere pioniers van de lente, maar nu hebben ze misschien toch een kleine misrekening gemaakt. Hebben ze zich misschien een beetje laten misleiden door die anderhalve dag iets beter weer die we de afgelopen weken hebben gehad. Nu staan ze zich te verbijten in opnieuw opgedoken sneeuwbuien, nachtvorst en snijdende kou. Ik heb met ze te doen.

Het allerkleinste sprankje

Het allerkleinste sprankje

Van alle sprankjes hoop die ik aantrof op de tuin, waar een snijdende poolwind ieder voornemen wat langer dan vijf minuten te blijven in de kiem smoorde, moet dit het allerkleinste sprankje zijn. Het bloemetje van de hazelaar. Het vrouwelijk bloemetje van de hazelaar, om preciezer te zijn. De mannelijke bloemen hangen in lange, onbescheiden katjes aan de takken in de wind te bungelen. Die zijn niet te missen. Deze piepkleine rozerode puntjes zie je makkelijk over het hoofd. En dan lees ik ook nog dat de vrouwelijke bloemen in groepjes van drie of vier in een knopje huizen. Dit piepkleine rozerode puntje is dus eigenlijk nog een boeketje ook.

De eersten zullen de laatsten zijn

De eersten zullen de laatsten zijn

Gut, daar heb je de eerste mug al, zou je kunnen denken, dat is snel. Maar zo zit het niet. Het zit anders. Het is eerder de laatste mug. Het is namelijk een wintermug. Ik wist ook niet dat die bestonden, maar dit is er een. Z'n nakomelingen groeien op in en onder de strooisellaag, en voeden zich met dood hout, plantenresten en wat zich daar verder nog aan rottend spul bevindt. Rommelopruimers dus. Nuttig, zou je kunnen zeggen. Goed voor de bodem. En in tegenstelling tot zijn alom gehate zomerfamilie, steekt de wintermug niet. Nooit. Niemand. Van de volwassen wintermug wordt wel gedacht dat die helemaal niet eet, maar in elk geval dus geen bloed. Wat op een in de winter zo goed als verlaten volkstuincomplex misschien ook maar het beste is.